In deze zaak gaat het om de benoeming van een mentor voor een meerderjarig kind met een ernstige verstandelijke beperking. De kantonrechter had een professionele mentor, Stichting CAV Mentorschap, benoemd, maar de moeder ging hiertegen in hoger beroep en verzocht zelf tot mentor te worden benoemd.
Het hof overweegt dat het kind vanwege zijn verstandelijke beperking niet in staat is zijn voorkeur kenbaar te maken. De wettelijke voorkeur gaat uit naar een van de ouders als mentor, tenzij gegronde redenen zich daartegen verzetten. Het hof constateert dat de moeder al jarenlang de zorg en besluitvorming voor het kind verzorgt en dat er geen aanwijzingen zijn dat zij niet in het belang van het kind handelt.
Hoewel er geschillen zijn tussen de ouders, acht het hof deze onvoldoende om af te wijken van de wettelijke voorkeursregeling. De benoeming van een onafhankelijke mentor zou de betrokkenheid van de vader niet verbeteren, omdat de mentor geen verplichting heeft andere belanghebbenden te informeren.
Het hof vernietigt daarom het deel van de beschikking dat ziet op de benoeming van de mentor en benoemt de moeder met ingang van 1 augustus 2026 tot mentor. De professionele mentor wordt ontslagen en krijgt gelegenheid het mentorschap over te dragen. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening gelaten.