Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3894

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
21-003730-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 287 SrArt. 26 Wwm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag en wapenbezit na schietincident in nachtclub

In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland heeft het hof Arnhem-Leeuwarden het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan. Verdachte werd vrijgesproken van woninginbraak op 4 april 2023 wegens onvoldoende bewijs, ondanks DNA-sporen en herkenning. Het hof achtte het bewijs onvoldoende wettig en overtuigend.

Ten aanzien van het schietincident op 29 september 2024 in een nachtclub te [plaats 1] heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte met een omgebouwd gaspistool, kwalificerend als vuurwapen, op het slachtoffer heeft geschoten met de bedoeling het leven te beroven. Het alternatieve scenario van verdachte dat het een alarmpistool betrof, werd verworpen op basis van forensisch onderzoek en camerabeelden.

Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren voor poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen. De vorderingen van benadeelde partijen tot schadevergoeding werden afgewezen omdat verdachte werd vrijgesproken van de woninginbraak. De officier van justitie werd niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep voor een deel van de tenlastelegging.

Het hof hield rekening met de ernst van het delict, de omstandigheden, het strafblad en persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een reclasseringsrapport dat een negatieve spiraal en verslavingsproblematiek signaleerde. De straf zal volledig onvoorwaardelijk worden uitgevoerd in detentie.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag en wapenbezit, vrijgesproken van woninginbraak.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003730-25
Uitspraakdatum: 10 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 26 augustus 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-323798-24 en 18-174778-24, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2000 in [plaats 1] ,
op dit moment verblijvende in P.I. [locatie] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van de zitting van het hof van 27 mei 2026 en de zitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • bewezenverklaring van het aan verdachte in de zaak met parketnummer
  • oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden;
  • toewijzing van de vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. D.C. Vlielander, hebben aangevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal aangegeven de bezwaren tegen de beslissing van de rechtbank ten aanzien van feiten 3 (primair en subsidiair) en 4 in de zaak met parketnummer 18-323798-24, te weten vrijspraak van verdachte, niet te handhaven. Hiermee bestaan aan de zijde van het openbaar ministerie geen grieven meer tegen dat deel van het vonnis. Het hof zal daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op het onder 3 (primair en subsidiair) en 4 ten laste gelegde.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 26 augustus 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte vrijgesproken van het aan hem in de zaak met parketnummer 18-174778-24 ten laste gelegde. De rechtbank heeft verdachte ter zake van het aan hem in de zaak met parketnummer 18-323798-24 onder 1 primair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. De rechtbank heeft de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 18-323798-24:
1. primair
hij op of omstreeks 29 september 2024 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 3] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen op deze [benadeelde 3] heeft geschoten in club [naam 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 29 september 2024 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een vuurwapen op deze [benadeelde 3] heeft geschoten in club [naam 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 29 september 2024 te [plaats 1] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een klein zwart model, kaliber 9mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
Zaak met parketnummer 18-174778-24 (gevoegd):
hij op of omstreeks 4 april 2023 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning, te weten [straatnaam] te [plaats 2] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), een geldbedrag van € 450,00 en/of twee zilveren kettingen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 2] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [benadeelde 2] een harde klap tegen zijn achterhoofd te geven en/of een trap in zijn rug te geven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit.
Ten aanzien van de feiten in de zaak met parketnummer 18-323798-24 heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte heeft geschoten met een alarmpistool. Op basis van de forensische bevindingen omtrent het wapen en de aangetroffen kogel, en het feit dat de kleding van slachtoffer [benadeelde 3] niet door een kogel is doorboord, kan volgens de verdediging niet worden vastgesteld dat verdachte heeft geschoten met een vuurwapen. Hiermee kan zowel het opzet van verdachte op de mogelijke dood van [benadeelde 3] als het voorhanden hebben van een vuurwapen niet wettig en overtuigend worden bewezen.
Ten aanzien van het feit in de zaak met parketnummer 18-174778-24 heeft de raadsman naar voren gebracht dat het aangetroffen DNA van verdachte op de plaats delict onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. De herkenning van verdachte in de buurt van de plaats delict een week voor de inbraak en de enkele constatering dat verdachte eens is gezien in een Audi A6, terwijl bij de inbraak een Audi A6 is gezien, bieden onvoldoende steunbewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde.

