ECLI:NL:GHARL:2026:3706

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.363.111
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a lid 4 BWArt. 1:377e BWArt. 1:377a lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep vervangende toestemming verhuizing en zorgregeling minderjarige kinderen

De moeder verzocht de rechtbank om vervangende toestemming voor verhuizing met haar twee minderjarige kinderen naar een andere woonplaats, wat werd afgewezen. Tevens werd de zorgregeling gewijzigd ten gunste van de vader. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing.

De ouders zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk gezag uit over de kinderen. De moeder woont sinds haar verhuizing in een andere gemeente met haar nieuwe partner en hun gezamenlijke dochter. De kinderen gaan op hun oude woonplaats naar school. De moeder wilde de zorgregeling aanpassen zodat de kinderen vaker bij haar zouden verblijven, ondanks de aanzienlijke reistijd.

Het hof oordeelt dat het belang van de kinderen prevaleert boven het contact met de moeder, waarbij de lange reistijd en het effect daarvan op de kinderen zwaar wegen. De zorgregeling wordt bekrachtigd, maar aangevuld met een extra dinsdagmiddag bij de moeder in de buurt van de school en tweemaal per week videobelcontact. Het hof wijst de overige verzoeken van de moeder af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van vervangende toestemming verhuizing en wijzigt de zorgregeling met een extra dinsdagmiddag bij de moeder en tweemaal per week videobelcontact.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.111
(zaaknummer rechtbank Gelderland 452763)
beschikking van 9 juni 2026
inzake
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. S.L. Fronik
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. W.G.A. van Hoogstraten

