Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3710

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.360.384/01 en 200.360.386/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding hoger beroep gezag en omgang minderjarige wegens ontbrekende informatie GI

De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland over het gezamenlijk gezag en de omgangsregeling van haar minderjarige kind, geboren in 2015. De vader is erkend als ouder en de minderjarige verblijft sinds een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing bij de stiefvader. De gecertificeerde instelling (GI) heeft een brief gestuurd waarin zij aangeeft dat de minderjarige bij de stiefvader zal blijven wonen, maar heeft onvoldoende informatie verstrekt over het opgroeiperspectief en de gevolgen daarvan voor het gezag en de zorgverdeling.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof vastgesteld dat de GI niet aanwezig was en geen schriftelijke informatie had aangeleverd, waardoor het hof zich geen goed beeld kon vormen van de situatie. De ouders hebben aangegeven open te staan voor hulpverlening om hun communicatie te verbeteren. Het hof acht het daarom niet verantwoord om zonder deze essentiële informatie een beslissing te nemen en wijst de behandeling aan.

Het hof heeft de GI als belanghebbende aangemerkt en verzocht uiterlijk 9 september 2026 schriftelijk te informeren over haar standpunt. De zaak wordt voortgezet na ontvangst van deze informatie. Tevens zal het hof de minderjarige per brief informeren over de aanhouding van de behandeling.

Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep wordt aangehouden wegens ontbrekende informatie van de gecertificeerde instelling over het opgroeiperspectief en de gevolgen voor gezag en zorgregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.360.384/01 en 200.360.386/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 139199)
beschikking van 9 juni 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. E. Schriemer te Zwolle,
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. C. van Tellingen-Okken te Groningen.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende](de stiefvader),
die woont in [woonplaats3] .
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.
Voorheen als informant en vanaf heden als belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling,
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering(de GI),
gevestigd te Groningen.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de (tussen-)beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 28 juli 2022, 28 maart 2025 en 16 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De laatstgenoemde beschikking wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- in zaaknummer 200.360.384/01 (omgang): het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 9 oktober 2025;
- in zaaknummer 200.360.386/01 (gezag): het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 9 oktober 2025;
- in beide zaaknummers: een brief namens de moeder van 6 november 2025 met bijlage(n);
- in beide zaaknummers: het verweerschrift met bijlage(n);
- in zaaknummer 200.360.384/01: een journaalbericht namens de moeder van 11 mei 2026 met bijlage(n);
- in beide zaaknummers: een journaalbericht namens de moeder van 12 mei 2026 met bijlage(n);
- in beide zaaknummers: een e-mailbericht van de GI van 13 mei 2026, waarin zij zich afmeldt voor de zitting.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de moeder gemeld dat de stukken die zijn ingediend bij journaalbericht van 11 mei 2026 betrekking hebben op zaaknummer 200.360.386/01 (gezag).
2.2
Op 11 mei 2026 is de hierna nader te noemen [de minderjarige] verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen door het hof is gehoord.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 13 mei 2026 plaatsgevonden. De beide zaaknummers zijn gelijktijdig behandeld. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad.
De advocaat van de moeder heeft mede het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.
2.4
Na de mondelinge behandeling is op 19 mei 2026 ingekomen een brief van de stiefvader. Nu de mondelinge behandeling is gesloten en het hof partijen geen toestemming heeft gegeven nog brieven na te zenden slaat het hof geen acht op deze brief.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] (roepnaam: [de minderjarige] ), die is geboren [in] 2015.
3.2
De vader heeft [de minderjarige] erkend. Tot aan de bestreden beschikking oefende de moeder alleen het gezag uit over [de minderjarige] .
3.3
De moeder heeft uit een (eerdere) relatie met de stiefvader twee meerderjarige kinderen, [kind1] (1999) en [kind2] (2002), die bij de stiefvader wonen.
3.4
Bij beschikking van 2 juli 2025 heeft de kinderrechter [de minderjarige] met ingang van 2 juli 2025 tot 2 juli 2026 onder toezicht gesteld van de GI. Daarbij heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (bij de stiefvader) tot 2 januari 2026. Op de zitting bij het hof heeft de raad verteld dat de kinderrechter op 30 december 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing heeft verlengd voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, waardoor de machtiging loopt tot 2 juli 2026.
3.5
Bij de -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- bestreden beschikking is bepaald dat de vader voortaan gezamenlijk met de moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . Daarnaast is een regeling vastgesteld op grond waarvan [de minderjarige] elke drie weken een weekend van vrijdag 18.00 uur tot zondag 16.00 uur bij de vader verblijft, alsmede twee weken gedurende de zomervakantie en een week in de kerstvakantie.
3.6
De GI heeft [de minderjarige] op 7 november 2025 een brief gestuurd met de mededeling dat zij bij de stiefvader ( [naam1] ) zal blijven wonen.
3.7
Op 14 april 2026 om 15:39 uur heeft de GI de ouders per e-mail laten weten dat na intern overleg besloten is dat geen verlenging van de OTS zal worden verzocht. Daarbij heeft de GI aangegeven dat de problemen op dit moment vooral gelegen zijn in de communicatie tussen de ouders, maar dat dat geen grond is voor het verlengen van de OTS. Vrijwel direct daarna, op 14 april 2026 om 16:07 uur heeft de GI de ouders per e-mail laten weten dat zij de voorgaande e-mail als niet verzonden kunnen beschouwen. Daaraan is toegevoegd dat extra informatie naar voren is gekomen en dat het namelijk zo is dat ouders dan dienen te
accepteren dat [de minderjarige] bij de stiefvader blijft wonen omdat anders het afschalen naar
vrijwillig kader wel ingewikkeld wordt. Mochten ouders akkoord geven voor het feit dat [de minderjarige] bij de stiefvader woont dan kan er wel gekeken worden naar niet verlengen OTS, aldus de GI in dit bericht.

