Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3963

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.364.757/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g lid 1 BWArt. 1:247 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof wijzigt zorgregeling minderjarige en stelt minimum weekendregeling vast

De vader en moeder zijn gezamenlijk gezagdragers over hun minderjarige kind, geboren in 2012. De moeder kon lange tijd niet voor het kind zorgen vanwege een CVA, waardoor het kind grotendeels bij de vader verbleef. De gecertificeerde instelling (GI) stelde een week-om-week regeling voor, die door de kinderrechter werd toegewezen, maar deze regeling werd in de praktijk niet uitgevoerd vanwege conflicten tussen moeder en kind en onvoldoende medewerking van de vader.

De vader ging in hoger beroep tegen de beschikking en wilde de feitelijke situatie, waarbij het kind om de week in het weekend bij de moeder is, vastgelegd zien. Het hof hield rekening met de wensen van de minderjarige, die zelf wil bepalen wanneer zij bij haar moeder is, maar oordeelde dat dit niet in haar belang is vanwege het gebrek aan communicatie en duidelijke regels tussen de ouders.

Het hof benadrukte dat het gezag ook inhoudt dat ouders de ontwikkeling van de relatie van het kind met de andere ouder moeten bevorderen. Gezien de huidige situatie en het ontbreken van verbetering in de communicatie, stelde het hof een minimum zorgregeling vast: de minderjarige verblijft om de veertien dagen in het weekend bij de moeder, met de mogelijkheid tot extra momenten in overleg. Ook blijft de regeling dat de minderjarige tijdens schoolvakanties overdag bij de moeder is als de vader werkt, van kracht.

De beschikking van de kinderrechter werd vernietigd en de nieuwe regeling werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof wees verdere verzoeken af en benadrukte het belang van duidelijke kaders en het bevorderen van de relatie tussen het kind en beide ouders.

Uitkomst: Het hof vernietigt de week-om-week zorgregeling en stelt een minimum weekendregeling vast waarbij de minderjarige om de veertien dagen in het weekend bij de moeder verblijft, met ruimte voor extra contactmomenten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.364.757/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 202728)
beschikking van 16 juni 2026
over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders van [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoeker](de vader)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. R.A. Schütz te Leeuwarden
en
de gecertificeerde instelling,
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI)
die is gevestigd in Amsterdam
en
[belanghebbende](de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. F. Hofstra te Leeuwarden.
In zijn toetsende en/of adviserende rol is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft bepaald dat [de minderjarige] de ene week bij haar moeder woont en de andere week bij haar vader. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren [in] 2012. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] heeft haar jeugd grotendeels doorgebracht bij haar vader. De moeder kon door een CVA niet voor haar zorgen. [de minderjarige] stond tussen 8 mei 2015 en 8 januari 2023 onder toezicht van de GI. Op 23 april 2024 is zij opnieuw onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 3 juli 2026.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter gevraagd om een regeling vast te stellen, waarbij [de minderjarige] de ene week bij de moeder woont en de andere week bij de vader. Voor de vakanties werd gevraagd dat [de minderjarige] overdag bij de moeder zou zijn als de vader aan het werk is.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 8 januari 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat de regeling stopt en dat de regeling, zoals de ouders feitelijk uitvoeren en waarbij [de minderjarige] om de week in het weekend bij haar moeder is, wordt vastgelegd.
4.2.
De moeder wil graag dat er een beslissing genomen wordt die het meest aansluit bij het belang van [de minderjarige] .
4.3.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 5 februari 2026
  • de brief van de raad van 20 februari 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
  • het verweerschrift van de moeder
  • het verweerschrift van de GI
  • de stukken van de vader van 13 mei 2026.
4.5.
[de minderjarige] heeft op 28 mei 2026 voorafgaand aan de zitting gesproken met de voorzitter en de griffier. Zij heeft verteld wat zij vindt van de regeling. De voorzitter heeft hiervan een samenvatting gegeven op de mondelinge behandeling.
4.6.
De zitting bij het hof was op 28 mei 2026. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat
  • de moeder met haar advocaat
  • een vertegenwoordiger van de GI.

