Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3962

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.362.480/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EU) 2019/1111 (Brussel II-ter)Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over hoofdverblijfplaats minderjarige kinderen na uithuisplaatsing

De ouders zijn in Syrië getrouwd en hebben vijf minderjarige kinderen die sinds 2020 in Nederland verblijven. Na hun feitelijke scheiding in april 2024 verbleef de moeder met de kinderen in een vrouwenopvang. De rechtbank bepaalde in september 2025 dat de hoofdverblijfplaats van alle kinderen bij de moeder lag.

De vader ging in hoger beroep en verzocht de hoofdverblijfplaats van alle kinderen bij hem te bepalen. Tijdens de procedure werd duidelijk dat de oudste minderjarige sinds april 2026 op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader woont vanwege een onveilige situatie bij de moeder. De moeder accepteert dit tijdelijk.

Het hof oordeelt dat de hoofdverblijfplaats van de oudste minderjarige, die bijna meerderjarig is, bij de vader moet worden vastgesteld, omdat dit in zijn belang is en de situatie daar goed wordt gemonitord. Voor de overige kinderen blijft de hoofdverblijfplaats bij de moeder, omdat dit het beste aansluit bij hun belangen en wensen. De beschikking van de rechtbank wordt dienovereenkomstig gedeeltelijk vernietigd en bekrachtigd.

Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de oudste minderjarige wordt bij de vader vastgesteld, terwijl die van de overige kinderen bij de moeder blijft.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.480/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 318737)
beschikking van 16 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. A.F.J. Huigens te Apeldoorn,
en
[verweerster](de moeder),
die woont op een bij het hof bekend adres,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. E. Maalsen te Nijmegen.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering(de GI),
die is gevestigd in Zwolle.
In zijn toetsende en/of adviserende rol is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Overijssel, locatie Zwolle.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 8 oktober 2024 en 9 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer 318737.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 11 december 2025;
- een brief namens de vader van 5 januari 2026 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een brief namens de vader van 29 januari 2026 met bijlage(n);
- een brief namens de vader van 16 maart 2026;
- een brief van de GI van 4 mei 2026 met bijlage(n);
- een brief namens de vader van 15 mei 2026 met bijlage(n).
2.2.
Op 19 mei 2026 hebben [de minderjarige1] en (via een beeldbelverbinding) [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij hebben verteld wat zij vinden van de verzoeken van de vader. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter hiervan een samenvatting gegeven.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft op 20 mei 2026 in Zwolle plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat en een tolk in de Syrisch-Arabische taal;
- een vertegenwoordiger namens de raad.
De advocaat van de vader heeft tijdens de mondelinge behandeling spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.