4.De omvang van het geschil

zaaknummer 200.360.386/01 (gezag)
4.1
De moeder komt met één grief in hoger beroep van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen -naar het hof begrijpt- voor zover het de beslissing over het gezag betreft en het verzoek van de vader alsnog af te wijzen.
zaaknummer 200.360.384/01 (omgang)
4.2
De moeder komt met twee grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen -naar het hof begrijpt- voor zover het de zorgregeling / omgangsregeling betreft, de verzoeken van de vader alsnog af te wijzen en een regeling vast te stellen op de volgende wijze:
-
totdat een goede hechtingsrelatie is ontstaantussen de vader en [de minderjarige] : twee keer per week een
begeleide omganggedurende één tot twee uur per week in een neutrale omgeving;
- daarna twee keer per week een dagdeel begeleide omgang bij de vader thuis gedurende zes maanden;
- daarna in het oneven weekend één overnachting van de ene dag 13.00 uur tot de volgende dag 13.00 uur en iedere week een dagdeel gedurende zes maanden;
- daarna in het oneven weekend van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur en doordeweeks een dagdeel;
- met betrekking tot de vakanties: vanaf de zomervakantie 2026 verblijft [de minderjarige] drie keer per jaar in de vakanties een lang weekend van drie nachten bij de vader. Vanaf de zomervakantie 2027 verblijft [de minderjarige] in de zomervakantie één week bij de vader. De overige vakanties worden bij helfte verdeeld, waarbij de vakantieverdeling gelijk loopt met de
vakantieverdeling van de broer van [de minderjarige] . Eventueel kan een lang weekend bij de vader plaatsvinden gedurende de feestdagen.
4.3
De vader voert verweer en verzoekt het hof het beroep van de moeder af te wijzen.
4.4
De GI heeft bij e-mailbericht van 13 mei 2026 aan het hof laten weten dat zij zich kan vinden in de beslissing van de rechtbank.

