Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3964

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.366.760/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 810a lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens belang en veiligheid

De minderjarige, geboren in 2024, is prematuur en dysmatuur geboren en sinds november 2024 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. De kinderrechter verlengde de machtiging tot uithuisplaatsing tot 5 februari 2027 op verzoek van de gecertificeerde instelling (GI).

De ouders gingen in hoger beroep tegen deze verlenging en verzochten om beëindiging of verkorting van de machtiging en een deskundigenonderzoek. Het hof bevestigde dat de machtiging verlengd moet worden omdat de minderjarige zich goed ontwikkelt in het pleeggezin en de ouders onvoldoende aansluiten bij zijn ontwikkelingsbehoeften.

Het hof wees het verzoek om een ouderschapsbeoordeling af omdat dit te ingrijpend zou zijn voor de minderjarige en de ouders niet voldoen aan de voorwaarden voor een dergelijk traject. De GI wordt opgeroepen om spoedig vervolgstappen te bepalen met het oog op het perspectief van de minderjarige.

De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd en het overige verzoek wordt afgewezen.

Uitkomst: De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt bekrachtigd tot 5 februari 2027.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.366.760/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 250522)
beschikking van 16 juni 2026
over de uithuisplaatsing van [de minderjarige]
in de zaak van

1.[verzoeker] (de vader)

