Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3738

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
21-003856-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreigingen, vernielingen, mishandeling en drugsbezit met taakstraf en contactverbod

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor meerdere strafbare feiten waaronder bedreigingen, vernielingen, mishandeling, belediging van een politieagent, wederspannigheid en het aanwezig hebben van amfetamine. Hij stelde hoger beroep in tegen het vonnis en de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf.

Het hof vernietigde het vonnis en deed opnieuw recht. Het verklaarde verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen een vrijspraak. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan de genoemde feiten, met uitzondering van enkele mishandelingshandelingen waarvoor hij werd vrijgesproken.

De straf werd vastgesteld op 270 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Het contact- en locatieverbod werd opgelegd voor drie jaar met dadelijke uitvoerbaarheid. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd deels toegewezen voor materiële en immateriële schade. De tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf werd omgezet in een taakstraf van 50 uur, met subsidiaire hechtenis.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 270 dagen gevangenisstraf, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een contact- en locatieverbod en een taakstraf ter vervanging van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003856-24
Uitspraakdatum: 9 juni 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 6 september 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-098082-24 en 18-207612-23, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-088011-19, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 26 mei 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van de hem tenlastegelegde bedreigingen, vernielingen, mishandelingen, wederspannigheid, belediging en aanwezig hebben van drugs tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarde toezicht door Reclassering Nederland. Daarnaast vordert de advocaat-generaal oplegging van de maatregel als omschreven in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), inhoudende een contact- en locatieverbod voor de duur van 3 jaren, geldend vanaf 6 september 2024 en dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal toewijzing gevorderd van de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder het parketnummer 18-088011-19, met dien verstande dat – in plaats van de resterende gevangenisstraf van 25 dagen – zal worden opgelegd een taakstraf van 50 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 dagen hechtenis.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.B. Pieters, en de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en haar advocaat, mr. K. Valkeneers, hebben aangevoerd.

Omvang van het hoger beroep

Verdachte is door politierechter in de rechtbank Noord-Nederland vrijgesproken van wat aan hem in de zaak met parketnummer 18-098082-24 onder 2 is ten laste gelegd. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak.