5.De motivering van de beslissing

in beide zaaknummers
5.1
Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen geven over het gezag en de zorgregeling. Daarom zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
5.2
De GI heeft [de minderjarige] op 7 november 2025 een brief geschreven, met als onderwerp ‘perspectiefbesluit’. In deze brief legt de GI aan [de minderjarige] uit dat ze bij de stiefvader ( [naam1] ) zal blijven wonen. Hoewel het er dus op lijkt dat de GI een standpunt ten aanzien van het opgroeiperspectief heeft ingenomen, is op de zitting bij het hof naar voren gekomen dat noch de raad, noch de ouders informatie van de GI hebben gekregen over de consequenties hiervan en de eventueel te nemen vervolgstappen. Het opgroeiperspectief kan echter van invloed zijn op de wijze waarop het gezag over [de minderjarige] en de verdeling van de zorg dan wel de omgangsregeling moeten worden vormgegeven.
5.3
De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing lopen -voor zover het hof thans bekend is- tot 2 juli 2026. Op dit moment is er kennelijk al enige tijd geen (vaste) jeugdbeschermer namens de GI betrokken bij [de minderjarige] . De ouders weten hierdoor niet goed waar zij aan toe zijn. Dit geldt zowel voor de zorgregeling -waarvan het laatste schema van de GI zoals dat in het dossier van het hof zit loopt tot en met december 2025-, als voor de gewenste ondersteuning bij de invulling van het (gezamenlijk) gezag over [de minderjarige] .
5.4
Omdat de GI op het allerlaatste moment heeft laten weten niet op de zitting aanwezig te zullen zijn en het hof niet eerder schriftelijk van informatie is voorzien door de GI, heeft het hof zich geen goed beeld kunnen vormen van het verloop van de beschermingsmaatregelen, het eventuele opgroeiperspectief en het vervolg dat de GI hierbij voor ogen staat. Ook de raad heeft aangegeven dat het hem op deze wijze niet goed mogelijk is het hof te adviseren. Vanwege de nauwe samenhang met de voorliggende geschillen over gezag en omgang vindt het hof het niet verantwoord om zonder deze informatie van de GI een beslissing te nemen. Het hof heeft, mede vanwege de inhoud van de eerder genoemde e-mails van 14 april 2026 van de GI aan ouders, de indruk gekregen dat de GI niet de regierol heeft genomen die in deze zaak gezien de persoon en de positie van de ouders zo dringend gewenst is. Het hof zal de behandeling van de zaak daarom aanhouden, de GI vanaf heden als belanghebbende aanmerken en opdracht geven het hof te informeren over het door de GI gewenste vervolg. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling beiden aangegeven zorgen te hebben over de huidige woonsituatie van [de minderjarige] en mogelijk middelengebruik in het huis van de stiefvader. Het hof wil ook hierover graag informatie van de GI ontvangen.
5.5
Met de ouders is besproken dat hun onderlinge communicatie niet altijd goed verloopt. Uit wat zij vertellen maakt het hof op dat de ouders de betrokkenheid van de GI hierbij missen. Het hof merkt op dat het bieden van hulpverlening ter verbetering van de samenwerking tussen de vader en de moeder één van de doelen van de ondertoezichtstelling is. De ouders hebben bevestigd dat zij openstaan voor hulpverlening om hun onderlinge communicatie en samenwerking te verbeteren. Zij hebben toegezegd dat zij hiertoe -zo nodig door tussenkomst van hun advocaten- contact op zullen nemen met de bureaudienst van de GI. Het hof heeft gezien dat de ouders erg betrokken zijn bij [de minderjarige] en het hof gunt het hen dat zij hun onderlinge communicatie verbeteren, zodat zij hun ouderschap kunnen versterken.
5.6
Tijdens het gesprek met [de minderjarige] is naar voren gekomen dat zij graag per brief op de hoogte wil worden gesteld van de uitkomst van het hoger beroep. Het hof zal [de minderjarige] daarom een brief sturen waarin wordt uitgelegd waarom de behandeling van de zaak wordt aangehouden.

6.De beslissing

Het hof, alvorens verder te beslissen:
in beide zaaknummers
verzoekt de GI het hof uiterlijk 9 september 2026 schriftelijk te informeren over haar standpunt met betrekking tot:
- de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] en het eventuele vervolg daarvan;
- de (veiligheid in de) woonsituatie van [de minderjarige] ;
- het opgroeiperspectief en de te nemen vervolgstappen;
- de consequenties van het voorgaande voor het gezag en de toepasselijke of gewenste zorgregeling;
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een na ontvangst van de informatie van de GI te bepalen datum, waarvoor partijen, belanghebbenden, de raad en de GI zullen worden opgeroepen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, K.H.P. Selcraig en I.A. Vermeulen, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 9 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.