Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3938

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.367.785
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 onder a en b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ondertoezichtstelling wegens wegvallen ernstige ontwikkelingsbedreiging

De kinderrechter stelde een minderjarige onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI) vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging, waaronder verlatingsangst, stotteren, terugval in zindelijkheid en stress door ingrijpende gebeurtenissen in het gezin.

De ouders gingen in hoger beroep tegen deze ondertoezichtstelling en stelden dat de bedreiging niet meer aanwezig was en dat zij bereid waren vrijwillige hulp te accepteren. Ter onderbouwing overlegden zij een uitgebreid e-mailbericht van de leerkracht waarin een positieve ontwikkeling en sociaal functioneren van de minderjarige werd beschreven.

Tijdens de zitting erkende de GI dat er nog geen jeugdbeschermer was toegewezen, maar dat huisbezoeken geen grote zorgen opleverden. Het hof concludeerde dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet langer bestond, mede gelet op de positieve schoolrapportage en de meewerkende houding van de ouders.

Het hof bekrachtigde de ondertoezichtstelling tot aan de datum van de uitspraak, maar vernietigde deze met ingang van die datum en wees het verzoek tot voortzetting af. De ouders toonden zich in staat om hulpverlening in het vrijwillig kader te accepteren en er blijft toezicht vanuit school.

De uitspraak werd gedaan door drie raadsheren van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 16 juni 2026.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt per direct beëindigd omdat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet langer bestaat en de ouders voldoende meewerken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
zaaknummer gerechtshof 200.367.785
zaaknummer rechtbank Gelderland 461519
beschikking van 16 juni 2026
over de ondertoezichtstelling van [de minderjarige]
in de zaak van

1.[verzoekster] (de moeder)

2.
[verzoeker](de vader)
die wonen in [woonplaats]
advocaat: mr. D.E. Post
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
die kantoor houdt in Arnhem
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland(de GI)
die is gevestigd in Arnhem, locatie Ede

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 5 februari 2027.
Het hof beslist dat de kinderrechter [de minderjarige] terecht onder toezicht heeft gesteld, maar dat nu geen ondertoezichtstelling meer nodig is. Het hof zal deze beslissing hierna uitleggen.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren [in] 2021.
2.2.
De moeder heeft het gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] woont bij zijn ouders.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De raad heeft verzocht [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de raad toegewezen en [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 5 februari 2027.
3.3.
Die beslissing is uitgesproken op 5 februari 2026 en schriftelijk vastgelegd op 10 februari 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De ouders zijn het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komen daar van in hoger beroep. De ouders willen dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
4.2.
De raad en de GI willen dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift op 20 april 2026;
  • een journaalbericht namens de ouders van 15 mei 2025 met een bijlage.
4.4.
De zitting bij het hof was op 26 mei 2026. Aanwezig waren:
  • de ouders met mr. M.D. Balesar;
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad);
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening.
Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen [1] . Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
Hoe oordeelt het hof?
De situatie tot vandaag
5.2.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, omdat zijn ontwikkeling ten tijde van de bestreden beschikking achteruit ging. [de minderjarige] liet zich op de dagbehandeling minder goed begrenzen en liet in toenemende mate verlatingsangst zien. Verder heeft de kinderrechter overwogen dat [de minderjarige] meer stotterde en een terugval had in zijn zindelijkheid. Bovendien heeft de kinderrechter overwogen dat [de minderjarige] ingrijpende gebeurtenissen had meegemaakt. [de minderjarige] was meermaals van woonplek gewisseld, had zijn vader tijdelijk moeten missen en zijn halfzus was uit huis geplaatst. Daardoor was er veel stress in het gezin, er waren financiële zorgen en er waren vermoedens van middelengebruik. De kinderrechter heeft bovendien overwogen dat de ouders onvoldoende bereid en in staat waren om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen. Daarom hadden de ouders naar het oordeel van de kinderrechter de hulp van een jeugdbeschermer nodig om overzicht te krijgen op de situatie. Tot slot oordeelde de kinderrechter dat er meer zicht moest komen op de opvoedsituatie van [de minderjarige] , zodat dat passende hulpverlening kon worden ingezet.
5.3.
Het hof onderschrijft het oordeel van de kinderrechter dat [de minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikking ernstig in zijn ontwikkeling werd bedreigd. Er waren op verschillende leefgebieden ernstige zorgen en de ouders waren op dat moment niet in staat om [de minderjarige] te bieden wat hij nodig had. De kinderrechter heeft [de minderjarige] daarmee terecht onder toezicht gesteld.
De situatie vanaf vandaag
5.4.
De ouders zijn het met de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] niet eens en voeren in hoger beroep aan dat [de minderjarige] niet ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Bovendien, zo voeren de ouders aan, is een ondertoezichtstelling niet noodzakelijk. Tot slot menen de ouders dat zij in staat zijn om hulpverlening in het vrijwillig kader te accepteren.
5.5.
Ter onderbouwing hebben de ouders in hoger beroep een e-mailbericht van de leerkracht van [de minderjarige] van 10 april 2026 overgelegd. In dit uitvoerige e-mailbericht is het volgende te lezen:

