ECLI:NL:GHARL:2026:3696

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.360.358
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Brussel II-terArt. 4 lid 3 RvArt. 827 lid 1 RvArt. 7:266 lid 5 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging toekenning huurrecht voormalige echtelijke woning aan man na echtscheiding

Partijen zijn gescheiden en strijden over de toekenning van het huurrecht van hun voormalige echtelijke woning. De rechtbank had het huurrecht aan de man toegekend en het hof bevestigt deze beslissing. De vrouw voerde aan dat zij vanwege haar lichamelijke en psychische klachten, waaronder een posttraumatische stressstoornis en suïcidale neigingen, gebonden is aan de woning en geen alternatieve woonruimte heeft. Zij stelde dat de woning speciaal aan haar was toegewezen toen zij asiel kreeg.

De man betwistte deze stellingen en stelde dat de vrouw wel alternatieven heeft, zoals wonen bij haar moeder of dochter, en dat hij zelf geen andere woonruimte heeft behalve de daklozenopvang. Ook ontkende hij agressief gedrag jegens de vrouw en kinderen. Het hof oordeelde dat het belang van de man bij het huurrecht zwaarder weegt omdat hij geen alternatieve woonruimte heeft, terwijl de vrouw onvoldoende onderbouwde dat zij niet elders kan wonen. Medische rapportages en evaluaties van maatschappelijke opvang ondersteunen dit oordeel.

Het hof concludeert dat de rechtbank terecht het huurrecht aan de man heeft toegekend en bekrachtigt de beschikking. De echtscheiding is ingeschreven en de kinderen zijn meerderjarig. De zaak heeft een internationaal karakter vanwege de Iraanse nationaliteit van de man, maar de Nederlandse rechter is bevoegd omdat partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben en de woning in Nederland staat.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en kent het huurrecht van de voormalige echtelijke woning toe aan de man.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.360.358
zaaknummer rechtbank Gelderland 451334
beschikking van 9 juni 2026
over toekenning van het huurrecht
in de zaak van
[verzoekster](de vrouw),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.J. van Vliet,
en
[verweerder](de man),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. D. Rezaie.

1.Samenvatting

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft in de beschikking van 2 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking) onder andere bepaald dat de man, met ingang van de datum waarop die beschikking wordt ingeschreven, huurder is van de voormalige echtelijke huurwoning van partijen aan [adres1] in [plaats1] (verder: de woning). Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank ook de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze is op 14 januari 2026 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
De man heeft de Iraanse nationaliteit en de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.3.
De kinderen van partijen zijn meerderjarig.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De vrouw heeft de rechtbank verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en een bevel te geven tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Beide partijen hebben de rechtbank verzocht om toekenning van het huurrecht van de woning en om toedeling van de inboedel. Daarnaast hebben beide partijen de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van de echtscheidingsprocedure het uitsluitend gebruik toe te kennen van de woning en de zich daarin bevindende inboedel.
3.2.
De rechtbank heeft in de beschikking van 2 oktober 2025:
  • de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
  • aan ieder van partijen de helft van de inboedel toebedeeld, in onderling overleg te verdelen;
  • bepaald dat de man met ingang van de datum waarop de beschikking van 2 oktober 2025 wordt ingeschreven huurder is van de woning;
  • bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de man met ingang van 16 oktober 2025 bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de woning met bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;
  • afgewezen wat verder is verzocht.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de toekenning van het huurrecht van de woning. Zij wil dat het hof het huurrecht van de woning alsnog aan haar toekent.
4.2.
De man is het wel eens met de beslissing van de rechtbank over de toekenning van het huurrecht van de woning. Hij wil dat het hof die beslissing van de rechtbank in stand laat.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift met bijlagen, ontvangen op 16 oktober 2025;
  • het verweerschrift;
  • het stuk van de vrouw, ingediend op 5 mei 2026.
4.4.
De zitting bij het hof was op 8 mei 2026. Aanwezig waren:
  • de vrouw met haar advocaat;
  • de man met zijn advocaat.
Beide partijen werden bijgestaan door een tolk.

