ECLI:NL:GHARL:2026:372

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
200.362.003/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a lid 5 FwArt. 1:441 BWArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot oplegging dwangakkoord in schuldsaneringsprocedure

De schuldenaar, onder beschermingsbewind geplaatst en met een schuldenlast van bijna €30.000, verzocht de rechtbank om Woningfonds te bevelen in te stemmen met een schuldenregeling. De rechtbank wees dit verzoek af omdat Woningfonds al akkoord was met een minnelijke regeling. De schuldenaar ging in hoger beroep en vroeg tevens om te bepalen dat Woningfonds geen gebruik mocht maken van de ontruimingstitel.

Het hof oordeelde dat het indienen van een verzoek tot dwangakkoord niet tot de taak van de beschermingsbewindvoerder behoort, maar dat de schuldenaar zelf ontvankelijk is in het hoger beroep. De vermeerdering van eis werd ingetrokken vanwege afspraken in een executiekortgeding tussen partijen.

Het hof benadrukte dat de dwangakkoordprocedure alleen ziet op de weigering van een financieel schuldakkoord en niet op geschillen over ontruiming, waarvoor andere procedures bestaan. Omdat Woningfonds akkoord was met de schuldregeling en er afspraken waren gemaakt over ontruiming, had de schuldenaar geen belang meer bij het verzoek. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek af.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot oplegging van het dwangakkoord af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer 200.362.003/01
(zaaknummer rechtbank [zaaknummer] )
arrest van 22 januari 2026
inzake
[schuldenaar]
die woont in [woonplaats]
verzoeker
hierna te noemen:
[schuldenaar]
advocaat: mr. S. van Beers, die kantoor houdt in Zeist
en
Stichting NL Woningfonds 1
die statutair is gevestigd in Amsterdam en kantoor houdt in Maarsbergen
verweerster
hierna te noemen:
Woningfonds
advocaat: mr. L.F.P. Coehorst, die kantoor houdt in Utrecht

1.Het verloop van de procedure bij de rechtbank

In een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 19 november 2025 is het verzoek van [schuldenaar] om Woningfonds te bevelen in te stemmen met de schuldenregeling afgewezen.

2.Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1
In een beroepschrift, ontvangen door de griffie van het hof op 26 november 2025, heeft [schuldenaar] verzocht dit vonnis te vernietigen en alsnog het verzoek tot het opleggen van de dwangregeling toe te wijzen en tevens te bepalen dat Woningfonds geen gebruik mag maken van de ontruimingstitel.
2.2
Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder het verweerschrift met bijlagen ingediend door mr. Coehorst. Op 12 januari 2026 zijn van mr. Beers nog ontvangen twee V6-formulieren met bijlagen. Mr. Coehorst heeft daar op dezelfde dag nog een schriftelijke reactie op gegeven.
2.3
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026, waarbij [schuldenaar] is verschenen, bijgestaan door mr. Van Beers. Namens de beschermingsbewindvoerder was aanwezig mevrouw [naam1] . Namens Woningfonds is verschenen mevrouw [naam2] , bijgestaan door mr. Coehorst.

3.De relevante feiten

3.1
De ten behoeve van het dwangakkoord geïnventariseerde schuldenlast van [schuldenaar] bedraagt € 29.910,49. Met behulp van Kredietbank Nederland is een saneringskrediet aangeboden, waarbij preferente schuldeisers 73,38% en de concurrente schuldeisers 36,69% van hun vordering ontvangen.
3.2
[schuldenaar] is [leeftijd] jaar. Sinds februari 2024 is [schuldenaar] onder beschermingsbewind geplaatst. Het inkomen van [schuldenaar] bestaat uit een WIA-uitkering, waarbij [schuldenaar] voor 80-100% arbeidsongeschikt is verklaard. De schulden zijn ontstaan door een inkomensterugval door verlies van werk.
3.3
Op 4 februari 2025 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, de ontbinding van de tussen [schuldenaar] en Woningfonds bestaande huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde uitgesproken.
3.4
In verband met een door [schuldenaar] bij deze rechtbank ingediend moratoriumverzoek, is de tenuitvoerlegging van dit vonnis voor de duur van zes maanden geschorst.
3.5
Na verloop van deze termijn heeft de beschermingsbewindvoerder namens [schuldenaar] een executiekortgeding aanhangig gemaakt bij diezelfde rechtbank. De mondelinge behandeling daarvan heeft op 22 december 2025 plaatsgevonden, waarbij de [schuldenaar] , zijn bewindvoerder en zijn advocaat aanwezig waren. Tijdens deze zitting zijn afspraken gemaakt over de ontruiming, die zijn vastgelegd in een proces-verbaal.

