Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:4035

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
200.354.816/01 en 200.357.290/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:144 BWArt. 4:149 BWArt. 4:204 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ontslag executeurs en benoeming professionele vereffenaar wegens verstoorde verhoudingen erfgenamen

In deze civiele zaak gaat het om het hoger beroep tegen het ontslag van twee executeurs en de benoeming van een professionele vereffenaar in de nalatenschap van een overleden moeder. De executeurs, tevens erfgenamen, werden ontslagen wegens ernstige verstoorde verhoudingen met de andere erfgenaam, die tevens bezwaar maakte tegen hun taakuitoefening.

De kantonrechter had de executeurs ontslagen en een professionele vereffenaar benoemd. De executeurs stelden dat zij hun taken konden voortzetten en dat de verstoorde verhoudingen het gevolg waren van de andere erfgenaam. De andere erfgenaam betwistte dit en stelde dat de verhoudingen onherstelbaar waren en dat de executeurs ongeschikt waren.

Het hof bevestigde de ernstige verstoorde verhoudingen, die al bestonden vóór het overlijden, en constateerde dat deze de taakuitoefening van de executeurs onmogelijk maken. Ook al was het de wens van de overledene dat deze executeurs hun taak zouden vervullen, dit kon niet tot een ander oordeel leiden. De benoeming van de professionele vereffenaar werd als noodzakelijk en passend beoordeeld. De proceskosten werden niet toegewezen vanwege de familiebanden en de aard van de nalatenschap.

Het hoger beroep werd afgewezen en de beschikkingen van de kantonrechter werden bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het ontslag van de executeurs en de benoeming van een professionele vereffenaar wegens ernstig verstoorde verhoudingen tussen erfgenamen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.354.816/01 en 200.357.290/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11451416)
beschikking van 18 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker]( [verzoeker] ),
die woont in [woonplaats1] ,
[verzoekster]( [verzoekster] ),
die woont in [woonplaats2] ,
verzoekers in hoger beroep in beide zaken,
advocaat: mr. P.F. Keuchenius te Hoorn,
en
[verweerster]( [verweerster] ),
die woont in [woonpaats3] ,
verweerster in hoger beroep in beide zaken,
advocaat: mr. M.G. Hees te Laren NH.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 24 februari 2025 en 8 mei 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure in de zaak met nummer 200.354.816/01 blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 7 mei 2025;
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens [verzoeker] en [verzoekster] van 14 juli 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens [verweerster] van 8 augustus 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens [verweerster] van 18 maart 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens [verzoeker] en [verzoekster] van 28 mei 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens [verweerster] van 28 mei 2026.
2.2.
Het verloop van de procedure in de zaak met nummer 200.357.290/01 blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 15 juli 2025;
- een brief namens [verweerster] van 16 juli 2025;
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens [verweerster] van 18 maart 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens [verzoeker] en [verzoekster] van 28 mei 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens [verweerster] van 28 mei 2026.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft op 2 april 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
2.4.
Van de zijde van [verweerster] is bezwaar gemaakt tegen het door [verzoeker] en [verzoekster] indienen in de beide zaken van aanvullende producties op 23 maart 2026. Het hof heeft deze producties wegens strijd met de beginselen van een goede procesorde buiten beschouwing gelaten.

