Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3789

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
200.367.328/01 en 200.367.328/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265i lid 1 BWArt. 1:265i lid 2 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:250 BWArt. 7 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over wijziging verblijf minderjarige van pleegouders naar vader

De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Overijssel waarin toestemming werd gegeven voor wijziging van het verblijf van een minderjarige van zijn netwerkpleegouders naar zijn vader. De minderjarige verbleef sinds kort na zijn geboorte bij de pleegouders, die familie zijn, maar de GI verzocht om wijziging van verblijf naar de vader, die inmiddels een stabiele opvoedsituatie biedt.

De pleegouders maakten bezwaar tegen deze wijziging en verzochten vernietiging van de beschikking en schorsing van de uitvoerbaarheid. Het hof verklaarde het schorsingsverzoek niet-ontvankelijk omdat de hoofdzaak reeds was behandeld en de minderjarige al bij de vader woont. Het hof voerde een rechtmatigheidstoets uit en oordeelde dat er geen noodzaak was om het verzoek tot wijziging af te wijzen.

Het hof benadrukte het recht van de minderjarige om bij een van zijn ouders op te groeien en stelde vast dat de vader, ondanks enkele zorgpunten, voldoende opvoedcapaciteiten en een ondersteunend netwerk heeft. De langdurige conflicten tussen pleegouders en ouders en de loyaliteitsproblemen van de minderjarige maakten het verblijf bij de pleegouders minder wenselijk.

De plaatsing bij de vader is zorgvuldig verlopen en de minderjarige ontwikkelt zich positief in zijn nieuwe omgeving. Het contact met de pleegouders wordt erkend als belangrijk en moet worden gewaarborgd. De GI moet de situatie blijven monitoren. De benoeming van een bijzondere curator werd niet nodig geacht vanwege het ontbreken van een wezenlijk belangenconflict.

Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en wees het beroep van de pleegouders af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking dat de minderjarige bij de vader mag wonen en wijst het beroep van de pleegouders af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.367.328/01 en 200.367.328/02
(zaaknummer rechtbank Overijssel 341792)
beschikking van 11 juni 2026
in de zaak van
[verzoekster]en
[verzoeker](de pleegouders),
die wonen op een geheim adres,
verzoekers in hoger beroep,
advocaat: mr. T.H. Westerhof-Dijkstra te Zwolle,
en
de gecertificeerde instelling,
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering(de GI),
gevestigd te Zwolle,
verweerster in hoger beroep.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1.[belanghebbende1] (de moeder),

wonende op een geheim adres,
advocaat mr. S.M. Carabain-Klomp te IJhorst,

2.[belanghebbende2] (de vader),

wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N.C. Milani te Almere.
In zijn toetsende en/of adviserende rol is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Overijssel, locatie Zwolle.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 13 februari 2026, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 3 april 2026;
- een brief van de raad van 15 april 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
- een journaalbericht namens de pleegouders van 23 april 2026 met bijlage(n);
- het verweerschrift van de GI met bijlage(n);
- het verweerschrift namens de vader met bijlage(n);
- een e-mail namens de moeder van 6 mei 2026;
- een journaalbericht namens de vader van 7 mei 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 17 mei 2026 met bijlage(n).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 19 mei 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de pleegouders, bijgestaan door hun advocaat;
- twee vertegenwoordigers namens de GI;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
De heer [naam1] (begeleider van de vader vanuit [naam2] ) is met instemming van partijen als toehoorder toegelaten.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder hebben een relatie gehad. Zij oefenen (sinds de beschikking van 10 mei 2022) gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige] , die is geboren [in] 2021.
3.2
[de minderjarige] verbleef sinds 23 december 2021 bij de pleegouders. De pleegmoeder is de oma (mz) van [de minderjarige] en de pleegvader is zijn (stief)opa (mz).
3.3
Bij beschikking van 19 december 2022 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Gelijktijdig is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor verblijf in een netwerkpleeggezin, te weten bij de pleegouders. De maatregelen zijn nadien steeds verlengd.
3.4
Bij beschikking van 15 mei 2025 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI tot wijziging van de verblijfplaats van [de minderjarige] in een neutraal pleeggezin afgewezen.
3.5
Bij beschikking van 23 februari 2026, schriftelijk vastgelegd op 17 maart 2026, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader, verlengd tot 3 maart 2027.
3.6
Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de GI om [de minderjarige] bij de vader te plaatsen toegewezen. [de minderjarige] woont sinds april 2026 bij de vader. De vader woont met zijn partner en hun in december 2025 geboren zoon [naam3] bij zijn moeder (oma vz). De vader is op zoek naar een woning voor zijn gezin, in de buurt van zijn familie.
3.7
Bij beschikking van 2 april 2026 heeft de kinderrechter de GI belast met het gezag over [de minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling, tot
3 maart 2027. [de minderjarige] is op 6 mei 2026 gestart in groep 1 van [naam4] in [plaats1] .
3.8
Sinds 15 mei 2026 geldt een bezoekregeling tussen [de minderjarige] en de pleegouders van eens per vier weken, van vrijdag 16:00 uur tot zondag 17:00 uur.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van
13 februari 2026 heeft de rechtbank de GI toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [de minderjarige] naar de vader en een machtiging verleend tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht bij de vader, tot 3 maart 2026.
4.2
De pleegouders zijn met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzoeken van de GI voor toestemming tot wijziging van het verblijf van [de minderjarige] naar de vader en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht bij de vader tot 3 maart 2026 alsnog af te wijzen. Ook hebben de pleegouders verzocht om de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen en (het hof begrijpt: subsidiair) een bijzondere curator te benoemen (ex. artikel 1:250 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)).
4.3
De GI voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De vader voert verweer en verzoekt het hof om de verzoeken van de pleegouders in appel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.5
De moeder heeft via een e-mailbericht van haar advocaat van 6 mei 2026 en op de mondelinge behandeling laten weten dat zij achter de beslissing van de rechtbank staat.

