ECLI:NL:GHARL:2026:3778

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
200.367.554/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253 BWArt. 1:254 BWArt. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ondertoezichtstelling minderjarige kinderen toegewezen ondanks eerdere afwijzing

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland wees het verzoek van de raad voor de kinderbescherming af om twee minderjarige kinderen onder toezicht te stellen. De raad ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat de beslissing van de kinderrechter vernietigde en het verzoek alsnog toewijst voor een periode van zes maanden.

Het hof oordeelt dat er sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen, ondanks goede schoolprestaties. De situatie wordt gekenmerkt door ernstige zorgen over de fysieke en emotionele veiligheid, hygiëneproblemen in de woning van de vader, het ontbreken van zicht op de thuissituatie door het buiten de deur houden van hulpverlening, en het feit dat een jonger broertje van de kinderen uithuisgeplaatst is wegens letsel.

De ouders werkten onvoldoende mee aan het onderzoek, waardoor de raad en de gecertificeerde instelling geen goed zicht kregen op de opvoedsituatie. Het hof acht een ondertoezichtstelling noodzakelijk om binnen zes maanden zicht te krijgen op de situatie en de zorgen weg te nemen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en eindigt op 11 november 2026.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen toe voor zes maanden en vernietigt de eerdere afwijzing door de kinderrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.367.554
zaaknummer rechtbank Gelderland 460595
beschikking van 11 juni 2026
over de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2]
in de zaak van
de raad voor de kinderbescherming,
hierna te noemen de raad,
die is gevestigd in Arnhem,
en
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats1] , gemeente [gemeente1] ,
advocaat: mr. M. Metin,
en
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. R.F.P. Scheele.
Als informant is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
[naam1] ,
hierna te noemen de Gl, die is gevestigd in [vestigingsplaats1] .

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft het verzoek van de raad om [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht te stellen in de beschikking van 5 februari 2026 afgewezen (hierna: de bestreden beschikking). Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom het verzoek tot ondertoezichtstelling toch wordt toegewezen.

2.De feiten

2.1
De vader en de moeder zijn de (juridisch) ouders van:
- [de meerderjarige1] , geboren [in] 2004;
- [de meerderjarige2] , geboren [in] 2007;
- [de minderjarige1] (verder: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2010;
- [de minderjarige2] (verder: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2018;
- [de minderjarige3] (verder: [de minderjarige3] ), geboren [in] 2025.
2.2
Deze uitspraak heeft betrekking op [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Zij wonen bij de vader in [woonplaats1] . De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
2.3
De kinderrechter in de rechtbank Gelderland heeft bij (tussen)beschikking van
15 juli 2025 [de minderjarige3] voorlopig onder toezicht gesteld tot 15 oktober 2025 en een machtiging
uithuisplaatsing van [de minderjarige3] verleend in een ziekenhuis en aansluitend in een voorziening
voor pleegzorg tot 12 augustus 2025. De ondertoezichtstelling van [de minderjarige3] is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 14 oktober 2026. De machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige3] is daarna, voor zover het hof bekend is, in ieder geval tot 15 april 2026 verlengd.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1
De raad heeft verzocht [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht te stellen voor een jaar.
3.2
De kinderrechter heeft het verzoek van de raad in de bestreden beschikking afgewezen.

4.De procedure bij het hof

4.1
De raad is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. De raad komt daarvan in hoger beroep. De raad wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt. De raad verzoekt het hof om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar en in de beschikking de volgende doelen voor de ondertoezichtstelling op te nemen:
- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] groeien op in een veilige thuissituatie met opvoeders die aansluiten bij hun ontwikkelingsbehoeften.
- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] krijgen in de opvoeding taken die passend zijn bij hun leeftijd.
4.2
De vader voert verweer en vraagt het hof de beslissing van de kinderrechter in stand te laten.
4.3
De moeder voert ook verweer en vraagt om het verzoek in hoger beroep van de raad af te wijzen.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 16 april 2026;
  • het verweerschrift namens de vader;
  • het verweerschrift namens de moeder; en
  • een journaalbericht van mr. Metin van 11 mei 2026.
4.5
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn opgeroepen voor een kindgesprek op 11 mei 2026. [de minderjarige1] heeft tijdens het kindgesprek gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van het verzoek om een ondertoezichtstelling. Ook heeft [de minderjarige1] twee uitgebreide brieven gestuurd naar het hof (op 8 en 11 mei 2026). [de minderjarige2] is niet gekomen voor het kindgesprek en heeft geen brief gestuurd.
4.6
De zitting bij het hof was op 12 mei 2026. Aanwezig waren:
  • een vertegenwoordiger van de raad;
  • de vader met zijn advocaat;
  • de moeder met haar advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de GI.
4.7
Tijdens de zitting hebben de advocaat van de vader en de advocaat van de moeder bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van de GI als informant, omdat er mogelijk informatie uit de procedure over [de minderjarige3] naar voren zou kunnen worden gebracht, welke het hof bij de beoordeling zou kunnen betrekken. Het hof heeft ter zitting besloten de GI bij de mondelinge behandeling aanwezig te laten zijn. De GI is namelijk opgeroepen in de hoedanigheid van beoogd GI voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Bovendien had het hof op voorhand geen vragen voor de GI, ook niet over de situatie omtrent [de minderjarige3] .