Goedemiddag,
Bij deze de informatie over [de minderjarige] hoe het gaat op school. Hieronder een stuk uit het laatste OPP [de minderjarige] komt over het algemeen opgewekt naar school en maakt een ontspannen indruk. Hij profiteert van de regels en de structuur in de klas waardoor hij weet waar hij aan toe is en dat geeft hem houvast. [de minderjarige] wil graag veel aandacht van de leerkracht en zoekt haar veelvuldig op. Hij kan genieten van de individuele aandacht en houdt van grapjes. [de minderjarige] vindt het lastig te accepteren dat hij niet altijd meteen de aandacht krijgt als hij dat wil. Hij loopt vaak naar de leerkracht toe terwijl dat niet de bedoeling is. Daarnaast is hij zeer alert op wat er in zijn omgeving gebeurt en stoort andere kinderen tijdens zelfstandig spelen. Hij loopt veel door de klas en vindt het lastig om zich langere tijd op zijn spel te richten. Hij is hier lastig in te sturen. Met het stoplicht zijn wij bezig met het oefenen met uitgestelde aandacht. En met het zelfstandig spelen, op jezelf letten zonder andere kinderen te storen, te belonen. In de klas maakt [de minderjarige] gemakkelijk contact met de andere kinderen en andere kinderen ook met hem. [de minderjarige] is populair in de groep en andere kinderen willen graag met hem spelen. Hij heeft een duidelijke voorkeur met wie hij wel of niet wil spelen en kan dit ook benoemen. Tijdens het samenspelen kan hij heel rustig en geconcentreerd samenspelen met de andere kinderen waarbij hij kan onderhandelen en geen moeite heeft om materialen te delen maar het gebeurt ook regelmatig dat hij tijdens het samenspelen zich mee laat slepen in druk en wild gedrag waardoor hij ruzie krijgt en de leerkracht moet ingrijpen. [de minderjarige] kan ook heel lief en behulpzaam zijn naar zijn klasgenoten toe. [de minderjarige] heeft de afgelopen periode een goede ontwikkeling laten zien op de doelen van spelwerkhouding. Zijn werk en luisterhouding zijn goed en [de minderjarige] is leergierig en gemotiveerd om aan het werk te gaan. [de minderjarige] heeft geen aansporing nodig om aan het werk te gaan en heeft er zichtbaar plezier in. Hij kan na een korte uitleg zelfstandig aan het werk en doorwerken tot zijn taak af is. Tijdens kringactiviteiten doet [de minderjarige] wisselend actief mee en is over het algemeen betrokken bij het onderwerp. Het blijft voor hem wel lastig om rustig op zijn stoel te blijven zitten en zich aan de afspraken van de kring te houden zoals op zijn beurt te wachten en stille vinger opsteken en heeft hier extra hulp bij nodig. Tijdens spelmomenten is het voor [de minderjarige] lastig om zijn aandacht langere tijd op zijn spel te richten. Hij wisselt regelmatig van spel en loopt regelmatig door de klas terwijl dat niet bedoeling is. Ook het stoplicht en de afspraken hierom heen werken onvoldoende. Hij trekt zijn eigen plan en is hier moeilijk in te
sturen.
Het contact met ouders verloopt goed. Ik heb regelmatig contact met moeder en [de minderjarige] komt goed verzorgt op school en heeft voldoende eten, drinken en fruit bij zich.
5.6.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben de ouders verder verklaard dat het heel goed gaat met [de minderjarige] . [de minderjarige] ontwikkelt zich op school bovengemiddeld goed en het is een heel sociaal jongetje. De ouders vragen zich af waarom eventuele zorgen niet in het vrijwillig kader kunnen worden weggenomen. De moeder heeft al verschillende hulpverleningstrajecten met succes doorlopen en zij zet zich ook actief in om het trauma van [de minderjarige] over de uithuisplaatsing van zijn oudere zus te verwerken. Er is bovendien nog geen jeugdbeschermer voor [de minderjarige] aangesteld. Daaruit volgt volgens de ouders dat er geen ernstige ontwikkelingsbedreiging is.
