ECLI:NL:GHARL:2026:3941

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.354.384
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep omgangsregeling pleegkind met pleegouders en vakanties

In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de omgangsregeling tussen een minderjarige en haar pleegouders herzien. Het hof bevestigt het belang van een gestructureerde omgangsregeling, waarbij de weekenden voortaan vaste aanvangs- en eindtijden krijgen om de rust en duidelijkheid voor het kwetsbare kind te waarborgen.

De pleegouders wensen intensiever contact, inclusief vakanties en feestdagen, terwijl de gecertificeerde instelling (GI) en de raad de noodzaak van duidelijke afspraken en rust benadrukken. Uit het diagnostisch onderzoek blijkt dat de minderjarige sterk afhankelijk is van volwassenen voor regelhandhaving en functioneert op een lager niveau dan haar kalenderleeftijd.

Het hof volgt het advies van de GI en de raad en bepaalt dat de omgang voortaan één keer per twee weken plaatsvindt van zaterdag 10:00 uur tot zondag 15:30 uur. Daarnaast krijgt de minderjarige tien dagen per jaar vakantie- en feestdagen bij de pleegouders, waarvan minimaal één aaneengesloten periode van vijf dagen. De exacte dagen worden jaarlijks in overleg vastgesteld.

De beschikking van de rechtbank Gelderland wordt vernietigd en vervangen door deze nieuwe regeling, die uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

Uitkomst: Het hof wijzigt de omgangsregeling en bepaalt vaste tijden voor weekenden en vakanties ten behoeve van het belang van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.384
(zaaknummer rechtbank Gelderland 443110)
beschikking van 16 juni 2026
inzake
[Verzoeker1](de pleegvader),
en
[verzoeker2](de pleegmoeder),
beiden wonende te [woonplaats1] , gemeente [gemeente1] ,
verzoekers in hoger beroep,
verder te noemen: de pleegvader en de pleegmoeder, samen de pleegouders,
advocaat: mr. C.A. Spekschoor,
en
de gecertificeerde instelling
[verweerster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats1] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 27 november 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
In die tussenbeschikking heeft het hof een voorlopige omgangsregeling bepaald en de GI gevraagd het hof, de advocaat van de pleegouders en de raad te informeren over:
- hoe het met [de minderjarige] gaat;
- de voortgang van de omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de pleegouders;
- de samenwerking tussen de GI en de pleegouders;
- het verloop en invulling van de vakantieregeling;
- de ontwikkeling van het contact tussen [de minderjarige] en haar ouders.
1.3
Het hof heeft sinds de tussenbeschikking nog de volgende stukken ontvangen:
- een brief met bijlagen van de GI, op 21 april 2026;
- een journaalbericht namens de pleegouders met bijlage (brief van [naam1] ) van
5 mei 2026.
1.4
[de minderjarige] is uitgenodigd te vertellen wat zij vindt van het contact met de pleegouders, maar zij heeft doorgegeven dat zij daarvan geen gebruik wil maken.
1.5
Op 12 mei 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. Pleegvader was aanwezig met zijn advocaat. Pleegmoeder lag in het ziekenhuis en kon daarom niet aanwezig zijn. Namens de GI en de raad waren vertegenwoordigers aanwezig.