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening.
Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
Hoe oordeelt het hof?
5.2
De kinderrechter heeft de kinderen ten onrechte niet onder toezicht gesteld. De beslissing van de kinderrechter zal ongedaan worden gemaakt (worden vernietigd) en het verzoek van de raad om de [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht te stellen wordt voor een periode van zes maanden toegewezen.
5.3
Het hof is, anders dan de kinderrechter, van oordeel dat een ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] noodzakelijk is. Hoewel de ouders aanvoeren dat het goed gaat met de kinderen, is het hof van oordeel dat sprake is van een ernstige bedreiging in hun ontwikkeling. Dat de kinderen het goed doen op school betekent namelijk niet dat geen sprake is van een zorgelijke situatie rondom de kinderen. Het gaat er namelijk om dat er ernstige zorgen zijn over hun algehele ontwikkeling, wat niet weggenomen wordt door alleen goede schoolprestaties.
5.4
De ouders en de raad verschillen van mening over de vraag of er sprake is van één of twee opvoedsituaties. Bij het eerste gaat het erom dat de vader en de moeder in feite grotendeels samen voor de kinderen zorgen, in het laatste geval zouden de moeder en de vader ieder afzonderlijk voor de kinderen zorgen. De kinderen wonen bij de vader, maar de moeder heeft óók een periode bij de vader gewoond. Dit in verband met de bevalling van [de minderjarige3] en ziekte van de vader. Ongeacht of er sprake is van één of twee opvoedsituaties, de ouders hebben samen het gezag over de kinderen en het volgende staat voor het hof in ieder geval genoegzaam vast. In het huis van de vader is ernstig letsel toegebracht aan althans ontstaan bij [de minderjarige3] , het broertje van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . [de minderjarige3] is om die reden uithuisgeplaatst. Dat er letsel is toegebracht heeft, anders dan door de ouders wordt aangevoerd, wel degelijk invloed op de situatie van en de zorgen over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Het is namelijk gebeurd in het huis waar ook zij opgroeien. Na dit heftige voorval was nader onderzoek nodig, maar de raad heeft niet meer zicht gekregen op de situatie bij de vader thuis, omdat de vader de raad niet heeft binnengelaten. Hoewel de vader aanvoert dat de raad altijd mocht komen, is het door toedoen van de vader nooit tot een daadwerkelijke bezoek gekomen. Ook heeft de raad niet met [de minderjarige1] op school kunnen praten, want daarvoor is geen toestemming verkregen. Hoewel de vader aanvoert dat hij niet wilde dat [de minderjarige1] op school werd gesproken omdat school een veilige plek moet zijn, had het dan ook op zijn weg gelegen gedurende het onderzoek van de raad in contact te treden met de raad om te bezien hoe het gesprek met haar en het verdere onderzoek wel zou kunnen worden uitgevoerd. Uit het rapport blijkt echter dat de ouders niet hebben gereageerd op het onderzoeksplan en niet hebben aangegeven of zij bezwaar hebben tegen het opnemen van contact met de personen en instanties, die de raad tijdens het onderzoek wil benaderen. Het lijkt wat dat betreft een patroon waarin wordt gezegd dat er wordt meegewerkt, maar het uiteindelijk niet lukt om tot afspraken te komen. Ter zitting heeft de raad ook toegelicht dat het ook de GI die bij [de minderjarige3] betrokken is, niet is gelukt om tot een afspraak te komen voor een huisbezoek.