5.7.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling op 26 mei 2026 gevraagd om de ondertoezichtstelling in stand te laten. De raad ziet dat er ook dingen goed gaan in het gezin van [de minderjarige] , maar het geheel van zorgen en de complexiteit van de problemen binnen het gezin van [de minderjarige] maken volgens de raad een ondertoezichtstelling noodzakelijk.
5.8.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat er - in verband met capaciteitsproblemen - nog geen jeugdhulpverlener aan [de minderjarige] is gekoppeld. Naar verwachting zal er enkele weken na de mondelinge behandeling in hoger beroep een jeugdbeschermer beschikbaar zijn. Wel zijn er twee keer medewerkers van het monitoringsteam van de GI op huisbezoek geweest. Bij beide bezoeken zijn geen grote zorgen geconstateerd en is een positieve risicotaxatie afgenomen.
5.9.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat ten tijde van de mondelinge behandeling onvoldoende is gebleken dat nog langer sprake is van een
ernstigeontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] . Dit betekent dat het hof de ondertoezichtstelling met ingang van heden zal beëindigen.
5.10.
Van de door de kinderechter geconstateerde achteruitgang in de ontwikkeling van [de minderjarige] , de toenemende verlatingsangst en de moeilijke begrenzing van [de minderjarige] lijkt geen sprake meer te zijn. Het hof wijst in dit kader op het e-mailbericht van de leerkracht van school waaruit blijkt dat [de minderjarige] weliswaar een beweeglijk jongetje is, maar dat hij zich goed ontwikkelt en dat hij baat heeft bij de structuur die hem worden aangeboden. De leerkracht benoemt hierbij geen grote zorgen. Daarnaast zijn uit twee, op verschillende momenten afgenomen, risicotaxaties van de GI geen grote zorgen naar voren gekomen. Desgevraagd heeft de raad de complexe problemen binnen het gezin ook niet nader kunnen onderbouwen, maar uitsluitend verwezen naar het raadsrapport. Het hof is niet gebleken dat de ouders niet in staat of niet bereid zijn om in het vrijwillig kader hulpverlening te accepteren. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken verklaard dat zij meerdere hulpverleningstrajecten met succes heeft doorlopen en dat zij hulp heeft gezocht voor [de minderjarige] om de uithuisplaatsing van zijn oudere zus te verwerken. Uit het dossier blijkt dat de ouders zowel de GI als de raad wantrouwen. Dat houdt sterk verband met de eerdere, vrij recente, uithuisplaatsing van de oudere zus van [de minderjarige] . Ondanks dat wantrouwen heeft de moeder zich bij beide huisbezoeken van de GI meewerkend opgesteld. Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof dat de moeder in staat is om haar eigen bezwaren in het belang van [de minderjarige] in voldoende mate opzij te zetten. Tot slot overweegt het hof dat er vanuit school zicht blijft er op de situatie en ontwikkeling van [de minderjarige] .

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 10 februari 2026 over de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] , voor zover deze zich uitstrekt over de periode tot heden;
6.2.
vernietigt diezelfde beschikking met ingang van heden en beslist:
6.3.
wijst het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] af met ingang van heden.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, J.U.M. van der Werff en S. Kuijpers, en is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:255 lid 1 onder Pro a en b BW