ECLI:NL:GHARL:2026:4022

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
200.365.024
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 lid 1 onder a en b BWArt. 3 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 20 Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezag moeder over minderjarige in belang van het kind

De rechtbank Gelderland heeft het gezag van de moeder en vader over hun kind beëindigd vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind en het onvermogen van de ouders om binnen een aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding op zich te nemen. Het kind verblijft sinds jonge leeftijd in een pleeggezin en staat onder toezicht van een gecertificeerde instelling.

De moeder is tegen de beëindiging van haar gezag in hoger beroep gegaan, maar het hof heeft de beslissing van de rechtbank bekrachtigd. Het hof onderschrijft dat het belang van het kind voorop staat en dat het niet in het belang is dat het kind bij de moeder blijft wonen. Hoewel het contact tussen moeder en kind is verbeterd, is het zicht van de moeder op de ontwikkeling van het kind onvoldoende om beslissingen in het belang van het kind te nemen.

Daarnaast is de verstandhouding tussen de moeder en pleegouders kwetsbaar, wat de stabiliteit van de plaatsing in gevaar kan brengen. Het hof acht het noodzakelijk dat een neutrale deskundige instantie de belangen van het kind bewaakt. De beslissing om het gezag van de moeder te beëindigen blijft daarom in stand.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de moeder over het kind in het belang van het kind.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.365.024
zaaknummer rechtbank Gelderland 45278
beschikking van 18 juni 2026
over de beëindiging van het gezag over [minderjarige1]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont op een bij het hof bekend adres
advocaat: mr. Mr. M.L.J. Wekking
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
die is gevestigd in Arnhem
als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende1](de vader)
die woont op een bij het hof bekend adres
en
[belanghebbende2](de pleegouders)
per adres van de GI
als informant is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland(de GI)
die is gevestigd in Tiel

1.1. Samenvatting

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft het gezag van de moeder en de vader over [minderjarige1] beëindigd. De moeder is het daar, voor wat betreft haar eigen gezag, niet mee eens. Het hof beslist dat de beslissing van de kinderrechter zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn de ouders van [minderjarige1] geboren [in] 2020 in [plaats1] .
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige1] .
2.3.
[minderjarige1] staat sinds 19 februari 2021 onder toezicht van de GI. Daarnaast heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige1] uit huis te plaatsen. [minderjarige1] verblijft vanaf de leeftijd van één jaar in een pleeggezin. De ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing zijn bij beschikking van de kinderrechter van 15 januari 2026 verlengd tot 27 januari 2027.
2.4
[minderjarige1] woont vanaf 2023 in het huidige perspectiefbiedende pleeggezin.

3.3. De procedure bij de rechtbank

3.1.
De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van beide ouders te beëindigen.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 17 november 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank voor wat betreft haar eigen gezag over [minderjarige1] . Zij komt daarom in hoger beroep. De moeder wil dat het hof de beslissing van de rechtbank op dat onderdeel ongedaan maakt.
4.2.
De raad vindt dat de beslissing in stand moet blijven.
4.3.
De pleegouders zijn het eens met de beslissing van de rechtbank.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 16 februari 2026
  • het verweerschrift van de raad
4.5.
De zitting bij het hof was op 28 mei 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad
  • de vader
  • de pleegouders
  • twee vertegenwoordiger van de GI