3.De feiten

3.1.
De vader en de moeder zijn in Syrië met elkaar getrouwd.
3.2.
Zij zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , (volgens de Basisregistratie Personen (BRP)) geboren [in] 2009 in Syrië;
- [de minderjarige2] , (volgens de BRP) geboren [in] 2012 in Syrië;
- [de minderjarige3] , (volgens de BRP) geboren [in] 2014 in Syrië;
- [de minderjarige4] , (volgens de BRP) geboren [in] 2017 in Syrië;
- [de minderjarige5] , (volgens de BRP) geboren [in] 2019 in Syrië.
Deze vijf minderjarige kinderen worden hierna “de kinderen” genoemd.
3.3.
De ouders hebben nog twee meerderjarige kinderen: [de meerderjarige1] (volgens de BRP geboren [in] 2004) en [de meerderjarige2] (volgens de BRP geboren [in] 2006). [de meerderjarige1] en [de meerderjarige2] wonen bij de vader. De moeder heeft geen contact met hen.
3.4.
De ouders, de kinderen en de twee meerderjarige kinderen hebben volgens de BRP de Syrische nationaliteit.
3.5.
De ouders, de kinderen en de meerderjarige kinderen verblijven sinds (in elk geval) 2020 in Nederland, nadat zij zijn gevlucht uit Syrië. Zij verblijven nu op grond van een verblijfsvergunning in Nederland.
3.6.
De ouders zijn in april 2024 feitelijk uit elkaar gegaan De moeder is toen met de kinderen uit de echtelijke woning vertrokken. Sindsdien verblijft zij met de kinderen ( [de minderjarige1] tot april 2026, zie hierna bij 3.12) in een vrouwenopvang.
3.7.
Bij beschikking van 8 oktober 2024 heeft de rechtbank de kinderen voor de duur van het geding toevertrouwd aan de moeder.
Verder heeft de rechtbank de raad verzocht een onderzoek in te stellen en de rechtbank te adviseren over de hoofdverblijfplaats en over de vraag welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen wordt geacht.
3.8.
De raad heeft in zijn rapport van 24 maart 2025:
- de kinderrechter verzocht om de kinderen onder toezicht te stellen van de GI voor de periode van een jaar;
- de rechtbank geadviseerd de beslissingen over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling aan te houden.
Tijdens de zitting bij de rechtbank op 22 juli 2025 heeft de raad zijn advies over de hoofdverblijfplaats van de kinderen gewijzigd en de rechtbank geadviseerd om de hoofdverblijfplaats bij de moeder te bepalen.
3.9.
De kinderen staan sinds 22 juli 2025 onder toezicht van de GI.
3.10.
Bij de bestreden beschikking van 9 september 2025 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:
- de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken;
- bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben;
- bepaald dat de zorgregeling tussen de vader en de kinderen in het kader van de ondertoezichtstelling voorlopig onder regie van de GI zal worden vormgegeven;
- iedere verdere beslissing over de zorgregeling aangehouden.
3.11.
De vader heeft sinds eind januari 2026 één keer per week gedurende maximaal 1,5 uur op een neutrale plek begeleide omgang met de kinderen, onder regie van de GI (en in aanwezigheid van een tolk). De kinderen hebben daarnaast maandelijks omgang met [de meerderjarige1] en [de meerderjarige2] .
3.12.
Op 2 april 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] gedurende dag en nacht bij de andere ouder met gezag (de vader) tot 16 april 2026. Bij beschikking van 14 april 2026 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] bij de andere ouder met gezag (de vader) voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 22 juli 2026.

4.De omvang van het geschil

4.1.
De vader komt in hoger beroep van de bestreden beschikking van 9 september 2025. Tijdens de zitting heeft de vader zijn verzoek gewijzigd. Zijn hoger beroep richt zich nu nog uitsluitend tegen de beslissing van de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] en [de minderjarige5] bij de moeder te bepalen. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking in zoverre te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen.
4.2.
De moeder voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

* Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Gelet op de internationale aspecten in deze zaak, moet het hof beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
5.2.
Het hoofdverblijf is een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid en valt daarmee onder het toepassingsgebied van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II-ter). Gelet op artikel 7 lid 1 Brussel Pro II-ter zijn ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind de gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Omdat de kinderen op het moment van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, waar zij overigens ook nu nog wonen, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
5.3.
De rechtbank heeft op de verzoeken Nederlands recht van toepassing geacht. Nu tegen dit oordeel in hoger beroep geen bezwaar (meer) is gemaakt, zal ook het hof bij de beoordeling Nederlands recht tot uitgangspunt nemen.
* Hoofdverblijfplaats
5.4.
Na de bestreden beschikking zijn de omstandigheden gewijzigd, in die zin dat [de minderjarige1] op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing sinds april 2026 bij de vader verblijft en niet meer bij de moeder. De andere kinderen wonen bij de moeder. Het hof ziet daarom aanleiding om bij de beslissing bij welke ouder de hoofdverblijfplaats van de kinderen moet worden bepaald, onderscheid te maken tussen [de minderjarige1] en de andere kinderen.
5.5.
Ten aanzien van [de minderjarige1] overweegt het hof als volgt. [de minderjarige1] is inmiddels 17 jaar. Begin 2026 is hij bij de moeder weggelopen, omdat hij niet meer bij haar wilde wonen. Hij heeft toen vijf dagen bij de vader verbleven. Op 2 april 2026 heeft de GI de kinderrechter verzocht een spoedmachtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] bij de vader, omdat zich bij de moeder een onveilige situatie tussen [de minderjarige1] en de moeder had voorgedaan. Ook heeft de GI geconstateerd dat sinds de omgang tussen de vader en de kinderen eind 2025 weer is gestart, de onrust in het gezin is toegenomen en de relatie tussen de ouders is verslechterd. De GI heeft gezien dat [de minderjarige1] de weg kwijt is in het conflict tussen de beide ouders. De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. Volgens de moeder verslechterde het gedrag van [de minderjarige1] bij haar thuis dusdanig dat de veiligheid van haar en de andere kinderen in gevaar kwam en er veel onrust in het gezin ontstond. Ook tijdens de zitting bij het hof heeft de moeder verklaard dat als [de minderjarige1] bij de vader wil wonen, zij dat (tijdelijk) accepteert. De moeder is van mening dat de komende tijd benut moet worden om meer zicht te krijgen op de (opvoedings)situatie bij de vader en dat pas daarna een definitieve beslissing over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] genomen kan worden. Het hof volgt de moeder daarin niet. Het hof weegt bij zijn oordeel mee dat [de minderjarige1] al over een klein jaar, in april 2027 meerderjarig wordt. De situatie van [de minderjarige1] bij de vader lijkt goed te zijn en wordt door de GI gemonitord. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige1] dat voor hem en alle overige betrokkenen nu duidelijkheid komt in die zin dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] tot zijn meerderjarigheid bij de vader is.
5.6.
Het hof acht het wel zorgelijk dat [de minderjarige1] sinds hij bij zijn vader woont, zijn moeder niet meer heeft gezien. Het hof verwacht dat de GI, ondanks de complexe feitelijke situatie van het gezin, zich zal inspannen om ervoor te zorgen dat het contact tussen [de minderjarige1] en de moeder zo spoedig mogelijk wordt hersteld. Gelet op de gewijzigde hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] , is het voor de monitoring van de situatie van [de minderjarige1] bij de vader en het stimuleren van het contact tussen [de minderjarige1] en de moeder wellicht te overwegen een andere GI in te schakelen.
5.7.
Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover het de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] betreft en deze bij de vader bepalen.
5.8.
Ten aanzien van de andere kinderen ( [de minderjarige2] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] en [de minderjarige5] ) is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht de hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft bepaald.
De vader heeft in hoger beroep geen relevante gronden aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat de rechtbank ten onrechte de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder heeft bepaald. Voor zover de vader heeft aangevoerd dat de kinderen niet kunnen aarden in [plaats] en dat zij hun sociale contacten in [woonplaats] hebben, heeft de moeder dit gemotiveerd betwist. Het hof neemt bij zijn oordeel verder in aanmerking dat vanuit de opvang waar de moeder en de kinderen nu verblijven wordt gezien dat de moeder de zorg voor de dagelijkse verzorging van de kinderen kan dragen en dat de moeder waar nodig hulp inschakelt. Ook de GI bevestigt dat beeld. Daarbij komt dat de moeder inmiddels een eigen woning toegewezen heeft gekregen, waar zij binnenkort met de kinderen zal gaan wonen. Het hof acht het belangrijk dat de kinderen met elkaar in gezinsverband bij de moeder blijven wonen en dat zij op hun huidige school in [plaats] kunnen blijven.
Bovendien sluit de beslissing om de hoofdverblijfplaats bij de moeder te bepalen aan bij de wens van de kinderen, zoals zij deze hebben geuit in het gesprek bij het hof. Weliswaar heeft [de minderjarige2] verteld dat zij het liefst doordeweeks bij haar vader wil wonen en in het weekend bij de moeder, maar die wens lijkt met name te zijn gebaseerd op het feit dat zij haar vader mist. Met haar wens om meer contact te hebben met haar vader kan eventueel in het kader van de zorgregeling rekening worden gehouden, maar die ligt in hoger beroep niet ter beoordeling aan het hof voor.
5.9.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat bepaling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] en [de minderjarige5] bij de moeder het meest in het belang van de kinderen is. Naar het oordeel van het hof is er daarbij geen sprake van strijd met het bepaalde in artikel 8 EVRM Pro (recht van ouders en kinderen op bescherming van het gezinsleven).

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 9 september 2025, voor zover daarbij de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] bij de moeder is bepaald, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat [de minderjarige1] , (volgens de BRP) geboren [in] 2009 in Syrië, met ingang van heden zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 9 september 2025, voor zover daarbij de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] en [de minderjarige5] bij de moeder is bepaald;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Knot, mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. J.U.M. van der Werff, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 16 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.