AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep poging zware mishandeling met vuurwapen en wapenbezit
Op 7 december 2024 vond een schietincident plaats voor een café waarbij het slachtoffer in zijn voet werd geraakt. Verdachte werd beschuldigd van zware mishandeling, poging daartoe en wapenbezit. Hij ontkende het schieten, maar getuigenverklaringen en zijn eigen verklaring bevestigden dat hij de schutter was.
Het hof oordeelde dat het letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kwalificeerde, waardoor verdachte vrijgesproken werd van zware mishandeling, maar wel veroordeeld voor poging tot zware mishandeling. Het beroep op noodweerexces werd verworpen omdat verdachte disproportioneel handelde en zich had kunnen onttrekken aan de situatie.
De straf werd vastgesteld op 18 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd een schadevergoeding van €5.211,31 toegewezen aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf voor poging tot zware mishandeling met een vuurwapen en wapenbezit, met aftrek van voorarrest, en moet schadevergoeding betalen aan het slachtoffer.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004102-25
Uitspraakdatum: 3 juni 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 18 september 2025 met parketnummer 18-015790-25 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [instelling] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering houdt in:
vernietiging van het vonnis van de rechtbank;
vrijspraak van feit 1 (na wijziging van de tenlastelegging) primair;
bewezenverklaring van feit 1 subsidiair en feit 2;
veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het door verdachte ondergane voorarrest; en
toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij tot € 3.215,81, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel van de vordering moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. van den Hoonaard, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. S.B. Mulder, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft in het vonnis de volgende beslissingen genomen:
bewezenverklaring van feit 1 primair (na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep is dat feit 1 subsidiair) en feit 2;
oplegging van een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het door verdachte ondergane voorarrest; en
toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij tot € 3.194,69, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel van de vordering is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof vernietigt het vonnis omdat de tenlastelegging in hoger beroep gewijzigd is, en doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op de zitting in hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
1.
primairhij op of omstreeks 7 december 2024 te [plaats] in de gemeente [gemeente] aan [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken eindkootje van een teen (fractuur distale phaslanx dig 4 linker voet) en mild weke delen letsel met persisterende pijnklachten heeft toegebracht, door uit zijn broeksband een (zwart) vuurwapen te pakken en/of te trekken en/of het vuurwapen te richten op die [benadeelde] en/of vervolgens met het vuurwapen te schieten op en/ of in de richting van die [benadeelde] , waarbij die [benadeelde] is geraakt in zijn voet.
subsidiairhij op of omstreeks 7 december 2024 te [plaats] in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (voor een café met omstanders)
- uit zijn broeksband een (zwart) vuurwapen heeft gepakt en/of heeft getrokken en/of
- het vuurwapen heeft gericht op die [benadeelde] en/of vervolgens
- met het vuurwapen heeft geschoten op en/ of in de richting van die [benadeelde] , waarbij die [benadeelde] is geraakt in zijn voet,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. hij op of omstreeks 7 december 2024 te [plaats] in de gemeente [gemeente]
- een wapen (kleur zwart) van categorie II en/of III, onder 1 van de Wet wapens en munitie zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of
- munitie van categorie II en/of III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Oordeel van het hof
Bewijsoverwegingen
Op 7 december 2024 vindt voor een café in [plaats] een schietincident plaats, waarbij aangever [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) in zijn voet wordt geraakt.
In hoger beroep is het strafrechtelijke verwijt aan verdachte: zware mishandeling (feit 1 primair), poging tot zware mishandeling (feit 1 subsidiair) dan wel mishandeling (feit 1 meer subsidiair) en wapen- en/of munitiebezit (feit 2). Verdachte ontkent deze feiten te hebben gepleegd. Hij ontkent een wapen te hebben getrokken en te hebben geschoten op [benadeelde] . Daarmee ontkent verdachte ook het bezit van dit wapen en/of de bijbehorende munitie. Verdachte erkent wel die avond bij het café te zijn geweest en daar onenigheid te hebben gehad met [benadeelde] . [benadeelde] zou verdachte hebben geduwd en probeerde uit te halen naar verdachte. Hierop heeft verdachte teruggeduwd en vervolgens zou – van achter verdachte – een schot op [benadeelde] zijn gelost door een ander persoon dan verdachte.
