Betrokkene is in hoger beroep gegaan tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel die het wederrechtelijk verkregen voordeel had vastgesteld op €99.500. Het hof heeft de zaak inhoudelijk behandeld op 20 mei en 3 juni 2026 en heeft daarbij ook de eerdere zitting bij de rechtbank betrokken.
Het openbaar ministerie vorderde aanvankelijk €178.000 als wederrechtelijk verkregen voordeel, verlaagd tot €21.050 in eerste aanleg en €99.500 in hoger beroep. De verdediging stelde primair afwijzing van de vordering voor vanwege een bepleite vrijspraak in de strafzaak, subsidiair een schatting van €10.000 met matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn en gebrek aan draagkracht.
Het hof oordeelt dat betrokkene financieel voordeel heeft genoten uit de bewezen feiten van medeplichtigheid aan oplichting en medeplegen van witwassen. Op basis van dossierstukken, bankafschriften en een rapport stelt het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €21.600. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep wordt erkend, maar gecompenseerd in de strafzaak. De betalingsverplichting wordt vastgesteld op €21.600, waarbij het hof niet aannemelijk acht dat betrokkene niet draagkrachtig is.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht door de ontnemingsvordering vast te stellen op €21.600 met een betalingsverplichting aan de Staat van hetzelfde bedrag. Tevens wordt de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 180 dagen.