Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3744

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.350.601/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:169 BWArt. 6:162 BWArt. 130 lid 1 RvArt. 353 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake aansprakelijkheid voor schade aan schuifpui en ruit

Appellante vordert vergoeding van schade aan haar schuifpui en ruit, waarvan zij stelt dat geïntimeerde hiervoor aansprakelijk is. De kantonrechter wees deze vorderingen af, waarna appellante hoger beroep instelde en haar eis vermeerderde.

Het hof oordeelt dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geïntimeerde de schuifpui met zware kracht heeft beschadigd. De verklaring van geïntimeerde is ontzenuwd vanwege afhankelijkheid van appellante en haar broer. Ook is niet vastgesteld dat de dochter van geïntimeerde onzorgvuldig handelde bij het veroorzaken van de ruitschade.

De deskundigenrapporten zijn tegenstrijdig, waarbij het hof het rapport van DEKRA, dat schade van buitenaf aannemelijk acht, zwaarder weegt. Omdat onrechtmatigheid en causaal verband niet zijn komen vast te staan, wijst het hof de vorderingen af en veroordeelt appellante tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van appellante af wegens onvoldoende bewijs van onrechtmatig handelen en causaal verband.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.350.601/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere 11092323
arrest van 9 juni 2026
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats1]
hierna:
[appellante]
advocaat: mr. H.R. Yücesan
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
hierna:
[geïntimeerde]
advocaat: mr. R.M. Berendsen

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Naar aanleiding van het arrest van 29 juli 2025 heeft op 9 april 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
[appellante] is de zus van de ex-partner van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] en haar ex-partner hebben in het huis van [appellante] gewoond. In die periode is de schuifpui van [appellante] beschadigd geraakt waardoor de deur niet meer goed opent en sluit. Ook is een ruit van de schuifpui beschadigd. Partijen zijn verdeeld over de vraag of [geïntimeerde] voor deze schade aansprakelijk is.
2.2
[appellante] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om aan haar een bedrag van € 6.500 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook heeft [appellante] gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
2.3
De kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, heeft de vorderingen bij vonnis van 16 oktober 2024 afgewezen. [1] De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. Ook heeft [appellante] haar eis vermeerderd in hoger beroep.
2.4
Het hof zal beslissen dat [appellante] ook in hoger beroep geen gelijk krijgt en laat daarmee het vonnis van de kantonrechter in stand. Het hof zal dit oordeel hierna toelichten, waarbij het eerst de voor deze zaak relevante feiten uiteenzet.