Het vonnis

De politierechter heeft verdachte ter zake van bedreigingen, vernielingen, mishandeling, wederspannigheid, belediging van een ambtenaar in functie en aanwezig hebben van amfetamine veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De politierechter heeft daaraan de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, klinische opname, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een drugsverbod gekoppeld. Daarnaast heeft de politierechter een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr opgelegd, inhoudende een contactverbod met [benadeelde partij 1] en een locatieverbod voor enkele straten in [plaats] . De politierechter heeft deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard. Ook heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] deels toegewezen tot een bedrag van € 25,00 en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk verklaard. De politierechter heeft de vordering tenuitvoerlegging toegewezen, inhoudende een gevangenisstraf voor de duur van 25 dagen.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op en beslist anders ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] . Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging – voor zover in hoger beroep aan de orde – ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 18-098082-24:
1.
hij op verschillende momenten in de periode van 3 december 2023 tot en met 19 maart 2024 te [plaats] [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- op 3 december 2023 bij de woning van die [benadeelde partij 1] te schreeuwen (waaronder de woorden "Jij bent een kankerhoer, teringwijf, ik maak jou dood en sla de ramen eruit" of woorden van gelijke strekking) en/of tegen (de ruit van) de deur te slaan en/of tegen de deur te schoppen (3 december 2023)
- op 13 december 2023 en/of op 13 januari 2023 bij die [benadeelde partij 1] voor de deur te staan met een koevoet
- op 13 december 2023 en/of op 13 januari 2024 berichten naar die [benadeelde partij 1] te sturen waarin verdachte dreigt die [benadeelde partij 1] en/of de partner van die [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , iets aan te doen. Waaronder de tekst "Mij buiten sluiten voor [benadeelde partij 2] mij de gek aan steken voor [benadeelde partij 2] bla bla bla bla bla verhaaltjes jij wil hem niet weg sturen hij mag jou regels overtreden toch dan moet ik m wel dood maken" en/of "Eerst mijn ex toen mien pap ik heb niemand om mee te praten door KANKER [benadeelde partij 2] IK MAAK M DOOD vroeger kon ik nig wel bij jou terecht maar jij hebt voor die kanker junk gekozen ik moet m wel dood maken moet" en/of "Geef mij straat venod contact verbod kanker schijt vriend ik kom terug" en/of "Hoe meer jij hem gaat beschermen hoe meer ik genijgt ben hem te vermoorden laten te verdwijnen liefst steek m levend in de brand terwijl jij toe kijkt jij hebt nooit van mij gehouden" en/of "jij verdwijnt net zo als Natalie holleway diep in de zee"
- op 19 maart 2024 brand te stichten in de tuin van [benadeelde partij 1] en/of (daarbij) verbaal te dreigen de woning in de brand te steken en/of de personen in de woning op te branden;
3.
hij op verschillende momenten in de periode van 4 december 2023 tot en met 18 maart 2024 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk
- een fiets (op 4 december 2023) en/of
- een auto(ruit) (op 18 maart 2024), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan respectievelijk [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;
4.
hij op of omstreeks 13 december 2023 te [plaats] [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 2] te stompen en/of te slaan en/of te duwen en/of te slaan (tegen de arm van die [benadeelde partij 2] ) met een breekijzer.
Zaak met parketnummer 18-207612-23:
1.
hij op of omstreeks 7 juni 2023 te [plaats] , zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambtena(a)r(en), [naam] (hoofdagent bij de Eenheid [locatie] ) en/of [naam] (aspirant bij de eenheid [locatie] ) en/of [brigadier] (brigadier bij de Eenheid [locatie] ) werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten ter aanhouding van de verdachte door zijn, verdachtes, spieren aan te spannen en/of door zich proberen los te trekken en/of door te zeggen: 'ík maak je kapot, ik ga je een kopstoot geven', althans woorden van gelijke aard of strekking;
2.
hij op of omstreeks 7 juni 2023 te [plaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam] (hoofdagent bij de Eenheid [locatie] ), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem meermalen de woorden toe te voegen: 'kankerleier', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
3.
hij op of omstreeks 7 juni 2023 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,34 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Parketnummer 18-098082-24
Ten aanzien van de onder 4 tenlastegelegde mishandeling acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door hem te duwen. Evenals de politierechter, de advocaat-generaal en de verdediging acht het hof onvoldoende bewijs aanwezig met betrekking tot de andere tenlastegelegde handelingen (stompen, slaan en slaan met een breekijzer). Het hof spreekt verdachte daarom vrij ten aanzien van deze handelingen.
Parketnummer 18-207612-23
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Het politieoptreden was rechtmatig.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende grond bestond om verdachte aan te houden op verdenking van heling. Aangezien de aanhouding ten onrechte plaatsvond, kon ook geen sprake zijn van wederspannigheid en strafbare belediging. Ook de doorzoeking van de spullen van verdachte was daarmee onrechtmatig.
