Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3959

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.359.913/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 7 Verordening (EG) nr. 2019/1111 (Brussel II-ter)Art. 8 EVRMArt. 9 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontzegging omgangsrecht vader met dochter bevestigd in hoger beroep

In deze zaak staat de ontzegging van het omgangsrecht van de vader met zijn dochter centraal. De rechtbank Noord-Nederland had de vader het recht op omgang ontzegd en zijn verzoeken tot gezamenlijk gezag, vakantie met de dochter naar Amerika en het aanvragen van een paspoort afgewezen. De vader ging hiertegen in hoger beroep.

Het hof bevestigt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en neemt Nederlands recht als toepasselijk. De vader mocht zijn verzoeken in hoger beroep aanvullen, maar het hof oordeelt dat de rechtbank terecht het omgangsrecht heeft ontzegd. Er heeft ruim twee jaar geen omgang plaatsgevonden, en het contact met de vader veroorzaakte stress en lichamelijke klachten bij de dochter. De dochter, inmiddels bijna vijftien, heeft duidelijk aangegeven geen omgang te willen.

Het hof ziet geen noodzaak voor een nieuw raadsonderzoek of een tijdelijke ontzegging van drie maanden. Het belang van het kind staat voorop en het hof acht het beter dat er rust en duidelijkheid ontstaat. De verzoeken tot gezamenlijk gezag en vakantie worden eveneens afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontzegging van het omgangsrecht van de vader met zijn dochter en wijst de overige verzoeken af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.913/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 242437)
beschikking van 16 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. L.M. Dragtenstein te Amsterdam,
en
[verweerster](de moeder),
die woont op een bij het hof bekend adres,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. F.B. Flooren te Arnhem.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 25 juni 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de besteden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 24 september 2025;
- een brief namens de vader van 20 oktober 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- een journaalbericht namens de moeder van 11 mei 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 11 mei 2026 met bijlage(n).
2.2.
Op 20 april 2026 heeft [de minderjarige] een e-mailbericht naar het hof gestuurd, waarin zij als voorbereiding op het gesprek bij het hof alvast uitlegt wat zij tijdens het gesprek wil vertellen. Op 19 mei 2026 heeft zij gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de verzoeken van de vader. Tijdens de mondelinge behandeling heeft een van de raadsheren hiervan een samenvatting gegeven.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft op 20 mei 2026 in Zwolle plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vader met zijn advocaat en (via een telefonische verbinding) een tolk in de Engelse taal;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad.
De advocaat van de vader heeft tijdens de zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
2.4.
Na de zitting heeft de vader, zonder tussenkomst van zijn advocaat en zonder toestemming van het hof, nadere stukken aan het hof gezonden onder de titel: “toelichting zelfstandige indiening en bewijs van nalaten advocaat”. Deze stukken zijn niet aan het dossier toegevoegd, het hof heeft van de inhoud geen kennis genomen en de stukken zijn aan de vader teruggezonden.

3.De feiten

3.1.
De vader en de moeder hebben samen een dochter: [de minderjarige] , geboren [in] 2011. [de minderjarige] woont bij de moeder.
3.2.
De vader heeft [de minderjarige] op 14 juli 2015 erkend, nadat de rechtbank Amsterdam hem hiervoor bij beschikking van 25 februari 2015 vervangende toestemming had verleend.
De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige] .
3.3.
Van 26 september 2017 tot 26 september 2022 is sprake geweest van een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] .

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
- de vader het recht op omgang met [de minderjarige] ontzegd;
- de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- de overige verzoeken, waaronder het verzoek van de vader om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] en het verzoek van de vader over een vakantie met [de minderjarige] naar Amerika en het aanvragen van een paspoort voor [de minderjarige] , afgewezen;
- de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
4.2.
De vader komt met vijf grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op het gezag, de omgang, een vakantie met [de minderjarige] naar Amerika en het aanvragen van een paspoort voor [de minderjarige] . De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
- primair: een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat de vader en [de minderjarige] gedurende een periode van drie maanden eenmaal per maand begeleid contact hebben van twee uur, gevolgd door evaluatie door de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) en mogelijke uitbreiding naar een reguliere weekendregeling;
- subsidiair: de raad opdracht te geven onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor contactherstel en gezamenlijk gezag;
- meer subsidiair: te bepalen dat de ontzegging van omgang slechts geldt voor een periode van drie maanden, waarna heroverweging kan plaatsvinden;
- tevens: zijn verzoek tot gezamenlijk gezag alsnog toe te wijzen, althans een traject van
ouderschapsbemiddeling te gelasten ter voorbereiding op gezamenlijk gezag;
- de proceskosten tussen partijen te compenseren.
4.3.
De moeder voert verweer tegen het principaal hoger beroep van de vader. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van de beslissingen die zijn genomen op de verzoeken van de vader. Met betrekking tot de nieuwe verzoeken die de vader volgens de moeder in hoger beroep heeft gedaan, verzoekt de moeder het hof om de vader niet-ontvankelijk te verklaren in deze verzoeken.
De moeder komt op haar beurt met een grief in incidenteel hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de beslissing van de rechtbank om de proceskosten te compenseren. De moeder verzoekt het hof om haar verzoek om de vader te veroordelen in de proceskosten, toe te wijzen.
4.4.
De vader voert verweer tegen het incidenteel hoger beroep. Hij verzoekt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

* Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De vader heeft de Amerikaanse nationaliteit. Daarom moet het hof de vraag beantwoorden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
5.2.
Voor alle voorliggende verzoeken, die behoren tot de ouderlijke verantwoordelijkheid, geldt het volgende. Omdat [de minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt aan de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Pro de Verordening (EG) nr. 2019/1111 (Brussel II-ter) rechtsmacht toe en kan het hof dus op de verzoeken beslissen.
5.3.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is. De rechtbank heeft op de verzoeken Nederlands recht van toepassing geacht. Nu tegen dit oordeel in hoger beroep geen bezwaar is gemaakt, zal ook het hof bij de beoordeling Nederlands recht tot uitgangspunt nemen.
* Ontvankelijkheid verzoeken van de vader in hoger beroep
5.4.
De moeder stelt zich onder meer op het standpunt dat de vader niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoeken om een raadsonderzoek en/of een hulpverleningstraject voor ouderschapsbemiddeling te gelasten, om eerst begeleide omgang te starten en om te bepalen dat de ontzegging van de omgang geldt voor een periode van drie maanden. De reden hiervoor is volgens de moeder dat deze verzoeken niet aan de orde zijn gesteld tijdens de procedure in eerste aanleg.
5.5.
Het hof volgt de moeder niet in haar standpunt. De vader heeft het recht als oorspronkelijk verzoeker (de gronden van) zijn verzoek in hoger beroep te vermeerderen of aan te vullen. Naar het oordeel van het hof verzetten de eisen van de goede procesorde zich niet tegen deze vermeerdering/aanvulling van (de gronden van) het verzoek. De moeder is daardoor niet onredelijk bemoeilijkt in haar verdediging en deze procedure wordt daardoor ook niet onredelijk vertraagd.
* Inhoudelijk
5.6.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden de vader het recht op omgang met [de minderjarige] heeft ontzegd en de verzoeken van de vader tot gezamenlijk gezag over [de minderjarige] en over een vakantie met [de minderjarige] naar Amerika en het aanvragen van een paspoort voor [de minderjarige] , heeft afgewezen. Het hof neemt, na eigen onderzoek, de overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5.7.
Eind 2023/begin 2024 voerden de ouders de toen geldende omgangsregeling uit, waarbij de vader maandelijks anderhalf uur begeleide omgang met [de minderjarige] had bij het [naam] . Sinds juli 2024 heeft er geen omgang meer plaatsgevonden. De vader heeft in zijn beroepschrift hiervoor als reden genoemd dat sprake was van structurele roosterproblemen en zijn wens tot uitbreiding van de omgang. Tijdens de zitting bij het hof heeft de vader als reden genoemd dat de moeder medio 2024 ongeoorloofd lang met [de minderjarige] op vakantie is geweest. De moeder heeft dit betwist. Het hof overweegt dat ook in de situatie dat de door de vader aangevoerde redenen juist zouden zijn, het voor het hof niet duidelijk is geworden waarom de omgang nadien niet is hervat. Er zijn in deze procedure geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de vader pogingen zou hebben gedaan om de omgang te hervatten. In het dossier zitten wel stukken, waaronder het verslag van het [naam] van 24 september 2024, waaruit blijkt dat het [naam] vanaf april 2024 geen of niet tijdig contact meer heeft kunnen krijgen met de vader voor het inplannen van een nieuw omgangsmoment. [naam] heeft daarom geconcludeerd dat de opdracht van de rechtbank niet meer kan worden uitgevoerd en heeft de opdracht teruggegeven aan de rechtbank.
5.8.
Er heeft dus inmiddels ongeveer twee jaar geen omgang meer plaatsgevonden tussen [de minderjarige] en de vader. Uit de stukken, het gesprek met [de minderjarige] en het verhandelde tijdens de zitting is het hof gebleken dat deze periode zonder omgang [de minderjarige] goed heeft gedaan. Zij heeft niet meer de lichamelijke klachten die zij wel had toen ze omgang had met de vader. Ook haar functioneren op school is verbeterd. Naar het oordeel van het hof is daarom niet uit te sluiten dat het hervatten van de begeleide omgangsregeling van anderhalf uur per maand ernstig nadeel zal opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] (artikel 1:377a, lid 3, onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.9.