4.Het oordeel van het hof

[schuldenaar] is ontvankelijk
4.1
Woningfonds is van mening dat de beschermingsbewindvoerder deze procedure had moeten instellen en dat [schuldenaar] om die reden niet-ontvankelijk is. Het hof volgt Woningfonds daarin niet.
4.2
De Hoge Raad heeft over de rol en de positie van de beschermingsbewindvoerder in zaken betreffende een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling overwogen dat het indienen van een dergelijk verzoek niet kan worden beschouwd als een daad van beheer over de onder bewind staande goederen en dus niet behoort tot de in art. 1:441 BW Pro bedoelde taak van de beschermingsbewindvoerder. Evenmin kan worden aangenomen dat de schuldenaar slechts samen met de beschermingsbewindvoerder bevoegd is om een dergelijk verzoek in te dienen
. [1]
4.3
Naar het oordeel van het hof hebben de overwegingen van de Hoge Raad evenzeer te gelden voor het indienen van een verzoek om een dwangakkoord vast te stellen dat in het kader van het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling kan worden gedaan. [2] Uit het feit dat de beschermingsbewindvoerder aanwezig was tijdens de mondelinge behandeling, blijkt dat zij bekend is met het hoger beroep. Ook heeft de beschermingsbewindvoerder gebruik gemaakt van de gelegenheid om haar visie over dit hoger beroep te geven.
4.4
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [schuldenaar] ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
de vermeerdering van eis
4.5
In het beroepschrift heeft [schuldenaar] zijn eis vermeerderd en het hof verzocht om te bepalen dat Woningfonds geen gebruik mag maken van de ontruimingstitel. Woningfonds heeft tegen deze vermeerdering van eis bezwaar gemaakt. Op de mondelinge behandeling heeft mr. Van Beers namens [schuldenaar] de vermeerdering van eis ingetrokken, gelet op de afspraken die in het executiegeschil tussen partijen zijn gemaakt. Het hof zal daarom beslissen op het oorspronkelijke verzoek om Woningfonds te bevelen in te stemmen met de schuldregeling.
het verzoek tot oplegging dwangakkoord: het wettelijk kader
4.6
Op grond van artikel 287a lid 5 Fw dient het verzoek tot vaststelling van een gedwongen schuldenregeling te worden toegewezen indien de schuldeiser die weigert daarmee in te stemmen, in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldenregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.
het oordeel van de rechtbank
4.7
De rechtbank heeft het verzoek van [schuldenaar] om Woningfonds te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling afgewezen, omdat uit de stukken is gebleken dat Woningfonds akkoord is gegaan met de minnelijke schuldregeling. [schuldenaar] heeft om die reden geen belang bij het opleggen van een gedwongen schuldenregeling.
de verdere beoordeling
4.8
In grief 1 komt [schuldenaar] op tegen dit oordeel van de rechtbank. Volgens [schuldenaar] heeft Woningfonds niet onvoorwaardelijk ingestemd met de schuldenregeling, omdat zij zich op basis van het vonnis van 4 februari 2025 het recht op ontruiming heeft voorbehouden. Grief 2 richt zich tegen het oordeel dat de dwangakkoordprocedure ex artikel 287a Fw geen ruimte biedt voor beantwoording van de vraag of Woningfonds na het minnelijk traject nog tot ontruiming gerechtigd is.
4.9
De procedure tot oplegging van een dwangakkoord is bedoeld om één of meer schuldeisers die weigeren vrijwillig in te stemmen met een schuldakkoord via de rechter tot instemming te dwingen. Het dwangakkoord ziet alleen op de weigering van een (financieel) schuldakkoord. Geschillen over de ontruiming van een woning vallen niet onder het bereik van deze dwangakkoordprocedure. Daarvoor bestaan andere regelingen, waaronder de moratoriumregeling (artikel 287b Fw) en het executiekortgeding. [schuldenaar] heeft van die regelingen ook gebruik gemaakt en het tussen de beschermingsbewindvoerder en Woningfonds gevoerde executiekortgeding heeft geleid tot een vaststellingsovereenkomst zoals opgenomen in het proces-verbaal van 22 december 2025. Daarin staat – voor zover relevant – het volgende:
Partijen komen overeen dat Woningfonds de tenuitvoerlegging van het vonnis van 4 februari 2025 zal opschorten totdat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van 19 november 2025 uitspraak zal hebben gedaan.
Indien het gerechtshof Woningfonds in het gelijk stelt zal de bewindvoerder c.q. [schuldenaar] nog een termijn van één maand voor ontruiming krijgen vanaf de datum van het arrest van het gerechtshof voordat Woningfonds het vonnis van 4 februari 2025 ten uitvoer zal leggen.
Indien het gerechtshof de bewindvoerder in het gelijk zal stellen zal Woningfonds niet eerder dan na afloop van de minnelijke schuldregeling van 18 maande […], dat is op 5 februari 2027, het vonnis van 4 februari 2025 ten uitvoer leggen.
4.1
Nu Woningfonds akkoord is met de aangeboden schuldregeling en uit deze vaststellingsovereenkomst volgt dat (de beschermingsbewindvoerder namens) [schuldenaar] in een executiekortgeding akkoord is gegaan met ontruiming van het gehuurde, heeft [schuldenaar] geen belang meer bij de behandeling van grief 1 en 2.
4.11
[schuldenaar] heeft in grief 3 tot en met 5 aangevoerd dat de belangenafweging vanwege zijn persoonlijke omstandigheden ertoe zou moeten leiden dat hij alsnog in de woning kan blijven wonen. Het hof overweegt dat pas aan een belangenafweging in het kader van artikel 287a Fw wordt toegekomen nadat is vastgesteld dat sprake is van een weigerachtige schuldeiser. Zoals hiervoor is overwogen, is daarvan in dit geval geen sprake. Het hof komt dus niet toe aan een belangenafweging.
Proceskostenveroordeling
4.12
Woningfonds heeft verzocht om een (verhoogde) proceskostenveroordeling. Het hof ziet gelet op de aard van de procedure geen reden om een proceskostenveroordeling uit te spreken.
De slotsom
4.13
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

5.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 19 november 2025.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.A. Wind, M. Willemse en C.P. Lunter en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad op 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010.
2.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 19 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:470 en Hof ’s-Hertogenbosch 30 november 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:4015.