3.De feiten

3.1
[appellante] is samen met haar broer [naam1] (hierna: ‘de broer van [appellante] ’) eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan het [adres] te [plaats] (hierna: ‘de woning’). [geïntimeerde] is met haar twee kinderen in oktober 2020 in deze woning ingetrokken. Zij had op dat moment een affectieve relatie met de broer van [appellante] . [appellante] , haar broer en [geïntimeerde] zijn geboren in de Dominicaanse Republiek.
3.2
[geïntimeerde] heeft op 5 januari 2022 een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij ING. Kort daarna in januari 2022 is de hefschuifpui (hierna: ‘hefpui’ of ‘schuifpui’) die naar de achtertuin leidde, beschadigd geraakt waardoor de pui niet meer goed kon worden gesloten en geopend. Rond dezelfde periode is ook een barst in de ruit van de schuifpui ontstaan.
3.3
[geïntimeerde] heeft deze schades gemeld bij ING. Naar aanleiding van deze melding heeft DEKRA op verzoek van ING op 14 juni 2022 een rapport uitgebracht over de incidenten. Hierin staat onder meer het volgende:
“Op genoemde schadedatum is een beschadiging ontstaan aan de hefschuifpui in de koopwoning van wederpartij. De beschadiging zou zijn ontstaan doordat verzekerde de hendel van de hefschuifpui te hard heeft doorgedrukt. Het betreft hier een hefschuifpui die voor het openen eerst naar voren getrokken dient te worden. Dit heeft verzekerde niet gedaan. Hierdoor is het sluitsysteem volledig ontwricht geraakt.
(…)
Na genoemde schadedatum zou het kind van verzekerde tevens een hard object tegen de ruit van de hefschuifpui hebben gegooid. Wat voor object is ons onbekend gebleven. Tegenpartij was boven toen het voorval zich voordeed. Hierdoor zit er nu een barst in de buitenste ruit van de hefschuifpui.
Gelet op de aard van de eerste beschadiging achten wij het niet aannemelijk dat op de beschreven wijze het sluitsysteem ontwricht is geraakt. Een dergelijk systeem is normaal gesproken zodanig ingericht dat een verkeerde handeling hooguit leidt tot een blokkering. Voor het doen ontwrichten van de gehele sluitsysteem is fors geweld nodig. Wij hebben de gang van zaken rondom de beschadiging niet rechtstreeks van verzekerde mogen vernemen, aangezien zij volgens wederpartij geen Nederlands sprak en daarom niet aanwezig was ten tijde van ons bezoek.”
3.4
ING heeft op 26 juli 2022 [appellante] – die het contact met ING over de schadeclaim onderhield – laten weten dat ING de schade niet zal vergoeden. ING acht het niet aannemelijk dat [geïntimeerde] de beschadiging aan het sluitsysteem heeft veroorzaakt en met betrekking tot de ruit is het volgens ING onduidelijk hoe de buitenkant van de ruit is beschadigd terwijl de dochter (destijds nog geen 2 jaar oud) binnen met een stuk speelgoed tegen de ruit heeft geslagen.
3.5
In september 2022 heeft [geïntimeerde] een door [appellante] opgestelde verklaring ondertekend. In deze verklaring staat onder meer:
“Ik heb schade toegebracht aan de schuifpui, het is in mijn handen stuk gegaan. Zij (Hof: [appellante] ) heeft mij verschillende keren uitgelegd hoe ik de deur moet dichtmaken. Het gaat om een hefpui geen gewone schuifpui. De laatste dag dat ik de deur dicht deed hoorde ik een harde klap en sinds dien ging de deur niet goed dicht.
(…)
Mijn dochter heeft de ruit van de schuifpui beschadigd. Ik herinner mij niet meer goed met wat voor object de barst is ontstaan, volgens mij was het speelgoed. Ik stond op dat moment in de keuken en ik hoorde een harde klap. [appellante] was zelf boven en kwam kort na de klap naar beneden. Samen constateerden we dat de ruit aan de binnenzijde gebarsten was.”
3.6
Op 6 november 2023 heeft [geïntimeerde] aangifte gedaan tegen de broer van [appellante] wegens mishandelingen in de periode van januari 2022 tot en met november 2023.
3.7
Op verzoek van de dochter van [appellante] heeft de heer [naam2] , die handelt onder de naam [naam3] , op 8 januari 2025 een rapport uitgebracht over hoe de schuifpui is beschadigd. In het rapport staat onder meer het volgende vermeld:
“Foto 2: de nok is afgebroken door verkeerd gebruik en met zware kracht dicht gooien van de schuifpui.
(…)
De ruitschade van de schuifpui is duidelijk aan de binnenzijde in tegenstelling tot de
verklaring van expertisebureau Derka (Hof: DEKRA) (…)
Ook is de schuipui (Hof: schuifpui) niet beschadigd door het openen maar ontwricht door het hard
dichtgooien, zie foto 2 van de afgebroken nok.”
3.8
In een brief van 7 april 2025 heeft DEKRA op verzoek van [geïntimeerde] gereageerd op het rapport van [naam3] . Over de beschadiging aan de ruit heeft DEKRA het volgende opgemerkt:
“Door de expert van DEKRA is aangegeven dat een barst aanwezig is in de “buitenste ruit" van de hefschuifpui. Door wederpartij wordt aangegeven dat dit niet juist is en dat schade zich bevind aan de binnenzijde van de ruit. Volgens wederpartij blijkt dit ook uit de rapportage van [naam3] . In dit rapport staat “deze is ontstaan door er met een voorwerp van binnenuit tegen aan te stoten”. Voorts is aangegeven dat “
de ruitschade van de schuifpui is duidelijk aan de binnenzijde in tegenstelling tot de verklaring van expertisebureau DEKRA". Hoe [naam3] tot de conclusie komt dat met een voorwerp van binnenuit tegen de ruit is gestoten is niet duidelijk. Op uw verzoek hebben wij de door ons gemaakte foto's van beschadiging van de ruit nogmaals bekeken.
(…)
Beide foto’s tonen een schuifpui met een gebarsten ruit. Duidelijk is dat beide foto’s van binnenuit zijn genomen. Aan de buitenzijde zien we een terras met grindtegels. De barst in het glas is goed zichtbaar en lijkt te beginnen bij een punt aan de rechterkant van de ruit, dicht bij de rand van de schuifpui. De barst heeft een zogenaamde spinnenwebpatroon, wat typisch is voor schade door impact. Het glas lijkt aan de binnenzijde glad en onbeschadigd, terwijl de barstlijnen duidelijk aan de buitenzijde van het glas beginnen. Dit is te zien aan de manier waarop de barst zich verspreidt: de lijnen lijken “uit te waaieren” vanaf een punt dat dichter bij de buitenzijde ligt.
Op de tweede foto’s is de barst duidelijker. Zichtbaar is dat het glas aan de rechterkant een duidelijke impactplek heeft waarbij het lijkt dat het glas aan de buitenzijde is geraakt; de binnenzijde van het glas lijkt intact terwijl de barstlijnen suggereren dat de impact van buitenaf komt. Dit is ook te zien aan de manier waarop het glas is gebarsten; de lijnen lijken dieper en meer uitgesproken aan de buitenzijde.
Op basis van het bovenstaande achten wij het meer aannemelijk dat het glas in eerste instantie aan de buitenzijde beschadigd is geraakt.”