1.Samenvatting

De rechtbank Gelderland heeft het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te krijgen voor een verhuizing met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar [woonplaats1] afgewezen. De rechtbank Gelderland heeft ook de zorgregeling gewijzigd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven, zij het met een uitbreiding van de zorgregeling voor de moeder op dinsdag
.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn [in] 2016 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Zij zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , die is geboren [in] 2016, en
- [de minderjarige2] , die is geboren [in] 2019,
over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen.
2.2
Door de rechtbank Limburg is bij beschikking van 22 april 2022 de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van de ouders uitgesproken. In deze beschikking is ook bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan, dat door de ouders op 25 maart 2022 is ondertekend, deel uitmaakt van de beschikking.
2.3.
De ouders woonden ten tijde van het uiteengaan in [woonplaats2] . De vader is daar blijven wonen. De moeder is na de breuk in eerste instantie in [woonplaats3] gaan wonen. De kinderen gaan in [woonplaats2] naar school. In het ouderschapsplan is daarvan uitgaande bepaald dat [de minderjarige1] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft en dat [de minderjarige2] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. Ook is de volgende regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) vastgelegd:
2.4.
De wisselmomenten zijn als volgt:
‘Oneven week: woensdag brengt moeder de kinderen naar school en haalt vader de
kinderen uit school op. Even week: maandag brengt vader ze naar school,
moeder uit school. Donderdag moeder naar school, vader haalt ze op. Op zaterdag
zal het wisselmoment plaats vinden om 14:00. '
2.5.
In afwijking van het ouderschapsplan verblijven de kinderen elke maandag, dinsdag en woensdag voor school bij de moeder en elke woensdag na school, donderdag en vrijdag naar school bij de vader. De weekenden, vanaf vrijdag na school, worden om de week gedeeld. Hierbij haalt de moeder de kinderen op maandag van school, brengt zij ze op dinsdag en woensdag naar school en haalt zij de kinderen op de vrijdag dat de kinderen bij haar in het weekend verblijven, bij grootouders van vaderszijde op.
2.6.
De moeder heeft een nieuwe partner. De partner van de moeder woont in [woonplaats1] in [gemeente1] . De moeder en haar partner hebben samen een dochter: [de minderjarige3] , die is geboren [in] 2025.
2.7.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in het vonnis in kort geding van
23 mei 2025 onder meer:
- de vordering van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met
de kinderen naar [woonplaats1] te verhuizen, afgewezen;
- de primaire vordering van de vader om de moeder te verbieden met de kinderen naar
[woonplaats1] te verhuizen, althans de moeder te bevelen te blijven wonen in
[woonplaats3] en daar ook daadwerkelijk te verblijven, afgewezen;
- de subsidiaire vordering van de vader om de moeder te bevelen in [woonplaats3] te
verblijven conform de doordeweekse zorgregeling (van zondagavond tot woensdag
naar school) en aldus wanneer de moeder de zorg voor de kinderen heeft,
toegewezen;
- de vordering van de vader om de moeder een dwangsom op te leggen per dag(deel)
dat zij in gebreke blijft het vonnis na te komen, afgewezen.
2.8.
Door de moeder is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 23 mei 2025. In het arrest in kort geding van 22 juli 2025 van dit hof is het vonnis van 23 mei 2025 bekrachtigd.
2.9.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland heeft in het vonnis in kort geding van 10 juli 2025:
- de moeder veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling uit het vonnis van 23 mei
2025, in die zin dat zij verplicht is om in [woonplaats3] te verblijven conform de
doordeweekse zorgregeling op de dagen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar school
moeten;
- de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 500,- voor
iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 1.
voldoet, tot een maximum van € 15.000,- is bereikt;
- de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere
partij de eigen kosten draagt.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De moeder heeft de rechtbank verzocht om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar [woonplaats1] . Voor het geval de rechtbank de toestemming niet zou geven heeft de moeder gevraagd om een aanpassing van de zorgregeling, waarbij:
- de kinderen elke week vanaf dinsdag 17.00 uur tot vrijdag naar school bij de vader en elke maandag (hele dag en nacht) en dinsdag tot 17.00 uur bij de moeder zijn, en de weekenden (vanaf vrijdag na school tot maandag naar school) om en om, of
- de kinderen op de doordeweekse dagen bij de moeder zijn (en zij zullen dan in [woonplaats1] naar school gaan) en elk weekend van vrijdag na school tot maandag naar school (of tot zondagavond) bij de vader zijn, of
- de kinderen op doordeweekse dagen bij de vader zijn en elk weekend van vrijdag na school tot maandag naar school bij de moeder.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de moeder afgewezen en de beschikking van de rechtbank Limburg van 22 april 2022 en het van die beschikking deel uitmakende ouderschapsplan gewijzigd en als zorgregeling vastgesteld dat de kinderen:
- om de week in het weekend bij de moeder verblijven vanaf vrijdag na school waarbij de moeder de kinderen uit school ophaalt tot zondag waarbij de moeder de kinderen om 19.30 uur terugbrengt naar de vader;
- tijdens de vakanties die één week duren, bij de moeder verblijven;
- tijdens de overige vakanties bij de ouders zijn, bij helfte tussen de ouders te verdelen.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 21 oktober 2025.
3.4
De moeder heeft er vervolgens voor gekozen om haar woonruimte in [woonplaats3] op te zeggen en zelf te verhuizen naar [woonplaats1] , om daar te gaan samenwonen met haar nieuwe partner en [de minderjarige3] . Zij voert de zorgregeling uit vanuit [woonplaats1] .