2. [verzoekster](de moeder)
de moeder woont in [woonplaats] , de vader heeft een postadres in [plaats1]
advocaat: mr. F. Pool
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI)
die is gevestigd in Amsterdam.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd tot 5 februari 2027. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2024. [de minderjarige] is prematuur en dysmatuur geboren. Na zijn geboorte moest [de minderjarige] twee maanden in het ziekenhuis blijven. Daarna is hij bij de ouders thuis gekomen. De ouders oefenen samen het ouderlijk gezag over hem uit.
2.2.
Op 27 november 2024 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en met een spoedmachtiging uit huis geplaatst. Op 5 februari 2025 is [de minderjarige] definitief onder toezicht gesteld en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. Beide maatregelen golden tot 5 februari 2026.
2.3.
In mei 2025 heeft de GI de uitvoering van de ondertoezichtstelling overgedragen aan het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming (LET JB), omdat de jeugdbeschermers van de GI de ondertoezichtstelling door het gedrag van de vader niet meer veilig konden uitvoeren.
2.4.
Het LET JB heeft [naam1] opdracht gegeven om het onderzoek te doen naar het perspectief van [de minderjarige] . [naam1] heeft in januari 2026 geadviseerd om niet tot terugplaatsing van [de minderjarige] bij de ouders over te gaan.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van 1 jaar te verlengen.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd tot 5 februari 2027.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 14 januari 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De ouders zijn het niet eens met de beslissing van de kinderrechter om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen. Zij komen daarvan in hoger beroep. Zij willen dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en het verzoek van de GI om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing alsnog afwijst. Subsidiair hebben zij het hof gevraagd om de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere periode toe te wijzen en een deskundige te benoemen om nader onderzoek te doen. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof hebben de ouders het subsidiaire verzoek ingetrokken voor zover zij daarbij hebben verzocht om een kortere duur van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het hof hoeft daarover niet meer te beslissen.
4.2.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 18 maart 2026
  • het verweerschrift van de GI
  • de brief van de raad voor de kinderbescherming (de raad) van 7 april 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
  • de stukken van de ouders ingediend op 11 mei 2026.
4.4.
De zitting bij het hof was op 28 mei 2026. Aanwezig waren:
  • de ouders met hun advocaat
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Uithuisplaatsing
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind [1] . De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoekt [2] .
5.2.
Net als de kinderrechter is het hof van oordeel dat de machtiging om [de minderjarige] uit huis te mogen plaatsen verlengd moet worden, omdat [de minderjarige] nog niet thuis kan wonen. De beslissing van de kinderrechter zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof is het eens met de overwegingen van de kinderrechter en neemt die over. Daaraan voegt het hof het volgende toe.
5.3.
Anders dan bij de kinderrechter hebben de ouders ter zitting bij het hof bevestigd dat het onderzoek door [naam1] een gedegen onderzoek is geweest, hoewel zij vinden dat een gezinsopname een beter beeld geeft van de mogelijkheden tot terugplaatsing. Ook het hof is van oordeel dat de resultaten van het onderzoek van [naam1] aan de beslissing ten grondslag kan worden gelegd. Uit de rapportages van [naam1] blijkt dat [de minderjarige] zich goed ontwikkelt in het huidige pleeggezin. Hij heeft na de plaatsing bij hen een forse inhaalslag in zijn ontwikkeling gemaakt. Hij heeft in het pleeggezin de rust, veiligheid en stabiliteit die hij nodig heeft en die hij bij de ouders onvoldoende heeft ervaren. Daarnaast hecht hij zich aan de pleegouders. Het hechtingsproces is wel extra kwetsbaar door de wisselingen die [de minderjarige] heeft ondergaan. De pleegouders doen wat nodig is om [de minderjarige] optimaal te ondersteunen, bijvoorbeeld door de inzet van video interactiebegeleiding (VIBG).
5.4.
Verder blijkt uit de rapportages dat de ouders elk hun eigen kwetsbaarheid en problematiek hebben. Hierdoor is het lastig voor hen om voldoende aan te sluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van [de minderjarige] , ook met begeleiding van intensieve hulpverlening. Bovendien lukt het de ouders niet om onderscheid te maken tussen hun wens om [de minderjarige] zelf te verzorgen en het belang van [de minderjarige] en wat hij nodig heeft om zich gezond en veilig te kunnen ontwikkelen. Zij stellen hun eigen belangen en behoeften voorop. Voor beide ouders wordt hulpverlening noodzakelijk geacht. [naam1] heeft geconcludeerd dat de ouders daarin een zeer lange weg te gaan hebben, waarbij het de vraag is of de ouders tot de mogelijkheden kunnen komen om, met begeleiding, de zorg voor [de minderjarige] weer op zich te nemen. Volgens [naam1] zou de ontwikkeling van [de minderjarige] stagneren en schade oplopen als dit zou worden afgewacht. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het nog steeds noodzakelijk voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] is dat hij bij de pleegouders woont.
5.5.
De GI is van mening dat er geen perspectief is op de terugkeer van [de minderjarige] naar de ouders. Op dit moment wordt door de GI dan ook niet gewerkt aan thuisplaatsing van [de minderjarige] . Binnen de kaders van de jeugdbeschermingsmaatregelen is het nodig dat de GI in zo’n geval voortvarend is in het nemen van vervolgstappen, zoals bijvoorbeeld het door de raad laten toetsen van het perspectiefbesluit van de GI door middel van een verzoek tot onderzoek naar een eventuele beëindiging van het gezag. Hiervan is in deze zaak nog geen sprake geweest, hoewel ook de kinderrechter in de bestreden beschikking heeft benadrukt dat er duidelijkheid moest komen over het perspectief van [de minderjarige] en de GI de in dat kader aangewezen vervolgstappen diende te gaan zetten. Ter zitting van het hof hebben de ouders in dit kader ook gewezen op het belang van rechtsbescherming in het geval van een dergelijk ingrijpend besluit van de GI.
Het hof roept de GI op om zo snel mogelijk te gaan te bepalen wat de volgende stappen moeten worden. Daarbij moet verdere vertraging worden voorkomen, zeker nu er ook sprake is van een wisseling van GI en het beoogd afschalen van de betrokkenheid van het LET JB. Duidelijk moet worden waarop de GI in wil zetten voor [de minderjarige] en wat daarin de rol van de ouders wat haar betreft moet zijn.
Nader onderzoek
5.6.
In zaken die gaan over de ondertoezichtstelling (de uithuisplaatsing daaronder begrepen), benoemt de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, zolang dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet [3] .
5.7.
Omdat het primaire verzoek van de ouders, om de uithuisplaatsing van [de minderjarige] te beëindigen, niet wordt toegewezen, komt het hof toe aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van de ouders om nader onderzoek uit te laten voeren. In het beroepschrift hebben de ouders gevraagd om een diagnostisch onderzoek, zoals bij het NIFP wordt afgenomen, maar tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat zij juist een ouderschapsbeoordeling willen laten uitvoeren, bij voorkeur bij GGZ [provincie] , locatie [plaats2] ( [naam2] ).
5.8.
Het hof zal dit verzoek afwijzen. Naar het oordeel van het hof zou een dergelijke ouderschapsbeoordeling te ingrijpend zijn voor [de minderjarige] . Tijdens de gezinsopname van de ouderschapsbeoordeling zou [de minderjarige] voor een langere periode gescheiden worden van zijn pleegouders. Dit zou betekenen dat zijn hechtingsrelatie met zijn verzorgers opnieuw wordt verstoord. Uit het onderzoek door [naam1] komt naar voren dat er, ondanks de huidige hechting met de pleegouders, geen garantie is dat [de minderjarige] na de eerdere wisselingen van verzorgers opnieuw een verstoring van zijn hechting aan zou kunnen.
Bovendien wordt door de ouders nog steeds niet voldaan aan de voorwaarden om deel te kunnen nemen een dergelijk traject. In het voorjaar van 2025 is de GI bezig geweest met de aanmelding van de ouders en [de minderjarige] voor een klinische opname bij [naam2] . [naam2] heeft toen laten weten om verschillende redenen geen intake met de ouders te zullen starten. Zo moest de vader eerst werken aan zijn agressieregulatie, beschikte de vader niet over de benodigde vaste woon- of verblijfplaats en kan [naam2] niet de begeleiding bieden die de moeder nodig heeft. In zoverre is de situatie bij de ouders onveranderd gebleven, evenals hun problematiek. Er is bijvoorbeeld nog geen sprake van een stabiele leefomgeving en er is nog niet begonnen met de behandeling van de (persoonlijkheids)problematiek van beide ouders, in het bijzonder de agressieregulatie van de vader.
5.9.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het belang van [de minderjarige] zich verzet tegen het door de ouders gewenste onderzoek.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 14 januari 2026;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. L. Pieters en mr. A.K. Oostlander-Vos, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 16 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.
2.artikel 1:265c lid 2 BW.
3.artikel 810a lid 2 Rv.