De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van beide feiten. Er is volgens hem onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de schutter was.
Oordeel van het hof
Aan het hof liggen in deze zaak de volgende vragen ter beantwoording voor. De eerste vraag is of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die heeft geschoten. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde hoe het schieten te kwalificeren is, waarbij ook beoordeeld moet worden of sprake is van zwaar lichamelijk letsel of een poging daartoe.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank in het vonnis bij de beslissingen over de feiten de juiste afweging heeft gemaakt. Het hof baseert de bewijsoverwegingen dan ook grotendeels op de bewijsoverwegingen van de rechtbank. Daarbij worden wel enkele onderdelen aangevuld of aangepast. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Was verdachte de schutter?
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte degene is geweest die op [benadeelde] heeft geschoten. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen.
In reactie op het verweer van de verdediging ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van getuige [getuige 1] dat zij gezien heeft dat verdachte op [benadeelde] schoot nadat tussen verdachte en [benadeelde] een woordenwisseling plaatsvond. Haar verklaring komt op cruciale details en – belangrijker nog – wat de kern van de zaak betreft overeen met de verklaring van [benadeelde] . Verdachte geeft bovendien met zijn eigen verklaring op de zitting van het hof ook steun aan de verklaringen van [getuige 1] en [benadeelde] . Dit doet hij door te verklaren dat hij voor het café een woordenwisseling had met [benadeelde] , dat hij daarbij heeft gezegd “we kennen elkaar toch?”. Laatstgenoemde uitlating komt overeen met de verklaring van [benadeelde] op dit punt: hij verklaart dat de jongen die op hem heeft geschoten tegen hem had gezegd “ga niet doen of je mij niet kent”. Het hof ziet in de beschrijvingen van verdachte, [benadeelde] en getuige [getuige 1] van de woordenwisseling die verdachte en [benadeelde] hadden vlak voor het schieten belangrijke overeenkomsten. Dit vergroot de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaringen van [benadeelde] en [getuige 1] .
Het hof acht nog het volgende relevant. In het dossier is geen enkele aanwijzing te vinden dat niet verdachte maar een andere persoon, een onbekend gebleven derde, op [benadeelde] heeft geschoten. [benadeelde] verklaart dat de jongen die hem duwde, meteen een wapen trok vanuit de voorzijde van zijn broeksband en op hem schoot. Deze verklaring volgend, zat er geen of in ieder geval weinig tijd tussen het duwen en het schot met het vuurwapen. Verdachte verklaart dit ook: hij duwde [benadeelde] en vervolgens viel het schot. Het hof hecht daarnaast ook waarde aan de verklaring van verdachte op de zitting van het hof dat hij niet heeft gezien dat er nog een andere jongen was die [benadeelde] heeft geduwd.
Dat verdachte de schutter was, leidt het hof net als de rechtbank ook af uit de verklaring van [getuige 2] dat ze na het schot mensen heeft horen roepen: “ [verdachte] , wat doe je?”.
Gelet op al de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, zeker in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het buiten redelijke twijfel vaststaat dat verdachte de schutter is geweest. Het hof acht het scenario van de verdachte dat een andere persoon heeft geschoten op [benadeelde] dan ook niet aannemelijk. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
Nu het hof vaststelt dat verdachte de schutter is geweest, is daarmee het voorhanden hebben van een wapen en/of munitie ook bewezen (feit 2).
Hoe is het schieten te kwalificeren?
Aan het hof ligt vervolgens de vraag voor of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als zware mishandeling of een poging daartoe.
Vrijspraak feit 1 primair
Onder zwaar lichamelijk letsel wordt op grond van artikel 82 vanPro het Wetboek van Strafrecht onder andere verstaan: letsel dat niet helemaal zal genezen of waardoor iemand blijvend arbeidsongeschikt is geworden. Daarnaast kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat letsel zo ernstig is dat dat naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel wordt gezien. Of iets zwaar lichamelijk letsel is, hangt af van de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.