Van belang is verder dat de politie in het kader van het onderzoek naar de kindermishandeling van [de minderjarige3] telefoontaps heeft geplaatst. Delen daarvan maken deel uit van het dossier. Volgens de ouders kunnen uit deze tapgesprekken geen enkele conclusies of ernstige zorgen met betrekking tot de kinderen worden afgeleid. Anders dan de ouders aanvoeren, leest het hof in het raadsrapport in de beschrijving van de taps echter wel degelijk hele ernstige zorgen. Zo belt [de minderjarige2] [in] 2025 en heeft zij het over drugs halen. [in] 2025, midden in de nacht, belt de vader [de minderjarige1] en zegt dat hij thee wil en dat de thee sterk moet zijn. Hoewel de moeder uitvoerig ingaat op alle tapgesprekken, vindt het hof de weergegeven inhoud van de tapgesprekken in het raadsrapport een zorgelijk beeld geven over de thuissituatie van de kinderen en noopt dit tot nader onderzoek.
De kraamhulp van [de minderjarige3] heeft verder verklaard dat de woning van de vader tijdens de kraamperiode, toen de moeder daar verbleef, onhygiënisch was met onder andere schimmel en vochtplekken. Ook zou er nauwelijks daglicht binnenkomen. De vader betwist hetgeen de kraamhulp heeft waargenomen. Ook dit alles verlangt nader onderzoek.
Daarnaast blijkt uit het raadsrapport dat [de minderjarige2] in 2023 bij haar leerkracht heeft gezegd dat er veel ruzie was thuis en er een onveilige sfeer zou zijn. School wilde dit bespreken met de ouders, maar voordat het tot een afspraak kon komen, is [de minderjarige2] door de ouders op een andere school geplaatst. Het hof is, gelet op alle omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Het hof stelt vast dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen is gelegen in de grote zorgen over:
- de fysieke en emotionele veiligheid en ontwikkeling van de kinderen;
- de taken die de kinderen krijgen;
- de hygiëne in de woning van de vader;
- het buiten de deur houden van de hulpverlening en daardoor het ontbreken van zicht op voornoemde zorgen.
5.5
Met de raad is het hof van oordeel dat, juist gelet op voornoemde zorgen, het zeer belangrijk is dat er eerst zicht komt op de opvoedsituatie bij de ouders en met name bij de vader thuis. Hoewel de vader aanvoert dat hij de raad heeft uitgenodigd bij hem thuis, heeft de raad ter zitting toegelicht dat er veel overleg is en voorwaarden worden gesteld, maar het niet tot een afspraak komt. De kinderrechter ging er in de bestreden beschikking nog vanuit dat er door de betrokkenheid van de GI bij [de minderjarige3] zicht zou komen op de situatie van de andere kinderen, maar ook dat is niet het geval geweest. Ter zitting heeft de raad namelijk toegelicht dat het de GI ook niet lukt om een afspraak daarvoor te maken. De houding van de ouders maakt het onmogelijk om, ondanks de ernstige zorgen, voldoende zicht te krijgen om de veiligheid en de goede ontwikkeling van de kinderen te waarborgen. Het hof zal daarom het verzoek van de raad voor een periode van zes maanden toewijzen. Deze periode acht het hof vooralsnog voldoende om zicht op de situatie te krijgen en ouders de gelegenheid te geven de zorgen in voldoende mate weg te nemen door hun medewerking te verlenen of, bij gebreke daaraan, voor de GI om daarin door te pakken, bijvoorbeeld in de vorm van schriftelijke aanwijzingen of andere, verdergaande maatregelen. Als dan blijkt dat voornoemde zorgen bevestigd worden, is het hof van oordeel dat moet worden gewerkt aan de door de raad genoemde doelen van de ondertoezichtstelling.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6
De beslissing in deze uitspraak kan ook worden uitgevoerd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 5 februari 2026 en:
wijst het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] , geboren [in] 2010 en [de minderjarige2] , geboren [in] 2018 van de gecertificeerde instelling [naam1] te [woonplaats2] voor een periode van zes maanden alsnog toe, zodat de ondertoezichtstelling eindigt per 11 november 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, P.M. Kamminga, E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door de griffier en is in het openbaar uitgesproken op
11 juni 2026.