5.De motivering van de beslissing

Het schorsingsverzoek(zaaknummer 200.367.328/02)
5.1
Omdat het hof de hoofdzaak heeft behandeld tijdens de mondelinge behandeling op 19 mei 2026, hebben de pleegouders het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking ter zitting ingetrokken. Het hof zal de pleegouders daarom
niet-ontvankelijk verklaren in hun schorsingsverzoek.
De hoofdzaak(200.367.328/01)
De wet
5.2
De GI heeft toestemming van de kinderrechter nodig voor wijziging in het verblijf van een minderjarige die ten minste een jaar door een ander dan de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin. [1] De toestemming wordt door de kinderrechter op verzoek van de GI verleend en slechts afgewezen indien de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt. [2]
5.3
De kinderrechter kan de GI machtigen om een kind uit huis te plaatsen. Dat kan alleen als de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding of voor onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van dat kind. [3]
Het oordeel van het hof
5.4
Het hof stelt voorop dat de pleegouders het op zichzelf eens zijn met de uithuisplaatsing van [de minderjarige] , maar niet met de beslissing van de rechtbank om zijn verblijf te wijzigen en hem niet langer bij de pleegouders te laten wonen en evenmin met de beslissing van de rechtbank om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor plaatsing van [de minderjarige] bij de vader.
5.5
De machtiging die de rechtbank op 13 februari 2026 heeft gegeven voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader, gold tot 3 maart 2026 en is dus inmiddels verlopen. Bovendien is het verblijf van [de minderjarige] al gewijzigd en woont hij nu volledig bij de vader. Daardoor is de toetsingsruimte voor het hof beperkt tot een zogenaamde rechtmatigheidstoets. Het hof toetst of er op 13 februari 2026 redenen waren om het verzoek van de GI om toestemming om wijziging te brengen in het verblijf van [de minderjarige] bij de pleegouders af te wijzen en een machtiging voor de plaatsing van [de minderjarige] bij de andere ouder met gezag (de vader) af te geven.
5.6
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er op 13 februari 2026 geen redenen waren die het noodzakelijk maakten om het verzoek tot wijziging van het verblijf van [de minderjarige] af te wijzen en dat voldaan was aan de gronden voor het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader. Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank, sluit zich aan bij de motivering en maakt die na eigen onderzoek tot de zijne. Het hof voegt hieraan het volgende toe.
5.7
[de minderjarige] is enkele weken na zijn geboorte bij de pleegouders gaan wonen, omdat zijn ouders vanwege persoonlijke problematiek niet voor hem konden zorgen. Uit het dossier blijkt dat sprake is van een langdurig patroon van strijd en diskwalificatie tussen belangrijke personen (de pleegouders en ouders) voor [de minderjarige] . Deze situatie is ondanks de inzet van hulpverlening en rechterlijke uitspraken met een duidelijke boodschap niet verbeterd en heeft geleid tot veel onrust voor [de minderjarige] en een instabiele omgang tussen hem en zijn ouders. Volgens de GI is veelvuldig gebleken dat de pleegouders niet in staat zijn om zich neutraal op te stellen ten opzichte van de ouders, waardoor de zorg bestaat dat [de minderjarige] van de pleegouders niet de emotionele ruimte krijgt om onbelast contact met de ouders te hebben. Daarnaast stellen de pleegouders beslissingen van de GI regelmatig ter discussie en doen meldingen over de ouders. De band tussen de moeder en de pleegmoeder (oma mz) is vanwege gebeurtenissen in het verleden onherstelbaar beschadigd, aldus de moeder. Bij [de minderjarige] wordt aangepast gedrag gezien binnen de verschillende gezinssystemen. Hij vertoont kenmerken van een loyaliteitsconflict en is rondom de omgangsmomenten onrustig en aanhankelijk. Om het familiesysteem te verbeteren heeft de GI ingezet op systeemtherapie, maar door onvoldoende medewerking van alle partijen is dit niet van de grond gekomen. Het voorgaande heeft gemaakt dat de GI in april 2025 - dus nog voordat het perspectiefonderzoek door [naam2] was opgestart - een verzoek heeft ingediend tot wijziging van het verblijf van [de minderjarige] naar een neutraal pleeggezin. De kinderrechter heeft dit verzoek afgewezen. In mei 2025 is [naam2] gestart met een (nieuw) perspectiefonderzoek om te onderzoeken of [de minderjarige] bij een van zijn ouders kan opgroeien.