3.De feiten en de procedure bij de rechtbank

3.1.
[in] 2024 is de moeder van partijen, [naam1] (hierna: erflaatster), overleden. Zij heeft voor het laatst over haar nalatenschap beschikt in haar testament van [datum] 2024. Daarin heeft zij onder meer tot haar erfgenamen benoemd haar dochter [verweerster] voor een gedeelte gelijk aan haar legitieme portie, en voor het resterende gedeelte voor gelijke delen [verzoeker] en [verzoekster] . Daarnaast heeft zij daarin [verzoeker] en [verzoekster] tot gezamenlijk bevoegde executeurs en afwikkelingsbewindvoerder benoemd. [verzoeker] en [verzoekster] hebben die benoeming aanvaard. Op 6 juni 2025 heeft [verweerster] de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard.
3.2.
[verweerster] heeft de kantonrechter gevraagd om [verzoeker] en [verzoekster] te ontslaan en primair een professionele executeur te benoemen en subsidiair een professionele vereffenaar. [verweerster] vindt dat de verhoudingen ernstig zijn verstoord en zij heeft vraagtekens bij de gang van zaken rondom de totstandkoming van het testament. [verzoeker] en [verzoekster] hebben bij de kantonrechter verweer gevoerd. Zij vinden dat de wens van erflaatster gevolgd moet worden en dat eventuele verstoorde verhoudingen het gevolg zijn van het eigen handelen van [verweerster] . Zij vinden dat zij executeur kunnen blijven.
3.3.
De kantonrechter heeft bij beschikking van 24 februari 2025 [verzoeker] en [verzoekster] ontslagen als executeurs/afwikkelingsbewindvoerders en bij beschikking van 8 mei 2025
mr. [naam2] (hierna: [naam2] ) tot vereffenaar in de nalatenschap van erflaatster benoemd. De beide uitspraken zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [verzoeker] en [verzoekster] hebben tegen de beide uitspraken hoger beroep ingesteld. Zij willen executeur blijven.
3.4.
[verweerster] heeft op 11 juni 2025 [verzoeker] en [verzoekster] gedagvaard. [verweerster] vond dat het testament van erflaatster niet in stand kon blijven en heeft in dat verband verschillende vorderingen ingediend. Bij vonnis van 20 mei 2026 heeft de rechtbank Midden-Nederland de vorderingen afgewezen, onder meer omdat wilsonbekwaam van erflaatster niet is komen vast te staan, en de aangevoerde redenen voor vernietiging van het testament niet zijn gevolgd, en bepaald dat de verdeling van de nalatenschap van erflaatster dient plaats te vinden conform het testament van [datum] 2024. Op verzoek van alle partijen is dit vonnis na de mondelinge behandeling bij het hof aan het hof toegestuurd, met het verzoek dit vonnis in de beoordeling te betrekken.

4.De omvang van het geschil in hoger beroep

4.1.
In de zaak met nummer 200.354.816/01 komen [verzoeker] en [verzoekster] met twee grieven in hoger beroep van de beschikking van 24 februari 2025. Zij verzoeken het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van [verweerster] om hen te ontslaan als executeurs in de nalatenschap van erflaatster alsnog af te wijzen, met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure.
4.2.
[verweerster] voert verweer. Zij verzoekt het hof om [verzoeker] en [verzoekster] niet-ontvankelijk te verklaren, althans het hoger beroep ongegrond te verklaren, met veroordeling van [verzoeker] en [verzoekster] in de kosten van de procedure.
4.3.
In de zaak met nummer 200.357.290/01 komen [verzoeker] en [verzoekster] met een gecombineerde grief in hoger beroep van de beschikking van 8 mei 2025 onder verwijzing naar hun grieven in de zaak met nummer 200.354.816/01. Zij verzoeken het hof om de bestreden beschikking te vernietigen, kosten rechtens. Zij vinden dat de benoeming van een vereffenaar niet nodig was.
4.4.
[verweerster] voert verweer. Zij verzoekt het hof om [verzoeker] en [verzoekster] niet-ontvankelijk te verklaren, althans het hoger beroep ongegrond te verklaren, met veroordeling van [verzoeker] en [verzoekster] in de kosten van de procedure.
4.5.
Het hof zal beslissen dat het ontslag van [verzoeker] en [verzoekster] in stand blijft en dat [naam2] vereffenaar blijft en licht dat hierna toe. Het hof laat de beschikkingen van de kantonrechter dus in stand.