Het hof oordeelt dat in deze zaak geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. De beschikbare medische informatie in het dossier is onvoldoende om te kunnen spreken van zwaar lichamelijk letsel. Ook niet naar gewoon spraakgebruik.
Het schot is een schampschot geweest. Weliswaar heeft [benadeelde] daardoor een teen gebroken, had hij een brandblaar op een teen en heeft hij nu nog pijnklachten aan zijn voet, maar voor deze verwondingen was geen langdurige of ingrijpende medische behandeling nodig. Zijn (lichamelijke) verwondingen hebben [benadeelde] , voor zover het hof kan vaststellen, niet belemmerd in zijn werkzaamheden.
Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (feit 1 primair).
Bewijsoverweging feit 1 subsidiair
Het hof moet vervolgens de vraag beantwoorden of sprake is van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Uit de bewijsmiddelen volgt daarover het volgende.
Verdachte heeft blijkens de verklaring van [benadeelde] vanaf een afstand van 8 tot 10 meter met een vuurwapen op hem gericht en geschoten. [getuige 1] verklaart dat verdachte het wapen onstabiel vasthield en dat hij wiebelig was. Hij richtte het wapen naar beneden. De kans dat hij [benadeelde] daardoor zou raken, is aanmerkelijk. [benadeelde] is vervolgens in zijn voet geraakt. De kans dat daarbij bij [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel had kunnen ontstaan is naar het oordeel van het hof ook aanmerkelijk geweest. Er bestond een aanmerkelijke kans dat bepaalde spieren, zenuwen, pezen of aders in de voet zouden worden geraakt en daardoor ernstig hadden kunnen worden beschadigd of dat ander blijvend letsel zou worden veroorzaakt. Dergelijk ernstig of blijvend letsel aan de voet heeft directe gevolgen voor de mobiliteit van het slachtoffer en daarmee op de impact van het letsel op het leven van het slachtoffer.
Het gericht op [benadeelde] schieten zoals verdachte heeft gedaan is naar de uiterlijke verschijningsvorm daarvan zozeer gericht op het ontstaan van zwaar letsel dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel (contra-indicaties) is niet gebleken. Verdachte heeft dus (voorwaardelijk) opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde] .
Het hof acht de als feit 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dan ook wettig en overtuigend bewezen. Het verweer wordt verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
subsidiairhij op 7 december 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen voor een café met omstanders
- uit zijn broeksband een (zwart) vuurwapen heeft gepakt en/of heeft getrokken en
- het vuurwapen heeft gericht op die [benadeelde] en vervolgens
- met het vuurwapen heeft geschoten op die [benadeelde] , waarbij die [benadeelde] is geraakt in zijn voet,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. hij op 7 december 2024 te [plaats]
- een wapen (kleur zwart) van categorie II en/of III, onder 1 van de Wet wapens en munitie zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of
- munitie van categorie II en/of III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van verdachte
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft subsidiair bepleit dat sprake is van noodweer(exces). [benadeelde] duwde verdachte en haalde naar hem uit. Het was voor verdachte geen reële optie om zich hieraan te onttrekken en hij reageerde proportioneel door naar beneden te schieten en niet in de richting van vitale lichaamsdelen. Mocht het hof van oordeel zijn dat verdachte te ver is gegaan in zijn verdediging, dan stelt de verdediging dat een hevige gemoedsbeweging goed invoelbaar en voorstelbaar is.
Oordeel van het hof
Vooropgesteld moet worden dat als een beroep is gedaan op noodweer of noodweerexces, de rechter zal moeten onderzoeken of aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Dat houdt in dat pas sprake is van een terecht beroep op zelfverdediging als het begane feit noodzakelijk was voor de verdediging van zijn eigen of iemand anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
Onder omstandigheden valt onder zo’n ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding ook een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. De enkele vrees voor zo’n aanranding is daarvoor niet voldoende.