5.Het oordeel van het hof

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De zaak heeft een internationaal karakter, omdat de man de Iraanse nationaliteit heeft. Het hof dient daarom ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Partijen hadden op het moment van indiening van het echtscheidingsverzoek hun gewone verblijfplaats in Nederland, zoals dat ook nu nog het geval is, en daarom is de Nederlandse rechter bevoegd te beslissen over de echtscheiding. [1] Omdat de woning in Nederland staat, is de Nederlandse rechter eveneens bevoegd te beslissen over de toekenning van het huurrecht. [2]
5.2.
De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Omdat partijen daartegen geen bezwaar hebben aangevoerd, gaat ook het hof daarvan uit.
Toekenning huurrecht
5.3.
De rechter kan bij het uitspreken van de echtscheiding op verzoek van een echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de woonruimte zal zijn. [3] Daarbij weegt de rechter de belangen die partijen elk hebben bij het huurrecht van de woonruimte tegen elkaar af.
5.4.
De vrouw stelt dat de rechtbank het huurrecht ten onrechte aan de man heeft toegekend. Zij is van mening dat haar belang bij het huurrecht zwaarder weegt dan het belang van de man daarbij. Zij voert onder meer het volgende aan. De vrouw is gebonden aan de woning. Deze specifieke woning is aan haar toegewezen toen zij asiel kreeg in Nederland, omdat zij lichamelijke en psychische klachten heeft. Zij heeft onder andere last van een posttraumatische stressstoornis en suïcidale neigingen. De vrouw heeft geen alternatieve woonruimte. De afgelopen periode heeft zij verbleven in een trainingshuis (maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang), maar dat was slechts een tijdelijke opvangplek en daar mag ze niet langer verblijven. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan de vrouw niet bij haar moeder wonen. De moeder van de vrouw woont in een flat, op de zesde verdieping. Omdat de vrouw suïcidale neigingen heeft, is dat geen geschikte woning voor haar. Daarnaast heeft de moeder een zoon met een psychische stoornis. Hij is gewelddadig tegen de vrouw en haar spullen. Vanwege haar psychische en lichamelijke klachten kan de vrouw niet in de daklozenopvang verblijven. Voor de man is dat wel een mogelijkheid, zoals de afgelopen periode is gebleken. Tot slot moet het hof meewegen dat de man verbaal en fysiek agressief is tegen de vrouw en de kinderen van partijen.
5.5.
De man betwist dat de vrouw vanwege lichamelijke en psychische klachten gebonden is aan de woning en dat zij geen alternatieve woonruimte heeft. Hij voert aan dat uit de stukken die de vrouw heeft overgelegd, in het bijzonder het evaluatieverslag maatschappelijke opvang van 16 maart 2026, blijkt dat de maatwerkvoorziening is verlengd tot en met 31 juli 2026 en dat wordt onderzocht of de vrouw kan uitstromen naar een seniorenwoning. Daarnaast heeft de vrouw volgens de man onvoldoende onderbouwd dat zij niet bij haar moeder kan wonen. Volgens hem blijkt nergens uit dat de vrouw vanwege suïcidale neigingen niet op de zesde verdieping kan wonen en ook niet dat de zoon van de moeder van de vrouw gewelddadig is tegen de vrouw en haar spullen. Hij wijst erop dat uit het genoemde evaluatieverslag maatschappelijke opvang van 16 maart 2026 blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat de vrouw acute medische problemen heeft en dat uit de door de vrouw overgelegde brief van [naam1] van 16 juni 2025 blijkt dat haar moeder een steunende rol kan vervullen. Verder stelt de man dat de vrouw ook bij de dochter van partijen kan gaan wonen, met wie de vrouw een goede verstandhouding heeft. De man betwist dat hij agressief is geweest tegen de vrouw en/of de kinderen van partijen. Volgens de man valt los daarvan ook niet in te zien hoe die omstandigheid een rol zou kunnen spelen bij de belangenafweging die het hof moet maken. De man vindt dat zijn belang bij het huurrecht zwaarder weegt dan het belang van de vrouw daarbij, omdat hij (behalve in de daklozenopvang) nergens anders kan wonen of verblijven en de vrouw wel woonalternatieven heeft.