5.De toelichting op de beslissing van het hof

Het ontslag van [verzoeker] en [verzoekster] als executeurs (zaaknummer 200.354.816/01)
5.1.
De executeur heeft op grond van artikel 4:144, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen, die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan.
5.2.
De taak van de executeur eindigt onder andere van rechtswege wanneer hij zijn werkzaamheden als zodanig heeft voltooid (artikel 4:149, eerste lid, aanhef en a BW). Daarnaast eindigt de taak van de executeur ook door het ontslag dat de kantonrechter hem met ingang van een bepaalde dag verleent (artikel 4:149, eerste lid, aanhef en f BW). Dit gebeurt op verzoek van de executeur of op grond van gewichtige redenen op verzoek van een mede-executeur, een erfgenaam, het Openbaar Ministerie dan wel ambtshalve door de rechter (artikel 4:149, tweede lid, BW).
5.3.
In de beschikking van 13 februari 2025 heeft de kantonrechter [verzoeker] en [verzoekster] ontslagen als executeurs van de nalatenschap van erflaatster, omdat de onderlinge verhoudingen tussen [verzoeker] en [verzoekster] enerzijds en [verweerster] anderzijds ernstig zijn verstoord, dit de behoorlijke taakuitoefening van de executeurs in de weg staat en herstel van de verhoudingen op afzienbare termijn niet te verwachten is. De kantonrechter is van oordeel dat er gewichtige redenen zijn voor ontslag.
5.4.
Het hof neemt de overwegingen van de kantonrechter over, maakt die na onderzoek tot de zijne en voegt daaraan het volgende toe.
5.5.
Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat de verhoudingen tussen [verzoeker] en [verzoekster] enerzijds en [verweerster] anderzijds ernstig zijn verstoord. Er is sprake van boosheid, verwijten en beschuldigingen over en weer. Dit was al het geval voordat erflaatster overleed. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een beschikking van 24 oktober 2023, waarin de goederen van erflaatster onder bewind worden gesteld. Daarin wordt gesproken over ernstige conflicten sinds 2021, verwijten over en weer en verloren vertrouwen in elkaar. In oktober 2022 heeft erflaatster aangifte gedaan van verduistering van goederen door [verzoeker] . [verzoeker] stelt dat [verweerster] erflaatster hiertoe heeft aangezet. In 2023 heeft [verzoeker] aangifte gedaan van mishandeling van erflaatster door [verweerster] , waarna Veilig Thuis onderzoek heeft gedaan. [verzoeker] en [verzoekster] beschuldigen [verweerster] onder andere van hen commanderen en het spelen van een intrigantenrol. [verweerster] beschuldigt [verzoeker] bijvoorbeeld van manipuleren en liegen. Daarbij heeft [verweerster] al op 12 december 2024, slechts 15 dagen na het overlijden van erflaatster, om het ontslag van [verzoeker] en [verzoekster] gevraagd, waarbij zij de rol van [verzoeker] bij de totstandkoming van het laatste testament van erflaatster onfris noemt. Verder stelt zij dat [verzoeker] en [verzoekster] ongeschikt zijn als executeurs. [verzoeker] en [verzoekster] enerzijds en [verweerster] anderzijds voeren meerdere procedures tegen elkaar, of hebben die gevoerd. Gezien deze ernstig verstoorde verhoudingen zullen [verzoeker] en [verzoekster] de nalatenschap van erflaatster niet op goede en voortvarende wijze kunnen afwikkelen en zijn er gewichtige redenen voor het ontslag van [verzoeker] en [verzoekster] als executeurs.
5.6.
Het hof merkt aanvullend nog op dat [verzoeker] en [verzoekster] enerzijds en [verweerster] anderzijds tegengestelde financiële belangen hebben. [verzoeker] en [verzoekster] betwisten vorderingen van [verweerster] in de nalatenschap van erflaatster op grond van het erfdeel van de vader van partijen en op grond van een schenkingsovereenkomst gesloten tussen erflaatster en partijen. [verzoeker] en [verzoekster] menen bovendien dat er een vordering is op [verweerster] , voortvloeiende uit de periode dat [verweerster] als gevolmachtigde voor erflaatster het beheer voerde. Deze tegengestelde financiële belangen maken de onderlinge verhouding nog complexer.
