ECLI:NL:GHARL:2026:356

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
200.353.040
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging afwijzing omgangsregeling wegens ernstig nadeel voor geestelijke ontwikkeling minderjarige

De vader verzocht de rechtbank Gelderland om een omgangsregeling met zijn minderjarige kind vast te stellen. De rechtbank wees dit verzoek af omdat omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke ontwikkeling van het kind, dat onder voogdij staat van een gecertificeerde instelling (GI).

In hoger beroep bevestigt het hof deze beslissing. Het hof overweegt dat de minderjarige complexe problematiek heeft en volledig afhankelijk is van intensieve begeleiding. De GI heeft recent een woonplek gevonden die aansluit bij de zorgbehoefte van het kind, met als doel rust en basisveiligheid te bieden voor verdere ontwikkeling.

Het hof stelt dat een vaste omgangsregeling op dit moment niet in het belang van het kind is, omdat het kind rust en behandeling nodig heeft. Hoewel er incidenteel begeleide belcontacten plaatsvinden, acht het hof het niet wenselijk deze in een formele regeling vast te leggen. De regie over contactmomenten blijft bij de GI, die rekening houdt met de wensen en belastbaarheid van het kind.

De beslissing van de rechtbank wordt daarom bekrachtigd, waarmee het verzoek van de vader wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot omgangsregeling wegens ernstig nadeel voor de geestelijke ontwikkeling van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.353.040
(zaaknummer rechtbank Gelderland 431500)
beschikking van 22 januari 2026
over de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl,
en
de gecertificeerde instelling,
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering(de GI),
die is gevestigd in Amsterdam.

1.Samenvatting

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft op 3 maart 2025 het verzoek van de vader om een omgangsregeling met [de minderjarige] vast te stellen, afgewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vader en [naam1] (de moeder) zijn de ouders van
[de minderjarige] , geboren [in] 2009.
2.2.
De rechtbank Gelderland heeft op 27 mei 2016 het gezag van de vader en de moeder over [de minderjarige] beëindigd. De rechtbank heeft op die datum de GI als voogd over
[de minderjarige] benoemd.
2.3.
[de minderjarige] verbleef tot voor kort op een woonplek bij [naam2] , maar is inmiddels verhuisd naar een perspectiefbiedende woonplek.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De vader heeft de rechtbank verzocht om een omgangsregeling met [de minderjarige] vast te stellen. Verder heeft de vader de rechtbank verzocht om een plan voor fysieke omgang inclusief doelstellingen en evaluatiemomenten vast te stellen.
3.2.
De rechtbank heeft de verzoeken van de vader afgewezen in de beschikking van 3 maart 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en als omgangsregeling vaststelt dat:
- [de minderjarige] een keer per maand gedurende een periode van zes maanden kan (video)bellen met hem;
- na deze periode de omgangsregeling wordt opgebouwd onder begeleiding van de grootouders van [de minderjarige] ;
- een concreet en opbouwend plan wordt vastgesteld voor de fysieke omgang, inclusief duidelijke doelstellingen en evaluatiemomenten, zodat hij en [de minderjarige] weten wanneer en onder welke voorwaarden verdere stappen kunnen worden gezet.
4.2.
De GI wil dat de beslissing van de rechtbank in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift;
- het verweerschrift;
- een brief van de GI, ingediend op 8 juli 2025.
4.4.
De zitting bij het hof was op 9 december 2025. Aanwezig waren:
- de vader met mr. J. Koenen (waarnemer voor mr. De Gruijl) en een begeleider van [naam3]
- een vertegenwoordiger van de GI
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
[de minderjarige] staat onder voogdij van de GI. Tot de taak van de voogd behoort
- mede - het in acht nemen van het recht van de betrokken minderjarige op omgang met de niet met het gezag belaste ouder, evenals het recht op en de verplichting tot omgang van die ouder met zijn of haar kind, voor zover dit niet onverenigbaar is met de belangen van het kind (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:943).
5.2.
In artikel 1:377a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Volgens vaste rechtspraak is artikel 1:377a BW ook van toepassing indien de voogdij bij een gecertificeerde instelling berust (zie de onder 5.1 vermelde beschikking van de Hoge Raad).
Wat vindt het hof?
5.3.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling moet worden afgewezen, omdat omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke ontwikkeling van [de minderjarige] . De beslissing van de rechtbank zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd). Dit is ook wat de raad heeft geadviseerd. Het hof is van oordeel dat de rechtbank haar beslissing zorgvuldig heeft gemotiveerd. Het hof neemt die motivering - na eigen onderzoek - over en maakt die tot de zijne. Het hof vult daarop nog het volgende aan.
5.4.
Bij [de minderjarige] is sprake van ingewikkelde problematiek met als gevolg dat zij op alle leefgebieden ondersteuning en nabijheid nodig heeft. [de minderjarige] is volledig afhankelijk van volwassenen die haar helpen de wereld om zich heen te begrijpen, en om emoties en gedrag te kunnen reguleren. Onlangs is het de GI gelukt, na twee jaar zoeken, een woonplek te vinden voor [de minderjarige] die voldoet aan haar complexe zorgvraag. De bedoeling is dat [de minderjarige] op deze plek eindelijk tot rust gaat komen en zij meer basisvertrouwen en basisveiligheid krijgt in de hoop dat zij stapjes kan gaan zetten in haar ontwikkeling. Maar op dit moment is daarvan geen sprake en heeft [de minderjarige] nog steeds één-op-één begeleiding nodig. In dat opzicht is er geen wijziging van de situatie toen de rechtbank haar beslissing nam. Naar het oordeel van het hof is het voor [de minderjarige] niet haalbaar om op dit moment een vaste omgangsregeling met de vader te hebben, omdat zij het meest gebaat is bij rust en behandeling om ervoor te zorgen dat zij binnen haar mogelijkheden zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen. De vader en [de minderjarige] hebben inmiddels wel tweemaandelijks een begeleid belcontact. Ook heeft één keer op verzoek van [de minderjarige] een videobelmoment met de vader plaatsgevonden. Maar het is niet in het belang van [de minderjarige] om deze belregeling vast te leggen in een beschikking. Rekening moet worden gehouden met de belastbaarheid van [de minderjarige] en daarom is het van belang om de regie van deze contacten bij de GI te laten. De GI heeft laten zien dat wordt geluisterd naar de wensen van [de minderjarige] in het contact met de vader.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 3 maart 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, R. Prakke-Nieuwenhuizen en P.B. Kamminga, en is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.