2.De motivering van de beslissing

2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van
27 november 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof met partijen en de raad de door de GI ingebrachte stukken besproken. In die stukken is verslag gedaan van de omgang van [de minderjarige] met haar pleegouders en van de omgang van [de minderjarige] met haar biologische moeder. Over het contact met de pleegouders heeft [naam2] verklaard dat na de weekenden bij de pleegouders de begeleiders ander gedrag zien bij [de minderjarige] . Ze kan onzekerder overkomen, verdrietig zijn en juist dan uit contact zijn. Gezien het belang van [de minderjarige] adviseert [naam2] om de weekenden bij pleegouders gelijk te trekken. Dat houdt in om het weekend een nacht logeren bij pleegouders in plaats van wisselen tussen een en twee nachten zoals bepaald door het hof in de eerdere tussenbeschikking. Dit geeft meer structuur en duidelijkheid voor [de minderjarige] . Het advies van [naam2] is dat [de minderjarige] op zaterdagmorgen om 10:00 uur wordt opgehaald door de pleegouders en wordt teruggebracht op zondagmiddag 15:30 uur. De GI heeft zich aangesloten bij dit advies.
2.3
Namens de pleegouders is naar voren gebracht dat zij graag zo veel mogelijk contact hebben met [de minderjarige] . De vorige mondelinge behandeling was zeer emotioneel voor met name pleegmoeder, maar inmiddels zijn pleegouders in rustiger vaarwater gekomen. Er is meer duidelijkheid over hun rol en ook die van de GI. Hierbij speelde [naam1] de rol als bruggenbouwer, want die kon pleegouders goed begeleiden en dingen uitleggen. De pleegouders hebben een belangrijke rol in het leven van [de minderjarige] . Uit de omgangsverslagen blijkt niet dat er contra-indicaties zijn voor omgang of dat de omgang niet goed ging. Pleegouders willen [de minderjarige] het liefst zien van vrijdag tot en met zondag en ook vakanties en feestdagen met haar doorbrengen.
2.4
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat [de minderjarige] veel mensen om haar heen heeft die om haar geven. Die zijn belangrijk en moeten in haar leven blijven. Naast de pleegouders zullen ook de biologische moeder en op termijn ook de biologische vader een plek hebben in het leven van [de minderjarige] . De raad leest zorgen in de verslagen, want voor [de minderjarige] voelt het alsof alle volwassenen aan haar trekken. [de minderjarige] is bijzonder kwetsbaar en zij heeft rust en duidelijkheid nodig voor haar ontwikkeling. [naam2] is de plek waar [de minderjarige] opgroeit. Ze woont in die opvoedsituatie en de regels vanuit [naam2] gelden. De pleegouders staan aan de zijlijn en kunnen [de minderjarige] ondersteunen en stimuleren in haar ontwikkeling. De belangrijke band met haar pleegouders moet behouden blijven en daar is geen discussie over. De omgang met [de minderjarige] en haar pleegouders verloopt goed, maar het is beter als de omgangsweekenden voor [de minderjarige] altijd hetzelfde verlopen met dezelfde tijden. Het advies van de raad is om in het belang van [de minderjarige] het voorstel van [naam2] over de omgang te volgen.
2.5
Het hof sluit zich aan bij het advies van de raad. Uit het diagnostisch onderzoek dat vorig jaar is afgenomen blijkt dat [de minderjarige] sterk afhankelijk is van volwassenen voor regelhandhaving. Ze is een lief, sociaal en kwetsbaar meisje, maar heeft voortdurende sturing nodig in haar gedrag en keuzes. Het onderzoek laat zien dat [de minderjarige] voornamelijk functioneert op een lager niveau dan haar kalenderleeftijd, met afwisselend sterkere en zwakkere vaardigheden, afhankelijk van de situatie. Zowel [naam2] als de raad benadrukken dat het in het belang van [de minderjarige] is om een duidelijke, gestructureerde omgangsregeling met de pleegouders te hebben. Dat is de door [naam2] voorgestelde omgangsregeling. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de pleegvader verklaard dat hij [de minderjarige] meestal al rond 15.30 uur terugbrengt bij [naam2] . Het hof zal daarom de eindtijd vaststellen op 15.30 uur. Op dit tijdstip kan [de minderjarige] goed worden opgevangen door de begeleiders van [naam2] en het sluit aan bij hoe het de omgang nu ook feitelijk wordt uitgevoerd.
2.6
Ten aanzien van het verzoek van de vakanties en feestdagen overweegt het hof als volgt. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat in onderling overleg moet worden gekeken of [de minderjarige] ook tijdens (een deel van) de vakanties en feestdagen bij de pleegouders kan zijn. De pleegvader heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de pleegouders bij het maken van afspraken over feestdagen en vakanties van [naam2] naar de GI worden verwezen en omgekeerd. Ze hebben vorig jaar tijdens de feestdagen maar enkele uren met [de minderjarige] kunnen doorbrengen. De pleegouders willen graag ook met [de minderjarige] enkele dagen op vakantie. De GI heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat als [naam2] dat het goed vindt, ze geen bezwaar heeft tegen vakantie met de pleegouders.
Het hof zal als vakantie- en feestdagenregeling daarom bepalen dat [de minderjarige] tien dagen per jaar bij de pleegouders verblijft, waarvan ten minste een keer per jaar een periode van vijf dagen aaneengesloten. De exacte dagen waarop deze regeling wordt uitgevoerd, wordt jaarlijks in overleg tussen de pleegouders en de GI bepaald, uiterlijk in december van het voorafgaande jaar. Voor het jaar 2026 zal gelden dat het overleg tussen de pleegouders en de GI uiterlijk een maand na het wijzen van deze beschikking zal moeten plaatsvinden.

3.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 6 februari 2025 en opnieuw beschikkende:
bepaalt dat [de minderjarige] omgang heeft met de pleegouders één keer per twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 15.30 uur;
bepaalt als vakantie- en feestdagenregeling dat [de minderjarige] tien dagen per jaar bij de pleegouders verblijft, waarvan ten minste een keer per jaar een periode van vijf dagen aaneengesloten. De exacte dagen worden jaarlijks in overleg tussen de pleegouders en de GI bepaald, uiterlijk in december van het voorafgaande jaar. Voor het jaar 2026 zal gelden dat het overleg tussen de pleegouders en de GI uiterlijk een maand na het wijzen van deze beschikking zal moeten plaatsvinden;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, D.J.M. van de Voort en
E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door de griffier, en is op 16 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.