In juli 2025 is het onderzoek ten aanzien van de moeder afgesloten, omdat zij aangaf overvraagd te worden en haar leven onvoldoende op de rit te hebben om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te kunnen nemen. Dit heeft tot gevolg gehad dat het perspectief van [de minderjarige] niet bij haar kon worden bepaald. In het eindverslag van 11 september 2025 ten aanzien van de vader concludeert [naam2] - kort gezegd - dat [de minderjarige] bij de vader en oma (vz) kan wonen, dat zij competent zijn in de zorg en opvoeding van [de minderjarige] , dat hun veerkracht groot is en dat zij veel sociale steun ervaren. De verwachting is dat wanneer [de minderjarige] bij de pleegouders blijft wonen, de strijd tussen de ouders en de pleegouders onverminderd doorgaat, wat belemmerend is voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . Na een periode van opbouw woont [de minderjarige] sinds 19 april 2026 volledig bij de vader.
5.8
Het hof is, mede gelet op het in artikel 7 IVRK Pro vastgelegde recht van [de minderjarige] om (in beginsel) te worden verzorgd door zijn ouder(s), van oordeel dat de vader de gelegenheid moet krijgen de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen en dat [de minderjarige] daarmee de kans moet krijgen om verder bij zijn vader op te groeien. Op basis van het door [naam2] - naar het oordeel van het hof zorgvuldig - uitgevoerde perspectiefonderzoek kan de opvoedsituatie van de vader met de inzet van de juiste ondersteuning als voldoende worden beschouwd. Hoewel bij de vader ook zorgpunten aanwezig zijn, staan daar beschermende factoren tegenover. Uit de stukken en wat op zitting door de GI en de heer [naam1] (begeleider van de vader) naar voren is gebracht blijkt dat de vader al lange tijd een positieve ontwikkeling laat zien. Hij stelt zich meewerkend en begeleidbaar op, heeft een kort lijntje met zijn begeleider voor praktische en opvoedkundige vragen, heeft zelf contact gezocht met de huisartsenpraktijk voor zijn emotieregulatie en manieren gevonden om met stressvolle situaties om te gaan (wandelen, sporten). De vader rookt nog wel, maar blowt naar eigen zeggen niet meer. De door de pleegouders genoemde zorgen in dit verband zijn door de GI serieus genomen en met de vader besproken, maar worden door de GI en [naam2] niet herkend. De vader heeft een hecht en ondersteunend (familie)netwerk om zich heen waarop hij kan terugvallen, ook wanneer hij met zijn gezin zou gaan verhuizen naar een eigen woning (ergens in de buurt van de woonplek van zijn moeder).
5.9
De overplaatsing van [de minderjarige] heeft op een zorgvuldige manier en conform de adviezen van [naam2] plaatsgevonden. Uit de evaluatieverslagen (van maart en april 2026) blijkt dat het goed gaat met [de minderjarige] en dat hij zich in een positieve en veilige ontwikkelomgeving bevindt, waar sprake is van structuur en aandacht voor zijn emotionele behoeften. [de minderjarige] is net gestart op de basisschool en heeft het daar naar zijn zin, zo blijkt uit een brief van zijn juf. De moeder staat achter de plaatsing van [de minderjarige] bij de vader en gebleken is dat de verstandhouding en communicatie tussen de ouders is verbeterd. Dit draagt bij aan meer rust voor [de minderjarige] in zijn opvoedomgeving en hopelijk een stabielere omgangsregeling met de moeder. Hoewel de vader en [naam2] ook wel eens onrust bij [de minderjarige] waarnemen, zien zij over het algemeen een vrolijk mannetje dat gelukkig is, grapjes maakt en regelmatig fysieke nabijheid zoekt van de vader, zijn partner en oma (vz). Die spanning en onrust bij [de minderjarige] vindt het hof, net als de GI, niet zo vreemd gelet op de grote verandering in zijn woonsituatie en alle bijkomende emoties van de belangrijke mensen om hem heen, die hij ongetwijfeld meekrijgt. Het blijft belangrijk dat de GI zicht houdt op de nog prille situatie en de ontwikkeling van [de minderjarige] en blijft monitoren of de vader ook in de toekomst hulp blijft accepteren, bijvoorbeeld na een verhuizing.