Oordeel van het hof
Uit het dossier volgt dat de agenten tijdens hun dienst op 7 juni 2023 een persoon op een scooter zagen rijden zonder helm. Ze herkenden hem eerst niet. Toen verbalisanten [naam] en [naam] de man aanspraken, herkenden zij verdachte, vanwege foto’s die op een briefing waren getoond. De briefing hield in dat verdachte op een scooter zou rijden die mogelijk van diefstal afkomstig was. Toen verdachte werd aangesproken op het feit dat hij geen helm droeg tijdens het rijden op zijn scooter, zagen de verbalisanten dat de kentekenplaat met ijzerdraad aan de scooter was bevestigd. Verdachte verklaarde zelf dat hij de scooter van iemand had gekocht en dat de kentekenplaat op naam van zijn vader stond en bij een andere scooter hoorde.
Nadat verdachte verklaarde de scooter van iemand te hebben gekocht en dat hij geen papieren van de scooter bij zich had, vertelde verbalisant [naam] dat de scooter meegenomen zou worden naar het politiebureau voor onderzoek. Toen werd verdachte boos. Daarop vonden de tenlastegelegde belediging en wederspannigheid plaats en vond verbalisant [naam] , op zoek naar een identiteitsbewijs van verdachte, in de openstaande bagagebak van de scooter, een hoeveelheid amfetamine. Het hof acht het politieoptreden en de aanhouding van verdachte, gezien het voorgaande, rechtmatig: Er was aanleiding verdachte aan te spreken omdat hij geen helm droeg en vervolgens konden er bij de herkomst van de scooter vanwege de provisorisch bevestigde kentekenplaat, de afwezigheid van papieren en de vage mededeling van verdachte daaromtrent, de nodige vraagtekens worden geplaatst.
Verdachte heeft hetgeen daarna is gebeurd (belediging, wederspannigheid en het voorhanden hebben van speed) inhoudelijk allemaal bekend.
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde wederspannigheid, belediging en het bezit van amfetamine.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-098082-24 onder 1, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 18-207612-23 onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 18-098082-24:
1.
hij op verschillende momenten in de periode van 3 december 2023 tot en met 19 maart 2024 te [plaats] [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door - op 3 december 2023 bij de woning van die [benadeelde partij 1] te schreeuwen (waaronder de woorden "Jij bent een kankerhoer, teringwijf, ik maak jou dood en sla de ramen eruit" of woorden van gelijke strekking) en tegen (de ruit van) de deur te slaan en tegen de deur te schoppen (3 december 2023)
- op 13 december 2023 en op 13 januari 2023 bij die [benadeelde partij 1] voor de deur te staan met een koevoet
- op 13 december 2023 en op 13 januari 2024 berichten naar die [benadeelde partij 1] te sturen waarin verdachte dreigt die [benadeelde partij 1] en de partner van die [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , iets aan te doen. Waaronder de tekst "Eerst mijn ex toen mien pap ik heb niemand om mee te praten door KANKER [benadeelde partij 2] IK MAAK M DOOD vroeger kon ik nig wel bij jou terecht maar jij hebt voor die kanker junk gekozen ik moet m wel dood maken moet" en "Hoe meer jij hem gaat beschermen hoe meer ik genijgt ben hem te vermoorden laten te verdwijnen liefst steek m levend in de brand terwijl jij toe kijkt jij hebt nooit van mij gehouden" en"jij verdwijnt net zo als Natalie holleway diep in de zee"
- op 19 maart 2024 brand te stichten in de tuin van [benadeelde partij 1] en (daarbij) verbaal te dreigen de woning in de brand te steken en de personen in de woning op te branden;
3.
hij op verschillende momenten in de periode van 4 december 2023 tot en met 18 maart 2024 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk
- een fiets (op 4 december 2023) en
- een auto(ruit) (op 18 maart 2024), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan respectievelijk [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] , heeft vernield;
4.
hij op 13 december 2023 te [plaats] [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 2] te duwen.
Zaak met parketnummer 18-207612-23:
1.
hij op 7 juni 2023 te [plaats] , zich met geweld en bedreiging met geweld, heeft verzet tegen ambtenaren [naam] (hoofdagent bij de Eenheid [locatie] ) en [naam] (aspirant bij de eenheid [locatie] ) en [brigadier] (brigadier bij de Eenheid [locatie] ) werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van de verdachte door zijn, verdachtes, spieren aan te spannen en door zich proberen los te trekken en door te zeggen: 'ik maak je kapot, ik ga je een kopstoot geven', althans woorden van gelijke aard of strekking;
2.
hij op 7 juni 2023 te [plaats] een ambtenaar, te weten [naam] (hoofdagent bij de Eenheid [locatie] ), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem meermalen de woorden toe te voegen: 'kankerleier', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
3.
hij op 7 juni 2023 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,34 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 18-098082-24 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het in de zaak met parketnummer 18-098082-24 onder 3 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, beschadigen of onbruikbaar maken.
Het in de zaak met parketnummer 18-098082-24 onder 4 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Het in de zaak met parketnummer 18-207612-23 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