Oordeel van het hof

Vrijspraak (zaak met parketnummer 18-174778-24)
De rechtbank heeft in het vonnis over het in de zaak met parketnummer 18-174778-24 ten laste gelegde het volgende overwogen:
Mevrouw [benadeelde 1] heeft aangifte gedaan van een woninginbraak die op 4 april 2023 heeft
plaatsgevonden. [benadeelde 1] kwam thuis op het moment van de inbraak waardoor de daders op
de vlucht zijn geslagen. Een buurtbewoner, aangever [benadeelde 2] , is achter de daders
aangegaan en heeft vervolgens tijdens een worsteling met de daders een harde klap op zijn
hoofd gekregen en daarbij verwondingen opgelopen.
Het dossier bevat een aantal bevindingen die zouden kunnen duiden op betrokkenheid van
verdachte bij deze woninginbraak. Er is bij sporenonderzoek in de woning een pakje
sigaretten aangetroffen en veiliggesteld. Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch
Instituut blijkt dat op het pakje sigaretten een DNA-mengprofiel van minimaal twee
personen is aangetroffen, waaronder een DNA-profiel dat matcht met het DNA-profiel van
verdachte, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Daarnaast past verdachte volgens de politie in het door aangeefster gegeven signalement van een van de inbrekers, te weten een Marokkaanse of Turkse jongen, 1.83 à 1.85 meter lang, normaal postuur en een baardje. Verder bevindt zich een foto in het dossier van een man die zich ongeveer een week voorafgaand aan de woningbraak verdacht ophield in de straat van aangeefster. De man op de foto is door de politie herkend als verdachte.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn bovenstaande bevindingen onvoldoende voor een
bewezenverklaring van de ten laste gelegde woninginbraak. Dat er DNA-materiaal dat
matcht met het DNA-profiel van verdachte is aangetroffen op een pakje sigaretten in de
betreffende woning, rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat het verdachte moet zijn geweest die de inbraak in de woning heeft gepleegd. Verdachte heeft verklaard dat hij rookt
zodat het zou kunnen dat het pakje sigaretten van hem was maar dat hij het ergens anders is
kwijtgeraakt, in handen heeft gehad of ergens heeft laten liggen. Nu een pakje sigaretten een
verplaatsbaar object betreft en verdachtes verklaring niet als onaannemelijk terzijde kan
worden geschoven mede gelet op het feit dat er een DNA-mengprofiel is aangetroffen, kan
op basis van het aangetroffen DNA van verdachte niet worden vastgesteld dat verdachte
degene is geweest die het pakje sigaretten tijdens de woninginbraak in de woning heeft
achtergelaten.
De overige, hiervoor genoemde, omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank
onvoldoende om betrokkenheid van verdachte bij de inbraak te kunnen vaststellen. Het
signalement waar verdachte volgens de politie in zou passen is namelijk erg algemeen en
bevat geen onderscheidende kenmerken die concreet in de richting van verdachte wijzen als
een van de daders. Voorts heeft de herkenning van de man op de foto die zich een week voor de woninginbraak verdacht ophield in de straat van aangeefster weinig bewijswaarde door de manier waarop de herkenning van verdachte door de politie wordt beschreven. Er wordt in die beschrijving niet onderbouwd op basis van welke uiterlijke kenmerken en/of ambtshalve ervaringen de man op de foto wordt herkend als de verdachte. Evenmin is duidelijk welke verbalisanten verdachte zouden hebben herkend. De herkenning voldoet daarmee niet aan de daarvoor gestelde juridische vereisten en kan daarom niet bijdragen aan het bewijs.
Mogelijk was de rechtbank tot een andere conclusie gekomen als door de verbalisanten duidelijk was omschreven op basis van welke specifieke kenmerken zij verdachte meenden te herkennen op de foto.
Het hof sluit zich bij deze overweging aan en neemt die over.
In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.
De advocaat-generaal heeft op de zitting van het hof een aanvullend proces-verbaal van bevindingen overgelegd, waarin de herkenning van verdachte op de foto door verbalisant Veenje is toegelicht.