Het is niet mogelijk om in zijn algemeenheid te zeggen welke reactie nodig is voor iemands verdediging. Daarbij moet gekeken worden naar wat in de specifieke situatie nodig en mogelijk was. Dat zijn de eisen van subsidiariteit (kon het op een andere manier) en proportionaliteit (kon het met minder geweld).Daarbij moet gekeken worden naar de feitelijke omstandigheden van het geval.
Er kan sprake zijn van noodweerexces als er op zich wel een situatie was waarin verdachte zichzelf mocht verdedigen, maar daarin te ver is gegaan. Anders gezegd: dat wat verdachte in reactie daarop deed, stond niet in verhouding tot de gedragingen van de aanvaller. Daardoor was zijn handelen niet proportioneel.
Van noodweerexces is in zo’n situatie alleen sprake als er weliswaar een situatie was waarin verdachte zich mocht verdedigen, maar hij daarbij verder is gegaan dan nodig was, als onmiddellijk gevolg van een hevige door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging. Daarvan is ook sprake als hij in zo’n situatie door die hevige gemoedsbeweging te lang door is gegaan, omdat de situatie waarin hij zich mocht verdedigen al beëindigd was.
Het hof stelt, mede op basis van de eigen verklaring van verdachte, vast dat er voorafgaand aan het schieten een woordenwisseling tussen verdachte en [benadeelde] was, dat er daarbij over en weer is geduwd en dat [benadeelde] vervolgens probeerde uit te halen naar verdachte.
Naar het oordeel van het hof was door de gedragingen van [benadeelde] weliswaar sprake van onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf, maar is op grond van het verhandelde op de zitting in eerste aanleg en in hoger beroep niet aannemelijk geworden dat de situatie zodanig is geweest dat de gedragingen van verdachte nodig waren om zichzelf daartegen te verdedigen. Verdachte had zich aan de uithaal door [benadeelde] kunnen en moeten onttrekken door (bijvoorbeeld) weg te gaan. Verdachte en [benadeelde] stonden op de openbare weg buiten een café. Niet is gesteld of gebleken dat vluchten niet mogelijk was voor verdachte. In plaats daarvan heeft verdachte volstrekt disproportioneel gehandeld door met een vuurwapen op [benadeelde] te schieten. Er is daarbij geen enkele aanwijzing voor een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, vooral nu verdachte daar zelf niets over verklaart. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
In het vonnis overweegt de rechtbank ten aanzien van de strafoplegging onder andere:
Verdachte heeft, terwijl hij in de proeftijd liep van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling en een locatiegebod (huisarrest) had, een geladen vuurwapen meegenomen naar een café. Hij heeft aangever op straat voor het café beschoten terwijl er meerdere mensen (dicht) omheen stonden. Verdachte heeft het slachtoffer in zijn voet geraakt. Met zijn handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel toegebracht. Uit de slachtofferverklaring blijkt hoezeer de gebeurtenissen negatieve gevolgen hebben gehad voor het slachtoffer. Het slachtoffer leeft voortdurend in angst en ervaart nog dagelijks pijn aan zijn voet.
Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de maatschappij. Het voorhanden hebben van vuurwapens leidt gemakkelijk tot het gebruik daarvan zoals hier ook daadwerkelijk is gebeurd, met alle gevolgen van dien. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Hij was bovendien een gewaarschuwd mens. Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt namelijk dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor onder andere poging doodslag en wapenbezit.
Het hof is het eens met deze overwegingen en neemt deze over.
Over zijn persoonlijke omstandigheden verklaart verdachte op de zitting van het hof dat hij vanwege het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling in een andere strafzaak nog 1 jaar moet uitzitten. Na zijn detentie wil hij het leven weer oppakken samen met zijn vriendin.