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt. [1]
5.2.
Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen. [2]
Hoe oordeelt het hof?
5.3.
De rechtbank heeft het gezag van de moeder terecht beëindigd. Het hof is het eens met de overwegingen van de rechtbank. De rechtbank heeft zeer volledig beschreven waarom een gezagsbeëindiging in het belang van [minderjarige1] noodzakelijk is. Het hof neemt de motivering van de rechtbank over en voegt daaraan nog het volgende toe.
5.4.
De moeder heeft in hoger beroep benadrukt dat er geen onduidelijkheid bestaat over het perspectief van [minderjarige1] en dat zij het ook in het belang van [minderjarige1] vindt dat hij in het huidige pleeggezin blijft wonen. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat aan het wettelijk criterium voor gezagsbeëindiging is voldaan.
5.5
Verder staat voor het hof vast dat een plaatsing van [minderjarige1] bij de pleegouders op vrijwillige basis, waarbij de moeder het gezag behoudt, niet in het belang is van [minderjarige1] . [minderjarige1] heeft maandelijks contact met zijn moeder en het contact is de laatste tijd wat uitgebreid. Inmiddels heeft [minderjarige1] een keer per maand vier uur lang contact met zijn moeder. Hij komt dan bij haar op bezoek. Ook al is er wat betreft het contact sprake van een positieve ontwikkeling, de huidige situatie brengt ook mee dat de moeder een beperkt zicht heeft op hoe [minderjarige1] zich ontwikkelt en wat hij nodig heeft. Dat is wel nodig om beslissingen in zijn belang te kunnen nemen. Dat de moeder multidisciplinaire overleggen over [minderjarige1] en 10-minutengesprekken op school stelt bij te wonen, maakt de situatie op dit punt voor het hof niet anders.
De GI geeft aan dat de samenwerking met de moeder op dit moment prettig verloopt. De komst van een tweede kindje lijkt een positieve invloed op de moeder te hebben. De moeder heeft ter zitting zelf ook toegelicht dat het goed met haar gaat, maar ook dat zij nog hard aan zichzelf werkt en therapieën volgt. De GI wijst er op dat er sprake is geweest van een patroon. Moeder is goed in contact, totdat het minder goed met haar gaat en dan gaat zij uit contact. De GI heeft er nog geen vertrouwen in dat dit patroon is doorbroken. Ook de raad vindt dat er rekening mee moet worden gehouden dat een dergelijke situatie kan terugkeren. Het hof onderschrijft die zorg, met name omdat niet objectief kan worden vastgesteld dat er sprake is van een zodanige verbetering dat het patroon inderdaad is doorbroken. Dat moeder nu meer telefoons heeft waardoor zij naar eigen zeggen goed bereikbaar is en het beter met haar gaat, is daarvoor onvoldoende.
Daarnaast is ook de verhouding met de pleegouders van belang. Ter zitting is gebleken dat de moeder na de bestreden beschikking een stapje terug heeft gezet in het contact met de pleegouders. De moeder heeft hierover verklaard dat zij wat rust nodig had en dat het nu wel weer beter gaat. Het contact is volgens de moeder soms ingewikkeld, omdat de pleegouders heel andere mensen dan zij gewend is en omdat de pleegouders heel anders in het leven staan. De pleegouders hebben over het contact met de moeder verklaard dat er op dit moment alleen contact is met de moeder voor zover dat noodzakelijk is. Dit is aan hen geadviseerd vanuit de pleegzorginstantie. De advocaat van de moeder heeft ter zitting toegelicht dat de pleegouders het afgelopen jaar hebben overwogen om als pleegouders te stoppen, waarbij het hof begrijpt dat dit onder andere te maken heeft gehad met de verstandhouding met de moeder. De advocaat voegde daar namelijk aan toe dat de overdracht op een andere manier moest gaan plaatsvinden. Het hof is van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige1] is dat, als gevolg van de verhouding tussen de moeder en pleegouders, de plaatsing in het gedrang komt. Dit moet voorkomen worden. Alle betrokkenen zijn het er, zo is ter zitting gebleken, ook over eens dat het in het belang van [minderjarige1] is dat hij bij deze pleegouders blijft wonen. De moeder heeft in reactie hierop ter zitting kenbaar gemaakt dat het haar veel stress geeft dat de plaatsing bij de pleegouders mogelijk in gevaar is. Van belang voor deze procedure is vooral dat de verstandhouding tussen de moeder en de pleegouders te kwetsbaar is om de plaatsing in een vrijwillig kader voort te zetten.
5.6.
Dit alles tezamen maakt dat het nodig is dat een neutrale deskundige instantie de belangen van [minderjarige1] behartigt en bewaakt. De beslissing van de rechtbank zal in stand blijven (worden bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 17 november 2025 ten aanzien van de beslissing om het gezag van de moeder te beëindigen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, P.B. Kamminga en A.T. Bol, bijgestaan door de griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:266 lid 1 onder Pro a en b BW
2.artikel 3 en Pro artikel 20 Verdrag Pro inzake de rechten van het kind