Naar het oordeel van het hof licht de verbalisant ook in dit proces-verbaal in onvoldoende mate toe aan welke specifieke kenmerken hij verdachte heeft herkend om vast te stellen dat de persoon op de foto verdachte is. Bovendien betreft het een foto die een week voor de inbraak is gemaakt in de straat van aangeefster.
Uit de foto kan naar het oordeel van het hof in onvoldoende mate de betrokkenheid van deze persoon bij deze woninginbraak worden afgeleid.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Het hof zal verdachte daarvan dan ook vrijspreken.
Bewijsoverweging (zaak met parketnummer 18-323798-24)
Het hof overweegt dat niet ter discussie staat dat verdachte op 29 september 2024 in club [naam 1] in [plaats 1] is geweest, dat hij een wapen bij zich had en daarmee heeft geschoten.
De vraag is of dat wapen een vuurwapen betreft en of verdachte met zijn handelen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van slachtoffer [benadeelde 3] .
Het hof overweegt dat op camerabeelden van club [naam 1] te zien is dat in de club ruzie ontstaat en dat verdachte bij deze ruzie betrokken is.
Verdachte heeft zichzelf herkend op de camerabeelden. Te zien is dat verdachte een voorwerp gelijkend op een vuurwapen pakt en een beweging maakt die lijkt op het doorladen van dat wapen. Kort daarna is een lichtpuntje te zien aan de monding van het wapen, waaruit is af te leiden dat met het wapen is geschoten.
Slachtoffer [benadeelde 3] verklaart bij de politie dat hij een schot hoorde en daarna pijn in zijn buik voelde. Toen hij keek zag hij een wondje aan de linkerkant van zijn buik.
Tijdens forensisch onderzoek wordt in de club een kogel aangetroffen. Uit onderzoek naar deze kogel blijkt dat hierop geen afdrukken van trekken en velden zichtbaar zijn. Dit wijst erop dat de kogel naar alle waarschijnlijkheid is afgeschoten met een omgebouwd gaspistool. Uit een zoekslag in politiesystemen komt naar voren dat er voor 29 september 2024 geen schietincidenten hebben plaatsgevonden in club [naam 1] of voorloper club [naam 3] . Het hof leidt hieruit af dat de aangetroffen kogel moet zijn afgeschoten met het wapen van verdachte.
Het hof acht het alternatieve scenario dat verdachte naar voren heeft gebracht, te weten dat hij met een alarmpistool heeft geschoten waaruit geen projectielen worden afgevuurd, onaannemelijk in het licht van voornoemde forensische bevindingen omtrent de aangetroffen kogel en het wapen. Dit te meer omdat verdachte enkel heeft verklaard dat het wapen een alarmpistool betrof, zonder dit nader te onderbouwen.
Het hof verwerpt daarom het alternatieve scenario.
Ook het feit dat de kleding van slachtoffer [benadeelde 3] niet door een kogel is doorboord, maakt het oordeel van het hof niet anders. In de situatie rondom het incident, waarin door de betrokkenen over en weer ruzie met elkaar werd gemaakt en naar elkaar werd uitgehaald, acht het hof het aannemelijk dat met deze bewegingen de kleding van [benadeelde 3] zich op het moment van het afschieten van de kogel niet voor zijn huid bevond.
Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat kan worden vastgesteld dat verdachte heeft geschoten met een vuurwapen, te weten een omgebouwd gaspistool. Het is een feit van algemene bekendheid dat door op korte afstand gericht met een vuurwapen op iemands middel te schieten de aanmerkelijke kans bestaat dat het slachtoffer aan vitale lichaamsdelen geraakt zou worden en daardoor komt te overlijden.
Verdachte wordt dus ook geacht dat te weten nu daarvoor geen contra-indicaties bestaan. Door dat toch te doen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dat [benadeelde 3] zou kunnen komen te overlijden. Dus heeft verdachte gepoogd om [benadeelde 3] van het leven te beroven.
Het hof acht feit 1 primair dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van het voorhanden hebben van een vuurwapen overweegt het hof dat de tenlastelegging zo moet worden gelezen dat verdachte wordt verweten het wapen voorhanden te hebben gehad waarmee is geschoten.
Gelet hierop en op voorgaande overwegingen, acht het hof ook feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsmiddelen

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
1. De verklaring van verdachte op de zitting van de rechtbank d.d. 12 augustus 2025:
Ik was in de nacht van 28 op 29 september 2024 in club [naam 1] . Ik herken mijzelf op de beelden van club [naam 1] die ter zitting zijn bekeken.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 september 2024, opgenomen op pagina 152 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland, met nummer NN1R024106, onderzoek LISTER, d.d. 2 december 2024, inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Op 29 september 2024 verklaarde [verdachte] het volgende:“Ik was afgelopen nacht in [naam 1] [plaats 1] . Op een gegeven moment was er een ruzie/vechtpartij waar ik ook bij betrokken was en toen hoorde ik een schot. Na die knal voelde ik een pijn in mijn buik. Ik ging kijken en zag een wondje aan de linkerkant van mijn buik."
Wij verbalisanten zagen dat er een oppervlakkige wond aan de linkerkant van de buik zat. Wij zagen dat het wondje ongeveer 1,5 cm groot was.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 oktober 2024, opgenomen op pagina 169 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Op 29 september 2024 werden twee digitale recorders inbeslaggenomen van club [naam 1] . In dit proces-verbaal worden de beelden van deze recorders beschreven en geanalyseerd. Op enig moment zie ik dat [benadeelde 3] een slaande beweging met zijn rechterarm maakt in de richting van het gelaat van [naam 2] . Wat hierop volgt is dat de groep personen die bij [verdachte] staat zich stort op [benadeelde 3] . Onderweg naar [benadeelde 3] is te zien dat [verdachte] een voorwerp ter hand neemt. Dit voorwerp wordt ergens op heuphoogte gepakt door [verdachte] . Na een schermutseling komt [verdachte] ten val op de vloer. In deze val is te zien dat hij een voorwerp vasthoudt in zijn rechterhand. Het voorwerp is gelijkend op een vuurwapen. Het voorwerp zal daarom vanaf nu in het proces-verbaal vuurwapen genoemd worden. [verdachte] staat vervolgens op. Ik zie dat [verdachte] wat afstand creëert en het lijkt erop alsof hij trekt aan de bovenzijde van het vuurwapen. Dit is gelijkende beweging als het doorladen van een vuurwapen. Nadat [verdachte] weer stabiel staat en afstand heeft genomen zie ik dat hij met twee handen het vuurwapen naar voren houdt. Ik zie dat het voorwerp door [verdachte] gericht wordt en gericht gehouden wordt. Ik zie dat hij zijn wapen richt op het slachtoffer [benadeelde 3] . Ik zie tevens op enig moment dat er een lichtpuntje verschijnt aan de monding van het vuurwapen, hetgeen overeenkomt met het afvuren van een projectiel door een vuurwapen.
4. De eigen waarneming van de rechtbank van de camerabeelden van club [naam 1] , gedaan op de zitting d.d. 12 augustus 2025:
De rechtbank ziet op de beelden van club [naam 1] dat verdachte - die zichzelf herkent op deze beelden - op enig moment een op een vuurwapen lijkend voorwerp op slachtoffer [benadeelde 3] richt. Verdachte richt het wapen op het midden van het lichaam.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek misdrijf ( [adres] ) d.d. 4 oktober 2024, opgenomen op pagina 202 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 6] :
Op 29 september 2024 werd een projectiel aangetroffen in de hoek van een hal tussen de kluisjesruimte en de clubruimte waar het schietincident zich zou hebben afgespeeld. Gelet op de hoeveelheid mensen die aanwezig waren tijdens het incident is het mogelijk dat het projectiel op enig moment is verplaatst naar de positie waarop deze werd aangetroffen. Ik zag dat dit projectiel een kogel betrof met een mantel en een ogenschijnlijk loden kern. Door mij werd de diameter van het projectiel opgemeten (9 millimeter).
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 oktober 2024, opgenomen op pagina 208 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Met betrekking tot een aangetroffen projectiel (kogel), kan ik, op basis van mij getoond beeldmateriaal, het volgende voorlopig verklaren:
Gelet op de afmetingen van het projectiel betreft het hier naar alle waarschijnlijkheid een kogel (projectiel) van het kaliber 9 millimeter Kort (.380 auto) type volmantel. Gelet op het feit dat op de afbeeldingen geen afdrukken van trekken en velden op het projectiel zichtbaar zijn, is dit projectiel naar alle waarschijnlijkheid afgeschoten met behulp van een omgebouwd gaspistool. Trekken en velden zijn spiraalvormige langsgroeven aan de binnenzijde van een loop welke het langskomende projectiel een draaiing meegeven waardoor deze een accurate baan aflegt buiten het vuurwapen. Een intact gaspistool is vanaf de fabriek voorzien van een open loop met sper (blokkering). Een dergelijk wapen is derhalve niet geschikt voor het verschieten van kogelpatronen. Voornoemde sper wordt in veel gevallen verwijderd en in het ontstane gat wordt een glad metalen buisje geperst welke dienst doet als nieuwe (binnen) loop. Dit gladde metalen buisje laat geen sporen in de vorm van trekken en velden achter op een afgeschoten projectiel. Daarnaast zal de (gas)afdichting tussen projectiel en loop niet optimaal zijn waardoor verlies in druk en snelheid van het projectiel zal optreden. Een gaspistool heeft een open loop waardoor een stof verschoten kan worden middels scheikundige werking. Derhalve is een gaspistool een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie Pro lil lid I van de Wet wapens en munitie. Met het ombouwen van een gaspistool is de bestemming gewijzigd en is deze geschikt gemaakt voor het verschieten van kogelpatronen.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 februari 2025, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 5] ”
Club [naam 1] is op 23 februari 2024 voor het eerst open gegaan. Voor club [naam 1] zat uitgaansgelegenheid club [naam 3] erin gevestigd. Ik trof geen registraties/meldingen/incidenten aan waaruit bleek dat er eerder een schietincident in club [naam 1] dan wel in club [naam 3] heeft plaatsgevonden. Van het IK kreeg ik terug dat ook zij geen registraties hadden gevonden over een eerder schietincident in club [naam 1] .