5.Het oordeel van het hof

De wet
5.1.
Tijdens de ondertoezichtstelling kan de kinderrechter op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van het kind noodzakelijk is. [1]
De motivering van de beslissing
5.2.
De week-om-week regeling zoals die door de kinderrechter in de bestreden beschikking is bepaald, is niet uitgevoerd. Op de eerste dag van de eerste week dat [de minderjarige] bij haar moeder zou verblijven, ontstond tussen hen een meningsverschil over het douchen van [de minderjarige] . Uit emotie heeft de moeder [de minderjarige] de deur gewezen. [de minderjarige] is toen terug naar de vader gegaan, die haar niet heeft gemotiveerd terug te gaan, zoals dat vanuit de co-ouderschapsregeling wel van hem verwacht mocht worden. Sindsdien is de week-om-week regeling niet meer uitgevoerd, maar verblijft [de minderjarige] in de weekenden vaak bij de moeder. [de minderjarige] heeft bij het hof verteld dat zij het liefst zelf wil bepalen wanneer zij naar haar moeder gaat en niet het gevoel wil hebben dat zij iets ‘moet’ doen. Ze denkt ook dat een andere regeling meer gedoe tussen haar ouders zal opleveren, en dat gedoe wil ze niet meer. Hoewel het hof de wens van [de minderjarige] begrijpt en die wens zwaar weegt, is ook duidelijk gebleken dat de ouders niet met elkaar communiceren. [de minderjarige] is op een leeftijd waarin ze steeds meer zelfstandigheid en grenzen zal opzoeken en daarbij meer nodig heeft dat haar ouders voldoende zicht houden op wat zij doet en kunnen zorgen voor duidelijke regels en consequente handhaving van die regels. Dit maakt dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om haar geheel zelf te laten bepalen wanneer ze bij welke ouder is, zoals ze zelf graag wil.
5.3.
De vader lijkt zich niet te realiseren dat zijn ouderlijk gezag over [de minderjarige] ook betekent dat hij de verplichting heeft de ontwikkeling van de banden van [de minderjarige] met de moeder te bevorderen. [2] Deze verplichting houdt onder meer in dat de vader moet zorgen dat de zorgregeling wordt uitgevoerd. [de minderjarige] moet kunnen leren hoe zij haar plaats inneemt in de maatschappij en welke (sociale) rechten en plichten er voor haar gelden. Hoewel het belangrijk is dat zij de ruimte krijgt zich hierin te ontwikkelen, is het minstens zo belangrijk dat haar ouders hier ook kaders en begrenzingen in aangeven en elkaar daarin ondersteunen.
5.4.
De GI heeft tijdens de zitting op vragen van het hof geantwoord dat op dit moment niet actief wordt ingezet op de verbetering van de communicatie tussen de ouders. Er is onvoldoende medewerking van uit, in ieder geval, de vader om hieraan te werken. [de minderjarige] en de moeder zijn verbaal niet opgewassen tegen de vader, waardoor zij zich vaak neerleggen bij de wil of mening van de vader. Het hof ziet in [de minderjarige] een meisje dat het eigenlijk al opgegeven heeft haar eigen mening te uiten, want ‘het gebeurt toch wel zoals papa het wil’. Dat levert voor [de minderjarige] het minste ‘gedoe’ op.
5.5.
Het hof is van mening dat een week-om-week regeling goed zou zijn voor [de minderjarige] , zodat zij de positieve effecten van beide ouders en hun opvoedingsstijlen kan ervaren. Dit kan echter alleen als de ouders daarin van elkaar de ruimte krijgen en ook [de minderjarige] van haar ouders de ruimte krijgt om onbelast contact met haar beide ouders te hebben. Gezien de houding van de vader en het uitblijven van ingrijpen door de GI is die ruimte er op dit moment niet. Het bekrachtigen van de bestreden beschikking zou er onder deze omstandigheden toe leiden dat een zorgregeling is vastgelegd die niet wordt uitgevoerd, terwijl ook niet wordt toegewerkt naar die zorgregeling. Het hof acht dit nu niet in het belang van [de minderjarige] . Dan blijft de vraag waarmee het belang van [de minderjarige] op dit moment, met alle omstandigheden van dit specifieke geval, het meest mee gediend is. Het hof is van oordeel dat dit is met het vaststellen van een ‘minimum’ zorgregeling. [de minderjarige] zal op basis van die zorgregeling in ieder geval om de week in het weekend bij de moeder verblijven, van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 19.00 uur. Het staat [de minderjarige] vrij om naast deze vaste momenten – in overleg – ook op andere momenten bij haar moeder te zijn. Zo heeft zij meer ruimte om keuzes te maken waar ze zich goed bij voelt, terwijl ook gewaarborgd is dat zij op vaste momenten bij haar moeder verblijft. Uitbreiding van de weekenden is ook mogelijk, bijvoorbeeld van vrijdag uit school tot maandag naar school. Beide ouders hebben bij de mondelinge behandeling bij het hof aangegeven hier geen bezwaar tegen te hebben. Omdat het hof dit niet met [de minderjarige] heeft besproken, zal het hof dit echter nu niet vastleggen.
Het hof acht het wel in het belang van [de minderjarige] om, overeenkomstig de beslissing van de kinderrechter, te bepalen dat [de minderjarige] in de schoolvakanties overdag bij de moeder is als de vader aan het werk is. Daarvan kan worden afgeweken wanneer in onderling overleg andere concrete afspraken zijn gemaakt, omdat [de minderjarige] bijvoorbeeld bij een familielid verblijft of op kamp is.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in het hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 8 januari 2026, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijzigt de zorgregeling en bepaalt dat:
  • [de minderjarige] ten minste om de veertien dagen een weekend van zaterdagochtend om 10.00 tot zondagavond om 19.00 bij de moeder verblijft;
  • [de minderjarige] in de schoolvakanties als de vader werkt overdag bij de moeder verblijft, tenzij in onderling overleg andere concrete afspraken zijn gemaakt, zoals verblijf van [de minderjarige] bij een familielid of op een (school)kamp;
  • het [de minderjarige] vrij staat om in onderling overleg met beide ouders ook op andere momenten bij de moeder te verblijven;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Pieters, mr. C. Coster, en mr. A.K. Oostlander-Vos, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 16 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 1:247 lid 3 BW Pro.