Daarbij komt dat [de minderjarige] , die [in] 2026 vijftien jaar wordt, zowel bij de rechtbank als bij het hof zelf heel duidelijk heeft verteld dat zij geen omgang wil met de vader. Het hof laat in het midden wat de oorzaak is dat [de minderjarige] geen omgang met haar vader wil. Voor het hof is voldoende vast komen te staan dat omgang met de vader [de minderjarige] veel stress geeft en belastend is voor haar. Niet alleen in de periode dat er omgang plaatsvond, maar ook tijdens de procedure bij de rechtbank en het hof bij het idee dat ze mogelijk binnenkort weer omgang met de vader zou moeten hebben. Naar het oordeel van het hof is dus ook sprake van de in artikel 1:377a, lid 3, onder c, BW genoemde ontzeggingsgrond (de minderjarige heeft bij het gesprek van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder doen blijken).
5.10.
Het hof ziet gelet op het bovenstaande geen reden om een raadsonderzoek te gelasten en/of om te bepalen dat de ontzegging van de omgang geldt voor een periode van drie maanden. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen strijden de ouders al meer dan tien jaar met elkaar. [de minderjarige] heeft dat meegekregen. Er zijn verschillende hulpverleners betrokken geweest en er is ook vijf jaar sprake geweest van een ondertoezichtstelling. Het hof acht het te belastend voor [de minderjarige] wanneer de definitieve beslissing over de omgangsregeling zou worden aangehouden en zij daardoor nog langer in onzekerheid zou moeten verkeren, of wanneer besloten zou worden dat over een paar maanden de omgang mogelijk hervat zou kunnen worden. Het is nu in het belang van [de minderjarige] dat er voor haar rust en duidelijkheid ontstaat. Daarbij komt dat de raad zelf ook ter zitting heeft verklaard dat het gelet op de huidige stand van zaken nu te laat is om nog een onderzoek te doen. Bovendien zou de raad, zo heeft de raad verklaard, tijdens het onderzoek het standpunt van [de minderjarige] zoals zij dat heeft geuit bij de rechtbank en het hof, zwaar laten meewegen, ook gelet op haar leeftijd en haar ontwikkeling. Het hof zal deze (subsidiaire) verzoeken van de vader dan ook afwijzen.
5.11.
Het hof volgt de vader niet in zijn standpunt dat een volledige ontzegging van het recht op omgang gelet op het bepaalde in artikel 8 EVRM Pro en artikel 9 IVRK Pro niet voldoet aan de vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit en zorgvuldigheid. Uit het hiervoor overwogene volgt naar het oordeel van het hof voldoende dat de ontzegging van het recht op omgang in het belang van [de minderjarige] een passende en noodzakelijke maatregel is.
5.12.
Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de vader het recht op omgang met [de minderjarige] op juiste gronden is ontzegd.
5.13.
Met betrekking tot de verzoeken van de vader tot gezamenlijk gezag, vakantie met [de minderjarige] naar Amerika en het aanvragen van een paspoort voor haar, heeft de vader in hoger beroep geen nieuwe feiten en/of omstandigheden aangevoerd ten opzichte van de procedure bij de rechtbank. Het hof is anders dan de vader van oordeel dat de afwijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag niet prematuur is en voldoende gemotiveerd. Het hof ziet geen reden om over deze verzoeken anders te oordelen dan de rechtbank.
* Proceskosten
5.14.
De moeder heeft in haar incidenteel hoger beroep verzocht haar verzoek tot een proceskostenveroordeling alsnog toe te wijzen. De vader heeft hiertegen verweer gevoerd. Het hof ziet in het door de moeder aangevoerde geen aanleiding om de vader te veroordelen in de proceskosten. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende gebleken dat de vader misbruik van recht heeft gemaakt. Het hof zal daarom de bestreden beschikking ook bekrachtigen voor zover daarbij de proceskosten zijn gecompenseerd. Verder staat het de vader vrij om hoger beroep in te stellen tegen de beslissingen van de rechtbank die gaan over onder meer de omgang met zijn dochter. Met betrekking tot de proceskosten in hoger beroep zal het hof dan ook eveneens bepalen dat deze kosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 25 juni 2025;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.U.M. van der Werff, mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. J.G. Knot, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 16 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.