4.De toelichting op de beslissing van het hof

4.1
[appellante] is met vijf bezwaren (grieven) in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter. Het hof zal deze grieven hierna thematisch behandelen.
Eisvermeerdering
4.2
[appellante] heeft in hoger beroep haar eis vermeerderd, in die zin dat zij expertisekosten vordert en kosten die verband houden met een beslaglegging door [geïntimeerde] . Op grond van artikel 130 lid 1 jo Pro. 353 lid 1 Rv mag een partij schriftelijk haar eis vermeerderen voordat de rechter een eindarrest heeft gewezen, voor zover dit niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde. [geïntimeerde] heeft geen bezwaren geuit tegen de eisvermeerdering en het hof ziet ambtshalve ook geen reden om deze eis niet toe te staan, zodat het hof hierop zal beslissen.
De schuifpui
4.3
[appellante] voert met haar eerste grief aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het causale verband tussen de gestelde onrechtmatige gedraging van [geïntimeerde] en de schade aan de schuifpui niet is komen vast te staan.
4.4
Het hof is van oordeel dat [appellante] haar stelling dat de schade aan de schuifpui is veroorzaakt door een gedraging van [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd. [appellante] verbleef ten tijde van het ontstaan van de schade in het buitenland en heeft zelf niet kunnen waarnemen waardoor de schade is ontstaan. Daarnaast heeft [appellante] in hoger beroep haar stellingen aangepast, in die zin dat de oorzaak van het moeizaam openen van de hefpui volgens [appellante] erin is gelegen dat de nok van de hefpui is afgebroken door verkeerd gebruik en het met zware kracht dichtgooien van de hefpui. [appellante] baseert dit op het rapport van [naam3] , waarin is geconcludeerd dat de nok is afgebroken door verkeerd gebruik én het met zware kracht dichtgooien van de schuifpui. Het hof leest hierin dat sprake moet zijn geweest van cumulatieve factoren waardoor de schade moet zijn ontstaan. Los van de vraag of [geïntimeerde] de hefpui verkeerd heeft gebruikt, is door [appellante] niet onderbouwd dat [geïntimeerde] de hefpui met zware kracht heeft dichtgegooid en dit is anderszins ook niet gebleken. Daarnaast is het rapport van [naam3] drie jaar na het vermeende schadevoorval opgesteld, waardoor onduidelijk is wanneer de in het rapport waargenomen schade precies is ontstaan.
4.5
De door [geïntimeerde] ondertekende en door [appellante] in het Nederlands opgestelde verklaring doet aan het voorgaande niet af. Ook hieruit volgt niet dat [geïntimeerde] de hefpui met zware kracht heeft dichtgegooid. Daarnaast heeft [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij geen harde klap heeft gehoord toen zij de hefpui heeft gesloten en dat zij soms moest accepteren wat [appellante] en haar broer haar vertelden, waardoor aan de geloofwaardigheid van de verklaring kan worden getwijfeld. Maar zelfs als [geïntimeerde] wel een harde klap zou hebben gehoord tijdens het sluiten van de hefpui, leidt dit niet tot de conclusie dat daardoor de gestelde schade is veroorzaakt. Op dat moment verbleven ook de broer en zoon van [appellante] in de woning die mogelijk daarvoor of daarna de hefpui op een onjuiste manier hebben geopend dan wel gesloten. Bovendien blijkt uit de verklaring van [geïntimeerde] dat zij een harde klap heeft gehoord en sindsdien de deur niet goed meer dichtging, niet dat sprake is geweest van onzorgvuldig handelen aan de zijde van [geïntimeerde] .
4.6
De in rov. 3.5 en 4.5 vermelde verklaring van [geïntimeerde] leidt dus niet tot de conclusie dat [geïntimeerde] voor het beschadigen van de schuifpui of de hierna te bespreken ruit verantwoordelijk kan worden gehouden. Uit de processtukken en uit het verhandelde tijdens de zitting bij het hof is namelijk gebleken dat [appellante] deze verklaring zelf heeft opgesteld om de aansprakelijkheidsverzekeraar van [geïntimeerde] voor deze beschadigingen verantwoordelijk te houden en dat [geïntimeerde] deze verklaring alleen heeft ondertekend omdat zij voor haar inwoning en die van haar kinderen afhankelijk was van [appellante] en haar broer. Onder die omstandigheden en op basis van wat hiervoor is overwogen, moet de in de akte opgenomen verklaring als ontzenuwd worden beschouwd. [appellante] kan daarin dan ook geen steun voor haar standpunt ontlenen. Dat geldt zowel voor haar stellingen tot de schuifpui, als voor wat zij stelt in verband met de hierna te bespreken schade aan de ruit.