5.1
Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat er geen noodzaak is om [de minderjarige] bij de pleegouders te laten (blijven) wonen en dus om het verzoek van de GI om wijziging van het verblijf van [de minderjarige] alsnog af te wijzen. Het hof merkt hierbij op dat de wijziging in het verblijf van [de minderjarige] niet betekent dat de pleegouders de afgelopen jaren niet goed voor [de minderjarige] hebben gezorgd. Integendeel, alle betrokkenen, onder wie de ouders, hebben ter zitting erkenning gegeven voor de liefdevolle zorg die de pleegouders [de minderjarige] hebben gegeven. Het is daarom belangrijk dat er aandacht is voor de hechtingsrelatie die zij samen hebben opgebouwd en dat het contact tussen (het gezin van) de pleegouders, als grootouders, en [de minderjarige] gewaarborgd blijft. Het hof gaat ervan uit dat alle betrokkenen zich daarvoor zullen inzetten in het belang van [de minderjarige] en dat de GI hierop zal toezien.
5.11
De inbreuk op het door artikel 8 EVRM Pro beschermde gezinsleven tussen de pleegouders (grootouders) en [de minderjarige] , is bij wet voorzien en naar het oordeel van het hof in deze omstandigheden gerechtvaardigd, mede nu de ontwikkeling van de band met zijn vader en halfbroertje (en overige familie) hierdoor wordt bevorderd. De wetgever heeft aan de GI een zekere beoordelingsruimte gelaten in artikel 1:265i BW waar het gaat om de beantwoording van de vraag of wijziging van de verblijfplaats in het belang van de minderjarige is. Uit de onderhavige beslissing volgt dat het verzoek van de GI om wijziging van de verblijfplaats van [de minderjarige] naar de vader niet in strijd is met zijn belang en daarmee ook niet in strijd met artikel 8 EVRM Pro en/of artikel 3 IVRK Pro. Bovendien is ook in het IVRK neergelegd dat een kind en zijn ouder(s) niet langer dan strikt noodzakelijk van elkaar kunnen worden gescheiden.
5.12
Ten behoeve van de plaatsing van [de minderjarige] bij de pleegouders was een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend. Een dergelijke machtiging is niet langer passend bij de huidige situatie, waarin [de minderjarige] bij de vader verblijft. Daarom is het hof, net als de rechtbank, van oordeel dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] noodzakelijk is dat een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader verleend moet worden.
De benoeming van een bijzondere curator
5.13
Op grond van artikel 1:250 BW Pro kan de rechter op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemen over een minderjarige als er een wezenlijk conflict bestaat tussen de minderjarige en degene die als wettelijk vertegenwoordiger met zijn verzorging en opvoeding is belast. De rechter mag slechts tot benoeming van een bijzondere curator overgaan, indien dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is, mede gezien de aard van de belangenstrijd tussen de minderjarige en de gezaghebbende ouder(s).
5.14
Nu er geen sprake is van een belangenstrijd (tussen de belangen van [de minderjarige] en de ouders) als bedoeld in artikel 1:250 BW Pro, ziet het hof geen aanleiding voor de benoeming van een bijzondere curator. Het hof acht zich voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te nemen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
in de zaak met nummer 200.367.328/02
verklaart de pleegouders niet-ontvankelijk in hun verzoek tot schorsing;
in de zaak met nummer 200.367.328/01
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van
13 februari 2026;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. B.J. Engberts en mr. C. Coster, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 11 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:265i lid 1 BW
2.artikel 1:265i lid 2 BW
3.artikel 1:265b lid 1 BW