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ter zake van de zorgregeling ongedaan maakt en bepaalt dat:
Primair:
de kinderen bij de moeder zijn elke maandag van 8.30 uur tot dinsdag 17.00 uur en bij de vader elke dinsdag van 17.00 uur tot vrijdag 08.30 uur, waarbij de kinderen het ene weekend vanaf vrijdag 08.30 uur bij de vader zijn en de andere week het weekend vanaf vrijdag 08.30 uur bij de moeder en de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld;
Subsidiair:
de kinderen bij de vader zijn elke maandag van 08.30 uur tot vrijdag 08.30 uur en bij de moeder elke vrijdag van 08.30 uur tot maandag 08.30 uur en de vakanties bij helfte worden gedeeld, en de kinderen en de moeder twee keer per week een videobelcontact met elkaar hebben.
Meer subsidiair (voorwaardelijk):
indien het hof bepaalt dat de door de rechtbank bepaalde zorgregeling grotendeels in stand blijft, verzoekt de moeder de kinderen in haar weekend naar school te brengen (in de plaats van zondagavond), voor de schoolvakanties te bepalen dat de kinderen iedere vakantie bij de moeder zijn, met uitzondering van twee weken in de zomervakantie en voor de feestdagen te bepalen dat deze bij helfte worden verdeeld. En de kinderen en de moeder twee keer per week een videobelcontact met elkaar hebben.
4.2.
De vaderis het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 30 december 2025
  • het verweerschrift
  • de stukken van de vader ingediend op 28 april 2026
  • de stukken van de moeder ingediend op 7 mei 2026
4.4.
[de minderjarige1] heeft op 11 mei 2026 gesproken met een rechter in hoger beroep en een griffier van het hof.
4.5.
De zitting bij het hof was op 12 mei 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • de vader met zijn advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.
Standpunten
5.2.
De moeder vindt de door de rechtbank bepaalde zorgregeling niet in het belang van de kinderen. De rechtbank heeft bij de regeling de reisafstand [woonplaats1] - [woonplaats2] betrokken. De moeder denkt daar anders over. Volgens de moeder is het voor de kinderen niet schadelijk om heen en terug steeds anderhalf uur in de auto te zitten. De kinderen hoeven volgens de moeder ook niet heel veel eerder op te staan om vanuit [woonplaats1] in [woonplaats2] naar school te worden gebracht. Zij staan nu om half zeven op en toen de moeder nog in [woonplaats3] woonde stonden ze om kwart voor zeven op. De moeder kan de kinderen zelf naar school brengen en in de auto hebben zij extra tijd samen. Bij de vader moeten de kinderen op de maandag en de dinsdag naar de BSO of naar de ouders van de vader. De moeder kan de kinderen zelf opvangen. De moeder vindt het niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat zij hun moeder maar eenmaal in de twee weken zien. Zij zijn hierdoor ook maar heel weinig bij hun halfzusje, [de minderjarige3] . Volgens de moeder weegt de lange reistijd niet op tegen het verlies aan contact en is het beter voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] als zij de moeder vaker zien.
5.3.
De vader vindt de reistijd van en naar de moeder belastend voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Hij vindt dat dit ten koste gaat van de rust, de hersteltijd en de regelmaat die de kinderen nodig hebben. De vader begrijpt dat de moeder de kinderen graag meer wil zien en dat de kinderen hier ook behoefte aan hebben. Volgens de vader heeft de moeder deze situatie zelf veroorzaakt door te verhuizen naar [woonplaats1] . De kinderen zijn inmiddels gewend aan de zorgregeling en de vader heeft zijn werkuren hierop afgestemd. De door de rechtbank vastgestelde zorgregeling is volgens de vader praktisch uitvoerbaar en duurzaam. De regeling sluit aan bij de bestaande schoolgang, het sociale leven en het dagelijkse ritme van de kinderen en vereist geen structurele lange reistijden of complexe logistiek. De vader vindt het daarom niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] om de zorgregeling opnieuw te wijzigen. De vader heeft ter zitting aangegeven dat de moeder doordeweeks zondermeer welkom is in [woonplaats2] om daar met de kinderen een aantal uur omgang te kunnen hebben.
5.4.
De raad heeft de ouders tijdens de mondelinge behandeling bij het hof geadviseerd om te werken aan hun onderlinge communicatie. De raad begrijpt dat de moeder de kinderen vaker wil zien, maar vindt het niet in het belang van de kinderen om ze op de maandag heen en weer te laten reizen en dan dinsdag weer heen. De raad vindt de afstand daarvoor te groot. De raad stelt voor dat de weekenden die de kinderen bij de moeder verblijven worden uitgebreid met de maandagmiddag. De moeder kan de kinderen dan op maandagochtend naar school brengen en de kinderen op maandagmiddag van school ophalen. De moeder moet volgens de raad op maandagmiddag wel met de kinderen in de omgeving van [woonplaats2] blijven, zodat de kinderen niet tweemaal op een dag de lange afstand hoeven af te leggen.