5.7.
Het hof laat de stelling van [verweerster] dat [verzoeker] en [verzoekster] zijn tekortgeschoten in hun taken als executeurs in de relatief korte periode dat zij executeur waren tussen het overlijden van erflaatster [in] 2024 en hun ontslag op 25 februari 2025, onbesproken. Een oordeel hierover is niet nodig, omdat de ernstig verstoorde verhoudingen al tot gevolg hebben dat [verzoeker] en [verzoekster] als executeurs worden ontslagen.
5.8.
Het feit dat het de uitdrukkelijke wens van erflaatster was dat [verzoeker] en [verzoekster] de executeurs van haar nalatenschap zouden zijn, leidt gezien de hiervoor geschetste ernstige verstoorde verhoudingen niet tot een ander oordeel over het feit dat het ontslag van [verzoeker] en [verzoekster] als executeurs in stand moet blijven.
De benoeming van de vereffenaar (zaaknummer 200.357.290/01)
5.9.
Omdat in het testament daartoe geen bevoegdheid voor de kantonrechter staat of kan worden gelezen, kon de kantonrechter geen andere (professionele) executeur benoemen, zoals [verweerster] graag wilde. De kantonrechter heeft in de plaats daarvan [naam2] tot vereffenaar in de nalatenschap van erflaatster benoemd, ondanks het feit dat op het moment van de uitspraak de nalatenschap (nog) niet beneficiair was aanvaard. De bevoegdheid komt op grond van artikel 4:204, eerste lid, BW de rechtbank toe en niet de kantonrechter. De kantonrechter heeft om praktische, proceseconomische redenen deze benoeming echter wel gedaan. Hiertegen is geen grief ingediend. [verweerster] heeft na de uitspraak de nalatenschap beneficiair aanvaard.
5.10.
[verzoeker] en [verzoekster] worden als executeurs ontslagen. Wanneer geen vereffenaar zou worden benoemd, zou dat betekenen dat partijen, als erfgenamen in de nalatenschap van erflaatster, samen de nalatenschap moeten afwikkelen. Daartoe zijn partijen niet in staat gezien de hiervoor geschetste ernstig verstoorde verhoudingen. Het hof oordeelt dat daarom de noodzaak voor een professioneel vereffenaar evident is. Het hof vindt het belangrijk dat [naam2] zijn werkzaamheden kan voortzetten en afronden. Na zijn benoeming heeft [naam2] de nodige werkzaamheden verricht, waaronder het opstellen van een boedelbeschrijving, het verzamelen van informatie en het informeren van de partijen. [naam2] is goed op de hoogte van de nalatenschap van erflaatster. Geen van de partijen heeft bezwaren tegen de persoon van [naam2] en de manier waarop hij zijn taak uitoefent. [verzoeker] en [verzoekster] hebben zelfs aangegeven dat zij, als zij hun taken als executeurs zouden mogen hervatten, [naam2] als adviseur zouden inschakelen voor de uitvoering van hun taken. Het hof is daarom van oordeel dat [naam2] zijn werkzaamheden als vereffenaar moet blijven verrichten.
De proceskosten (zaaknummers 200.354.816/01 en 200.357.290/01)
5.11.
De partijen hebben over en weer gevraagd om de ander in de proceskosten te veroordelen. Het hof zal niet tot een proceskostenveroordeling overgaan, omdat [verzoeker] , [verzoekster] en [verweerster] familie zijn van elkaar en deze zaken verband houden met de afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder, waarin zijn alle drie erfgenaam zijn. Iedere partij moet daarom de eigen kosten dragen.
De conclusie (zaaknummers 200.354.816/01 en 200.357.290/01)
5.12.
Het hoger beroep slaagt niet.

6.De beslissing

Het hof:
zaaknummer 200.354.816/01
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 24 februari 2025;
zaaknummer 200.357.290/01
6.2.
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 8 mei 2025;
zaaknummers 200.354.816/01 en 200.357.290/01
6.3.
compenseert de proceskosten in hoger beroep;
6.4.
wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.H.P. Selcraig, mr. C. Koopman en mr. C. Coster, bijgestaan door mr. S. van der Meer als griffier, en is op 18 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.