wederspannigheid.

Het in de zaak met parketnummer 18-207612-23 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Het in de zaak met parketnummer 18-207612-23 onder 3 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreigingen, vernielingen, mishandeling, belediging van een politieagent, wederspannigheid en het aanwezig hebben van amfetamine. Voornoemde feiten zijn ernstig. De bedreigingen, vernielingen en mishandeling vonden plaats in en om het huis van de ex-partner van verdachte. Met zijn handelen heeft verdachte een forse inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar toenmalige partner. Aangeefster heeft ter zitting bij de politierechter en in hoger beroep verklaard dat de impact van wat er is gebeurd groot was en nog steeds is.
Door bij zijn aanhouding te handelen zoals hij deed, heeft verdachte geen respect getoond voor het gezag van de politie.
Uit het strafblad van verdachte van 24 april 2026 volgt dat hij meermaals eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen, onder andere voor soortgelijke feiten als onderhavige, namelijk bedreigingen, vernielingen en mishandelingen. Het hof weegt dit ten nadele van verdachte mee.
Het hof houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die uit het dossier en ter zitting naar voren zijn gekomen. De persoonlijke begeleider van verdachte, [naam] , werkzaam bij de organisatie [organisatie] , is ter zitting in hoger beroep als deskundige gehoord. Zij heeft aangegeven dat verdachte nu enkele maanden cliënt is bij [organisatie] . [naam] heeft onder meer aangegeven dat het in het begin moeilijk was om het vertrouwen van verdachte te winnen. Sinds enige tijd lijkt dat goed te zijn gelukt. Inmiddels heeft verdachte een mentor, staat hij onder bewind en is zijn verzekering geregeld. Verdachte heeft inmiddels een plek voor zichzelf, hij praat over wat hem dwars zit en belt zelf als hij ergens mee zit. Verdachte staat open voor behandelingen, iets dat eerst absoluut niet aan de orde was. De woning waar verdachte nu verblijft betreft een chalet. Er is sprake van 24-uurszorg, niet in die zin dat er altijd iemand bij verdachte is, maar wel dat er binnen een kwartier iemand bij hem kan zijn als dat nodig is. De zorg van verdachte is geregeld op basis van PGB (persoonsgebonden budget). De huur van het chalet wordt door [organisatie] betaald en wordt verder door de bewindvoerder geregeld. Mochten er problemen ontstaan, dan gaat men daarover met verdachte in gesprek. Bij een beperking zoals die van verdachte hoort het erbij dat het af en toe misgaat. Het is van belang om dan samen te kijken hoe dat opgelost wordt en wat verdachte dan wil, aldus [naam] . De zorg is op vrijwillige basis. De mentor van verdachte is daarin samen met hem bepalend.
Verdachte heeft zelf ter zitting in hoger beroep aangegeven dat hij geen andere begeleiding zou willen. Door zijn huidige begeleiding ziet hij het leven weer zitten.
Gelet op het voorgaande acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren passend en noodzakelijk. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding om aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht toe te voegen. Gezien voornoemde toelichting van de persoonlijk begeleider van verdachte en van verdachte zelf, is op dit moment sprake van intensieve begeleiding waar verdachte zich naar vermogen aan de afspraken houdt. Het hof gaat ervan uit dat verdachte dit blijft doen en dat het ingezette traject wordt voortgezet.
Maatregel artikel 38v Sr
Ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten legt het hof een maatregel op strekkende tot beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v Sr, in de vorm van een contactverbod met aangeefster [benadeelde partij 1] en een locatieverbod met betrekking tot de [straat] , [straat] , [straat] en [straat] te [plaats] , beide voor de duur van 3 jaren. Daarbij geldt dat iedere keer dat verdachte het contact- en locatieverbod overtreedt, vervangende hechtenis voor de duur van 2 weken ten uitvoer wordt gelegd, waarbij de totale duur van te ten uitvoer gelegde hechtenis ten hoogste 6 maanden bedraagt.
Het hof acht de voortzetting van de dadelijke uitvoerbaarheid noodzakelijk en beveelt daarom de dadelijke uitvoerbaarheid van voornoemde maatregel, omdat er – gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de persoon van verdachte – ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt, of zich belastend gedraagt in de richting van aangeefster [benadeelde partij 1] , met aftrek van de tijd dat de genoemde maatregel reeds van kracht is geweest.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6.425,00 ingediend. De politierechter heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 25,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de politierechter gevorderde schadevergoeding.
De vordering bestaat uit een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade en € 1.425,00 aan materiële schade.
Op de zitting in hoger beroep en uit het dossier is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 18-098082-24 onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de gevolgen van het vernielen van een autoruit en het terrarium en de overleden slangen ten gevolge van de vernieling van het terrarium. Het hof acht onvoldoende aannemelijk geworden dat rechtstreeks verband bestaat tussen de mishandeling door middel van een duw van de toenmalige partner van de benadeelde partij en de vernieling van het terrarium en de gevolgen daarvan voor de slangen van de benadeelde partij. Evenals de politierechter wijst het hof de vordering ten aanzien van het materiële deel daarom toe tot een bedrag van € 25,00 ter zake van de vernielde autoruit, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor het overige kan de benadeelde partij nu niet in haar vordering worden ontvangen. Zij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
De gevorderde immateriële schade was voor een deel gebaseerd op de belaging die in hoger beroep niet meer aan de orde is vanwege de vrijspraak in eerste aanleg. De advocaat van de benadeelde partij heeft aangegeven dat deze vordering daarom gematigd kan worden.
De aard en ernst van het geheel aan bewezenverklaarde handelen van verdachte, waarvan de benadeelde partij het slachtoffer is geworden, is naar het oordeel van het hof zodanig dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. De benadeelde partij is meermalen bedreigd, waarbij ook in haar tuin brand is gesticht en door verdachte vernielingen zijn aangericht.
Het hof ziet aanleiding om de toe te kennen immateriële schade vast te stellen op een lager bedrag dan is gevorderd. Het hof heeft daarbij gelet op het feit dat verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken van belaging, alsook op de inhoud van het dossier, waaruit volgt dat over en weer tussen de benadeelde partij en verdachte het nodige is gebeurd over een periode van meerdere jaren. Het hof acht een immateriële schadevergoeding van € 750,00 billijk en wijst het overige deel af.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering tot tenuitvoerlegging parketnummer 18-088011-19

