Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3991

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
21-004075-19
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wegens medeplichtigheid aan oplichting en witwassen

Betrokkene is in hoger beroep gegaan tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel die het wederrechtelijk verkregen voordeel had vastgesteld op €99.500. Het hof heeft de zaak inhoudelijk behandeld op 20 mei en 3 juni 2026 en heeft daarbij ook de eerdere zitting bij de rechtbank betrokken.

Het openbaar ministerie vorderde aanvankelijk €178.000 als wederrechtelijk verkregen voordeel, verlaagd tot €21.050 in eerste aanleg en €99.500 in hoger beroep. De verdediging stelde primair afwijzing van de vordering voor vanwege een bepleite vrijspraak in de strafzaak, subsidiair een schatting van €10.000 met matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn en gebrek aan draagkracht.

Het hof oordeelt dat betrokkene financieel voordeel heeft genoten uit de bewezen feiten van medeplichtigheid aan oplichting en medeplegen van witwassen. Op basis van dossierstukken, bankafschriften en een rapport stelt het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €21.600. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep wordt erkend, maar gecompenseerd in de strafzaak. De betalingsverplichting wordt vastgesteld op €21.600, waarbij het hof niet aannemelijk acht dat betrokkene niet draagkrachtig is.

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht door de ontnemingsvordering vast te stellen op €21.600 met een betalingsverplichting aan de Staat van hetzelfde bedrag. Tevens wordt de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 180 dagen.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €21.600 en legt betrokkene de betalingsverplichting aan de Staat op dat bedrag op.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004075-19
Uitspraakdatum: 17 juni 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel van 18 juli 2019 met parketnummer 08-950637-13 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedag] 1957 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres]

Hoger beroep

betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het de beslissing van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 20 mei 2026 (inhoudelijke behandeling) en 3 juni 2026 (sluiting onderzoek) en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en zijn raadsman, mr. R. Zilver, hebben aangevoerd.

De beslissing

De rechtbank heeft het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 99.500,- en heeft de betalingsverplichting vastgesteld op datzelfde bedrag.
Het hof verenigt zich niet met de beslissing. Daarom vernietigt het hof de beslissing. Het hof doet opnieuw recht.

Vordering

Het openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 178.000,- en dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag. De vordering is ter terechtzitting in eerste aanleg verlaagd tot een bedrag van € 21.050,-.
In hoger beroep heeft het openbaar ministerie gevorderd dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 99.500,- en dat betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair afwijzing van de ontnemingsvordering bepleit in verband met de in de strafzaak bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het voordeel kan worden geschat op een bedrag van € 10.000,-, waarbij de betalingsverplichting moet worden gematigd wegens enerzijds de overschrijding van de redelijke termijn en anderzijds het ontbreken van de vereiste draagkracht bij verdachte.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Betrokkene is bij arrest van dit hof van 17 juni 2026 (21-004074-19) veroordeeld voor (1) medeplichtigheid aan oplichting voor een bedrag van € 178.000,- en (2) het medeplegen van witwassen van dat bedrag.
Uit het strafdossier [1] en de behandeling van de vordering op de zitting in hoger beroep blijkt dat betrokkene uit die feiten financieel voordeel heeft behaald. Op grond van wettige bewijsmiddelen schat het hof dat voordeel op een bedrag van € 21.600,-. Daarbij is het volgende van belang.
In een rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van 4 april 2014 [2] is op grond van de inhoud van het dossier van de strafzaak een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel opgesteld. Uit dat rapport en de onderliggende bankafschriften [3] volgt dat van het op de rekening van [cafetaria] ontvangen oplichtingsbedrag van
€ 178.000,-:
  • op 23 april 2013 een bedrag van € 19.000,- is overgemaakt naar de privérekening van betrokkene;
  • op 30 mei 2013 een bedrag van € 1.500,- is overgemaakt naar de rekening van [naam 1] , de partner van betrokkene;
  • op 30 mei 2013 € 500,- is overgemaakt naar de privérekening van betrokkene.
Van het bedrag van € 19.000,- heeft [naam 2] op 24 april 2013 een bedrag van € 10.000,- van betrokkene ontvangen met als omschrijving “ [omschrijving] ”. [4] Op basis daarvan gaat het hof ervan uit dat betrokkene daarmee een (deel)betaling heeft gedaan van het totale bedrag dat hij [naam 2] was verschuldigd voor de overname van [bedrijf] . en dat het overige bedrag van € 7.500,- ten goede is gekomen van [naam 2] .
Tot slot bevindt zich in het dossier een overeenkomst tussen [naam 2] en betrokkene waarin ten aanzien van het bedrag van € 178.000,- is afgesproken dat betrokkene op uitdrukkelijk verzoek geen aangifte heeft gedaan van “de diefstal” waarvoor [naam 2] een bedrag heeft betaald van € 8.100,-. [5] Betrokkene heeft verklaard dat hij dat bedrag daadwerkelijk heeft ontvangen. [6]
Gelet op het voorgaande komt het hof tot de volgende berekening:
€ 19.000
€ 1.500 +/+
€ 500 +/+
€ 7.500 -/-
€ 8.100+/+
€ 21.600
Op basis van het dossier is niet aannemelijk geworden dat betrokkene daarbovenop nog meer voordeel heeft genoten.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Het hof constateert een forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Namens verdachte is op 31 juli 2019 hoger beroep ingesteld. Er heeft weliswaar aanvullend onderzoek door de raadsheer-commissaris plaatsgevonden, maar dat rechtvaardigt niet dat de inhoudelijke behandeling zo lang op zich heeft laten wachten. Tijdens de regiezitting van 17 augustus 2022 was de redelijke termijn al met meer dan een jaar overschreden. Op de datum van uitspraak van dit arrest bedraagt die overschrijding op een maand na vijf jaar. Het hof zal echter volstaan met deze constatering, omdat verdachte voor de overschrijding wordt gecompenseerd in de strafzaak.
Het hof is tot slot van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene geen draagkracht heeft en dat redelijkerwijs te verwachten is dat hij in de toekomst in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen. Het hof stelt daarom de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 21.600,-.

Wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
21.600,00 (eenentwintigduizend zeshonderd euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 21.600,00 (eenentwintigduizend zeshonderd euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 180 dagen.
Deze beslissing is gewezen door mr. J. Corthals, mr. A. van Maanen en mr. G. Dam, in aanwezigheid van de griffier mr. R.W.P. Soons en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 juni 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 17 juni 2026.
Tegenwoordig:
mr. T. Bertens, voorzitter,
mr. A. Lodder, advocaat-generaal,
mr. S.J.H. Salvino, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Politie Eenheid Oost-Nederland, onderzoek 04FIN13002 KOEFUUT. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 1977-1979.
3.Schriftelijke stukken, te weten rekeningafschriften van rekeningnummer [rekeningnummer 2] t.n.v. de [betrokkene] h/o [cafetaria] , p. 429 en 437.
4.Een schriftelijk stuk, te weten een rekeningafschrift van rekeningnummer [rekeningnummer 1] t.n.v. [naam 2] en/of [naam 3] , p. 693.
5.Een schriftelijk stuk, te weten een overeenkomst tussen [betrokkene] en [naam 2] , p. 2077.
6.Verklaring van betrokkene afgelegd ter zitting van dit hof van 20 mei 2026.