Hoe oordeelt het hof?
5.5.
Het hof vindt het niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] om de zorgregeling met de moeder uit te breiden met de maandag en de dinsdag. Dit zou namelijk betekenen dat de moeder de kinderen iedere maandagmorgen en dinsdagmorgen vanuit [woonplaats1] naar de school van de kinderen in [woonplaats2] moet brengen, en ze in de middag weer moet ophalen. De extra tijd die de kinderen dan doorbrengen met de moeder vindt het hof niet opwegen tegen de afstand en met name de reistijd, van anderhalf uur enkele reis, die hiermee gepaard gaat. Hierin neemt het hof ook mee dat [de minderjarige1] verteld heeft dat zij snel wagenziek wordt en hierdoor geen ontbijt kan eten in de auto. Het hof vindt het in het belang van
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat zij hun schooldag rustig op kunnen starten en uitgerust en met genoeg energie aan hun dag kunnen beginnen. De reisafstand die zij moeten overbruggen van de moeder naar school maakt dit voor hen onmogelijk.
5.6.
Het hof begrijpt dat de moeder de kinderen mist. Ook de kinderen geven aan graag meer tijd door te brengen met de moeder. Feit is echter dat de moeder er de voorkeur aan heeft gegeven te verhuizen naar [woonplaats1] in plaats van veel dichter bij de kinderen te gaan wonen. Door deze keuze heeft de moeder een situatie gecreëerd waarbij vaker en/of langer contact met de kinderen veel van de kinderen vraagt, omdat zij dan steeds een grote afstand moeten overbruggen. Om tegemoet te komen aan de wens van de kinderen, om de moeder vaker te zien, zal het hof de zorgregeling aanvullen in die zin dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ook op de dinsdagmiddag na school tot 17.00 uur bij de moeder in de buurt van [woonplaats2] verblijven. De moeder kan op de dinsdagmiddag na school iets met de kinderen ondernemen in de buurt van [woonplaats2] . [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zien de moeder dan een extra middag in de week, zonder dat zij een grote afstand moeten afleggen.
5.7.
Het subsidiaire en meer subsidiaire verzoek van de moeder, onder andere inhoudende dat de kinderen ieder weekend bij de moeder zijn, acht het hof niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Integendeel, het hof vindt het belangrijk voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat zij ook weekenden en vakanties bij de vader kunnen doorbrengen. Het hof betrekt daarbij wederom dat het de eigen keuze van de moeder is geweest waardoor deze situatie is ontstaan. Die keuze hoeft er niet toe te leiden dat de vader moet interen op de weekenden en vakanties. Bij toewijzing van het subsidiaire verzoek van de moeder zullen de kinderen nooit meer in de weekenden en vakanties bij de vader zijn. Dit vindt het hof niet in hun belang.
Het hof zal wel bepalen dat de moeder en de kinderen twee keer per week een videobelcontact met elkaar hebben. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de vader verteld dat dit al een periode is gebeurd. Het hof maakt hieruit op dat de vader geen bezwaar heeft tegen toewijzing van dit deel van het verzoek van de moeder. Nu het hof het ook in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vindt dat zij kunnen videobellen met de moeder, zal het hof dit deel van het verzoek van de moeder toewijzen.
5.8.
Het hof zal de beslissing van de rechtbank bevestigen (bekrachtigen) en aanvullen in die zin dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ook op de dinsdagmiddag vanuit school tot 17.00 uur bij de moeder in de omgeving van [woonplaats2] verblijven en dat zij tweemaal in de week op een door de vader en de kinderen te bepalen moment videobelcontact met de moeder hebben.
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van
21 oktober 2025, waarin is bepaald dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] :
- om de week in het weekend bij de moeder verblijven vanaf vrijdag na school waarbij de moeder de kinderen uit school ophaalt tot zondag waarbij de moeder de kinderen om 19.30 uur terugbrengt naar de vader;
- tijdens de vakanties die één week duren, bij de moeder verblijven;
- tijdens de overige vakanties bij de ouders zijn, bij helfte tussen de ouders te verdelen.
en vult deze regeling als volgt aan:
- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven iedere dinsdag uit school tot 17.00 uur bij de moeder in de omgeving van [woonplaats2] ;
- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben tweemaal in de week videobelcontact met de moeder op een door de vader en de kinderen te bepalen moment;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, D.J.M. van de Voort en
E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is op
9 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.