Verdachte is op 9 september 2020 door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 50 dagen met een proeftijd van 3 jaren.
Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van het overgebleven deel van deze voorwaardelijke gevangenisstraf, inhoudende een gevangenisstraf van 25 dagen. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Verdachte heeft voor het einde van de proeftijd een nieuw strafbaar feit gepleegd. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden bevolen. Het hof ziet in de positieve lijn die verdachte heeft ingezet aanleiding om in plaats van de gevangenisstraf de tenuitvoerlegging van een taakstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, te gelasten.

Wetsartikelen

De straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 180, 266, 267, 285, 300 en 350 Sr.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-098082-24 onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-098082-24 onder 1, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 18-207612-23 onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-098082-24 onder 1, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 18-207612-23 onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
270 (tweehonderdzeventig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
90 (negentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met: [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] 1983.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren zich niet zal ophouden in de navolgende straten in [plaats] :
- [straat] ;
- [straat] ;
- [straat] ;
- [straat] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Heft op het door de politierechter gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de politierechter opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de politierechter opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-098082-24 onder 1 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 775,00 (zevenhonderdvijfenzeventig euro) bestaande uit € 25,00 (vijfentwintig euro) aan materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 4.250,00 (vierduizend tweehonderdvijftig euro) aan immateriële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-098082-24 onder 1 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 775,00 (zevenhonderdvijfenzeventig euro) bestaande uit € 25,00 (vijfentwintig euro) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 18 maart 2024.
Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 9 september 2020 met parketnummer 18-088011-19 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de resterende duur van 25 dagen, een
taakstrafvoor de duur van
50 (vijftig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door
25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. G.A. Versteeg, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. H.K. Elzinga, in aanwezigheid van de griffier mr. J.R. Sotthewes-de Jonge en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 9 juni 2026.