Het hof ziet – alles overwegende – in wat door verdachte is aangevoerd over zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende reden om in het voordeel van verdachte af te wijken van de door de rechtbank opgelegde straf. Deze straf is volgens het hof gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en de persoon van verdachte, passend en noodzakelijk. Dit betekent dat het hof een gevangenisstraf zal opleggen van 18 maanden, met aftrek van de door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 WetboekPro van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
Het hof zal bevelen dat de voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van het moment waarop de duur daarvan gelijk is aan de duur van de opgelegde vrijheidsstraf.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 8.260,83 ingediend. Dit bedrag bestaat uit € 2.268,83 materiële schade en € 6.000,- immateriële schade.
De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen, namelijk tot een totaalbedrag van € 3.194,69. Daarbij ging het om € 194,69 materiële schade en € 3.000,- immateriële schade.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding van in totaal € 8.260,83. Dit bedrag omvat ook een bedrag van € 21,12 aan reiskosten (ziekenhuisbezoek) die zijn gemaakt op 15 januari 2026, zo volgt uit de brief van de advocaat van de benadeelde partij van 19 mei 2026.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Materiële schade
Op de zitting en uit het dossier is voldoende gebleken dat de benadeelde partij door het als feit 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. De gevorderde kosten voor de kapotte schoenen van € 139,95 komen voor toewijzing in aanmerking.
Het gevorderde bedrag voor reiskosten voor medische behandelingen zal het hof toewijzen tot een bedrag van € 211,31. Dat bedrag is als volgt opgebouwd:
3 ziekenhuisbezoeken: 64 kilometer per bezoek à € 0,33 per kilometer [1] = € 63,36; en
- parkeerkosten € 8,-.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de benadeelde partij 3 fysieke afspraken in het ziekenhuis heeft gehad, daarvoor zal het hof de reis- en parkeerkosten toewijzen.
In totaal wijst het hof een bedrag van (€ 139,95 + € 211,31 =) € 211,31 aan materiële schade toe.
Verdachte is gehouden tot vergoeding van die schade zodat de vordering tot dat bedrag wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.
De benadeelde partij wordt voor het overige deel van de vordering die ziet op de materiële schade niet-ontvankelijk verklaard.
Immateriële schade
Op de zitting en vanuit het dossier is voldoende gebleken dat de benadeelde partij door het als feit 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden als bedoeld in artikel 6:106 aanhefPro en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De benadeelde partij heeft aangegeven dat hij de pijnklachten aan zijn voet (die hij tot nu toe ervaart) voorafgaand aan het feit niet had. Er lijkt ook geen sprake van een alternatieve oorzaak voor die pijnklachten. Het hof stelt daarmee vast dat de pijnklachten door het schieten op de voet zijn ontstaan en ziet daartussen een causaal verband. Naar het oordeel van het hof is een bedrag van € 5.000,- een billijke vergoeding voor de immateriële schade die de benadeelde partij heeft geleden.
Het hof waardeert deze immateriële schade op € 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Het hof wijst dit gedeelte van de vordering toe en verdachte moet deze schade vergoeden. Hierbij heeft het hof gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij. De hoogte van het toegewezen bedrag is ook passend bij de inmiddels in gebruik genomen Rotterdamse schaal (categorie 15.8 onder 2; gering teenletsel). Voor het overige zal de vordering die ziet op de immateriële schade worden afgewezen.
Verdachte is gehouden tot vergoeding van die schade zodat de vordering tot dat bedrag wordt toegewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 57, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.211,31 (vijfduizend tweehonderdelf euro en eenendertig cent) bestaande uit € 211,31 (tweehonderdelf euro en eenendertig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) aan immateriële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.211,31 (vijfduizend tweehonderdelf euro en eenendertig cent) bestaande uit € 211,31 (tweehonderdelf euro en eenendertig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 51 (eenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 december 2026.
Voorlopige hechtenis
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Kwakman, mr. L.J. Hofstra en mr. M.J.F. van der Wolf, in aanwezigheid van de griffier mr. K.M. Diender en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juni 2026.
Voetnoten
1.Zoals opgenomen in de Richtlijn Kilometervergoeding van de Letselschade Raad.