5.6.
Het hof stelt vast dat beide partijen belang hebben bij het huurrecht van de woning. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat het belang van de man bij het huurrecht zwaarder weegt dan het belang van de vrouw daarbij. Vast staat dat de man geen alternatieve woonruimte heeft (behalve de daklozenopvang), terwijl niet is komen vast te staan dat de vrouw nergens anders kan wonen.
Anders dan de vrouw stelt, blijkt uit de stukken niet, althans onvoldoende, dat de woning speciaal aan haar is toegewezen vanwege haar lichamelijke en psychische klachten en dat zij daarom is gebonden aan deze specifieke woning. De advocaat van de vrouw heeft ter onderbouwing van de stelling verwezen naar productie 3, dat betreft haar eigen verzoekschrift, en productie 6, dat betreft een schriftelijke verklaring van de dochter van partijen. Objectief bewijs voor die stelling ontbreekt.
De vrouw verblijft momenteel in een trainingshuis. Uit het evaluatieverslag maatschappelijke opvang van 16 maart 2026 blijkt dat zij daar in ieder geval tot en met 31 juli 2026 kan blijven wonen en dat ondertussen wordt onderzocht welke uitstroommogelijkheden zij heeft, bijvoorbeeld een seniorenwoning via WBB.
Daarnaast heeft de vrouw, in het licht van de betwisting door de man, onvoldoende onderbouwd dat zij niet bij haar moeder kan wonen. Uit het namens de vrouw aangehaalde bericht van [naam2] van 30 september 2025 blijkt alleen dat de moeder van de vrouw heeft gemeld dat zij vermoedt dat haar zoon psychiatrische problemen heeft, waarbij zij heeft omschreven dat politieagenten haar hebben verteld dat haar zoon een ruit van een bushalte had vernield en dat zij zelf heeft gezien dat hij een raam bij de ingang van haar flat had kapotgemaakt. Er blijkt niet uit dat de zoon van de moeder – die niet bij de moeder woont - gewelddadig is tegen de vrouw en haar spullen.
Uit de stukken blijkt ook niet dat de vrouw vanwege suïcidale neigingen niet op de zesde verdieping kan wonen. De advocaat van de vrouw heeft in dit verband verwezen naar ‘een brief van Vluchtelingenwerk’, maar die brief is niet overgelegd in deze procedure. Verder blijkt uit de namens de vrouw aangehaalde rapportage van [naam3] van 4 oktober 2021 dat is geadviseerd om de vrouw niet hoger dan de tweede etage te laten wonen, maar dat is om overbelasting te vermijden. In de rapportage staat: “Belanghebbende heeft verschillende lichamelijke aandoeningen en klachten. Zij wordt hiervoor adequaat behandeld, wat afdoende is. Belanghebbende zal zelf een gezonde leefstijl moeten nastreven waarbij gezonde voeding en dagelijks in beweging zijn/blijven noodzakelijk is voor vermindering van verergering van deze aandoeningen. Ook bij de botaandoening is het van belang om in beweging te blijven, het lopen van trappen en langere afstanden is juist goed bij deze aandoening. Uit de medische informatie blijken verder geen bewegingsbeperkingen. Om overbelasting te vermijden geldt voor huisvesting alleen een traptredenbeperking.” Uit de rapportage blijkt niet van een verband tussen suïcidale neigingen van de vrouw en de geadviseerde traptredenbeperking tot maximaal de tweede etage. Tot slot heeft de vrouw niet weersproken dat zij bij de dochter van partijen kan wonen, die in [plaats1] woont.
5.7.
Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de rechtbank over het huurrecht in stand laten (bekrachtigen).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 2 oktober 2025 over de toekenning van het huurrecht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, S. Kuijpers en I.J. Pieters, en is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.

Voetnoten

1.Artikel 3 Brussel Pro II-ter.
2.Artikel 4 lid 3 aanhef Pro en onder a Rv in samenhang met artikel 827 lid 1 aanhef Pro en onder f Rv en artikel 7:266 lid 5 BW Pro.
3.Artikel 827 lid 1 onder Pro f Rv in samenhang met artikel 7:266 lid 5 BW Pro.