Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:4036

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
21-001319-21
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 63 SrArt. 289 SrArt. 6 EVRMArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot moord met mes na steekincident in openbare ruimte

Op 5 augustus 2020 stak verdachte samen met zijn broer het slachtoffer met messen in de buik. Het hof oordeelde dat verdachte met voorbedachte rade handelde en een aanmerkelijke kans op de dood aanvaardde door met een 30 cm lang mes krachtig te steken. Verdachte werd vrijgesproken van medeplegen omdat onvoldoende bewijs was voor nauwe samenwerking.

De rechtbank sprak verdachte eerder vrij van poging tot moord, maar het hof vernietigde dit vonnis en deed opnieuw recht. Het hof matigde de gevangenisstraf van 72 maanden naar 36 maanden vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ruim drie jaar in hoger beroep.

Verdachte had na de eerste confrontatie contact gezocht met zijn broer, een steekvoorwerp gehaald en de confrontatie met het slachtoffer opnieuw opgezocht. Het incident vond plaats op klaarlichte dag in een openbare ruimte, met ernstige gevolgen voor het slachtoffer. Verdachte heeft een strafblad en werkt als brandwacht en ZZP’er.

De straf is opgelegd rekening houdend met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf voor poging tot moord met een mes, met gedeeltelijke vrijspraak voor medeplegen en matiging wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001319-21
Uitspraakdatum: 19 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 9 maart 2021 met parketnummer 16-201900-20 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vernietiging van het vonnis van de rechtbank;
  • veroordeling van verdachte voor het primair ten laste gelegde (medeplegen poging tot moord) tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.J.E. Berfelo, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 9 maart 2021:
  • verdachte vrijgesproken van het primair (medeplegen poging tot moord/doodslag) en subsidiair (medeplegen zware mishandeling) ten laste gelegde;
  • verdachte veroordeeld voor het meer subsidiair (medeplegen poging tot zware mishandeling) ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 7 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Midden-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij, op of omstreeks 5 augustus 2020 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachte rade van het leven te beroven, opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade - met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen althans eenmaal in de buik, althans in het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden en/of - met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen althans eenmaal in de richting van de buik, althans in de richting van het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
subsidiair
hij op of omstreeks 5 augustus 2020 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer steekwonden in de buik, althans de romp, heeft toegebracht, door - met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen althans eenmaal in de buik, althans in het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] het steken en/of te prikken en/of te snijden en/of - met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen althans eenmaal in de richting van de buik, althans in de richting van het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] het steken en/of te prikken en/of te snijden.
meer subsidiair
hij op of omstreeks 5 augustus 2020 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen althans eenmaal in de buik, althans in het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden en/of - met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen althans eenmaal in de richting van de buik, althans in de richting van het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging primair ten laste gelegde (poging tot moord)