4.7
Al met al heeft [appellante] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het [geïntimeerde] was die de hefpui heeft beschadigd, en evenmin heeft zij voldoende onderbouwd dat, als dat al het geval zou zijn, dit ook het gevolg is geweest van onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig handelen. Grief I faalt.
De ruit
4.8
Met haar tweede grief komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het causale verband tussen de gedraging van de dochter van [geïntimeerde] en de schade aan de binnenkant van de ruit van de schuifpui niet is komen vast te staan.
4.9
Op grond van artikel 6:169 lid 1 BW Pro is de ouder van een kind dat nog niet de leeftijd van veertien jaren heeft bereikt aansprakelijk voor schade die door een als een doen te beschouwen gedraging van het kind is veroorzaakt, voor zover de gedraging het kind als een onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan.
4.1
Voordat aansprakelijkheid op grond van artikel 6:169 lid 1 BW Pro aangenomen kan worden, moet dus worden beoordeeld of het kind, indien wordt uitgegaan van de fictieve situatie dat het kind niet minderjarig zou zijn geweest, een onrechtmatige daad heeft gepleegd in de zin van artikel 6:162 BW Pro. Daarbij is van belang dat in de wetsgeschiedenis wordt opgemerkt dat niet iedere gedraging met als voorzienbaar gevolg zaakbeschadiging, om die reden reeds als onrechtmatig moet worden beschouwd als zijnde een inbreuk op een recht. Daarvoor is vereist dat degene die de schade heeft veroorzaakt in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, of met andere woorden, dat deze persoon onzorgvuldig heeft gehandeld. [2] [appellante] heeft niet gesteld dat de dochter – haar leeftijd weggedacht – onzorgvuldig heeft gehandeld en als zij dat al heeft beoogd te doen, dan heeft zij dit onvoldoende onderbouwd. Vaststaat dat zowel [appellante] als [geïntimeerde] niet hebben waargenomen dat de ruit is beschadigd en op welke manier dat is gebeurd. [appellante] heeft ook geen feiten aangedragen waaruit blijkt hoe de dochter – die nog geen twee jaar oud was – de ruit precies heeft beschadigd. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of de dochter onzorgvuldig heeft gehandeld of dat sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden waarvoor [geïntimeerde] niet aansprakelijk zou zijn. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de enkele omstandigheid dat tijdens of door het spelen van de dochter van [geïntimeerde] schade aan de ruit is opgetreden, nog niet meteen meebrengt dat daarbij onzorgvuldig te werk is gegaan. [appellante] heeft onvoldoende aangevoerd om aan te kunnen nemen dat dat het geval was.
4.11
Omdat niet kan worden vastgesteld of de dochter onzorgvuldig heeft gehandeld, is de onrechtmatigheid niet komen vast te staan. Daarmee is ook niet het causale verband tussen de vermeende onrechtmatige gedraging en de schade aan de ruit van de schuifpui aangetoond. Hierdoor kan [geïntimeerde] niet op grond van artikel 6:169 lid 1 BW Pro aansprakelijk worden gesteld voor de schade aan de schuifpui. Het hof hoeft daarmee niet nader in te gaan op de vraag of de ruit nu vanaf de binnenzijde beschadigd is geraakt of vanaf de buitenzijde. De grief faalt.
De bijkomende vorderingen
4.12
Het voorgaande maakt ook dat de vorderingen van [appellante] die zien op expertisekosten, kosten van de beslaglegging, betekeningskosten en terugbetaling van de proceskosten in eerste aanleg worden afgewezen, omdat deze afhankelijk zijn van het slagen van de hiervoor behandelde grieven.
De conclusie
4.13
Het hoger beroep slaagt niet. Het hof zal het vonnis bekrachtigen. Omdat [appellante] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellante] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
4.14
De proceskostenveroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
5.1
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, van 16 oktober 2024;
5.2
veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :
€ 362 aan griffierecht
€ 1.824 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x het toepasselijke tarief I)
5.3
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Essed, J.H. Kuiper en W.F. Boele, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
9 juni 2026.

Voetnoten

1.Het vonnis is gepubliceerd onder ECLI:NL:RBMNE:2024:5825.
2.TM,