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-323798-24 onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 18-323798-24:
1.primair
hij op 29 september 2024 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 3] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen op deze [benadeelde 3] heeft geschoten in club [naam 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 29 september 2024 te [plaats 1] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, zijnde een vuurwapen, kaliber 9 mm, in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 18-323798-24 onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Het in de zaak met parketnummer 18-323798-24 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door op korte afstand gericht te schieten op slachtoffer [benadeelde 3] . Het schietincident vond plaats in een nachtclub in [plaats 1] tijdens een vechtpartij tussen vrienden van verdachte en een aantal andere mannen. [benadeelde 3] is in zijn buik geraakt en mag van geluk spreken dat zijn letsel beperkt is gebleven tot oppervlakkig schampletsel. Verdachte heeft met zijn handelen niet alleen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde 3] , maar ook gevoelens van onveiligheid veroorzaakt bij de overige aanwezigen in de nachtclub. Daarbij dragen misdrijven als onderhavige bij aan een gevoel van maatschappelijke angst en onveiligheid.
Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen. Zoals blijkt uit onderhavige feiten kan het aanwezig hebben van wapens gemakkelijk leiden tot het gebruik ervan. Ongecontroleerd wapenbezit vormt een onaanvaardbaar risico voor de maatschappij.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 28 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting van het hof naar voren zijn gekomen.
Het hof heeft kennisgenomen van een verdachte betreffend reclasseringsrapport d.d. 26 februari 2025. Hierin schrijft de reclassering dat bij verdachte sprake is van een toename in ernst van delictgedrag. De reclassering concludeert dat verdachte vanaf zijn negentiende in toenemende mate in een negatieve spiraal terechtkwam, waarbij sprake is van verslavingsproblematiek, een negatief sociaal netwerk, cognitieve tekorten en een procriminele houding.
Het hof overweegt dat feiten als de onderhavige, gelet op hun aard en ernst, vragen om oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Alles afwegende acht het hof dan ook het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 700,00 ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over oorspronkelijke vordering.
Verdachte wordt niet schuldig verklaard aan het in de zaak met parketnummer 18-174778-24 bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de schade zou zijn ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,00 ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over oorspronkelijke vordering.
Verdachte wordt niet schuldig verklaard aan het in de zaak met parketnummer 18-174778-24 bewezenverklaarde ten laste gelegde handelen waardoor de schade zou zijn ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-323798-24 onder 3 primair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-174778-24 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-323798-24 onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-323798-24 onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Hielkema, mr. T.H. Bosma en mr. L.J. Hofstra, in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 juni 2026.