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft een bewezenverklaring gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit, medeplegen poging tot moord. Volgens de advocaat-generaal kan vastgesteld worden dat verdachte [medeverdachte] aangever in de buik heeft gestoken en dat verdachte [verdachte] met het mes heeft uitgehaald, maar aangever net heeft gemist. Aangever heeft één steekwond opgelopen in de onderkant van de buik, die tussen de 5 en 6 centimeter diep was.
Gezien de omstandigheid dat zich in de buikholte vitale lichaamsorganen bevinden, die bij een steekwond van deze diepte kunnen worden geraakt, levert dat een aanmerkelijke kans op de dood op. Op de camerabeelden is zichtbaar dat doelgericht, snel en met kracht op de buik van aangever wordt ingestoken. Wanneer de kans op in potentie dodelijk letsel bij de eerste messteek nog te gering zou zijn, kan dat juist wél worden afgeleid uit de tweede steekbeweging door verdachte [verdachte] met een mes van 30 centimeter. Hij maakt met dat mes een steekbeweging in de richting van dezelfde vitale lichaamsonderdelen. Dat de steekbeweging van verdachte [verdachte] mist en letsel uit blijft, is niet aan hem te danken.
Verdachten kunnen worden beschouwd als medeplegers. Het opzet van verdachte [medeverdachte] en verdachte [verdachte] vloeit niet alleen voert uit hun eigen afzonderlijke gedragingen, maar ook uit de evident onderling afgestemde gedragingen. De afstemming blijkt uit de snelle frequentie waarmee de interacties van de verdachten elkaar opvolgen.
Uit het dossier volgt dat sprake was van een gezamenlijk plan om aangever aan te vallen, dat dit plan na de confrontatie tussen verdachte en aangever is opgekomen, gezamenlijk is uitgedacht, in werking is gezet en vervolgens verder is uitgewerkt naar aanleiding van nieuwe ontwikkelingen. De tijd tussen het moment van de confrontatie en het steekincident heeft verdachte [verdachte] gebruikt om zich te beraden en zichzelf rekenschap te geven van de gevolgen van zijn voorgenomen daad. Daarom kan bij verdachte [verdachte] voorbedachte rade bewezen worden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Verdachte heeft geen stekende beweging gemaakt. Wanneer het hof meent dat sprake is geweest van een steekbeweging, kan alleen worden vastgesteld dat verdachte een glinsterend voorwerp vasthield. In dat geval heeft verdachte geen wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld en kan hij niet als medepleger worden aangemerkt.
De verdediging heeft het hof verzocht om aan te sluiten bij de vrijspraakoverwegingen van de rechtbank ten aanzien van de poging tot moord/doodslag. Er is geen sprake geweest van enige vorm van voorbedachte rade voor het doden van aangever. Gelet op het feit dat aangever door een klein mes, zonder veel kracht is gestoken en er geen inwendig letsel is geconstateerd, levert dat onder deze omstandigheden geen aanmerkelijke kans op de dood op.
Oordeel van het hof
Op grond van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast. [1] Het hof overweegt als volgt:
Wanneer de naam ‘ [verdachte] ’ in de navolgende overwegingen wordt genoemd, gaat het om verdachte. Wanneer ‘ [medeverdachte] ’ wordt beschreven bedoelt het hof, de broer van verdachte en tevens medeverdachte in deze strafzaak, [medeverdachte] .
Aangever bevond zich op 5 augustus 2020 in [plaats] , samen met zijn vriendin. Hij had om 13.00 uur een afspraak bij de kapper, op de hoek van [adres 2] . [2] Omdat de kapper nog 10 minuten nodig had, besloot aangever met zijn vriendin wat drinken te gaan halen. Vervolgens kwam er iemand uit [locatie 2] gelopen (
het hof stelt vast: verdachte [verdachte]), die volgens aangever te lang naar zijn vriendin keek. Aangever keek hem aan met het idee “yoo, dat is mijn vriendin, zij is hier met mij, waar is je respect?". Vervolgens hadden aangever en [verdachte] oogcontact en liep [verdachte] door richting de grote markt. Een paar meter verder keek [verdachte] om, knikte naar aangever. Daarna knikte aangever terug. Toen het oogcontact verbroken was, zag aangever dat [verdachte] meteen op zijn telefoon ging. [3]
Op 5 augustus 2020, om 13.09 uur belde [verdachte] driemaal naar zijn broer (
het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]). De telefoon werd niet opgenomen. Tussen 13.12 uur en 13.23 uur belde [verdachte] 29 keer naar [medeverdachte] , zonder dat dit tot een telefoongesprek heeft geleid. Om 13.17 uur belde [verdachte] via Whatsapp [medeverdachte] , maar dit gesprek werd niet beantwoord. Om 13.24 uur en 13.27 uur belde [verdachte] vermoedelijk met de vriendin van [medeverdachte] . Om 13.35 uur ontving [verdachte] een inkomende spraakoproep op Whatsapp van [medeverdachte] , die 33 seconden duurde. Om 13.43 uur ontving hij opnieuw een spraakoproep op Whatsapp van [medeverdachte] , die 16 seconden bedroeg. Vervolgens probeerde [verdachte] om 13.45 uur via Whatsapp [medeverdachte] te bereiken, maar dit gesprek werd niet beantwoord. [4]
Op camerabeelden van [straatnaam 2] te zien dat [verdachte] om 13.27 uur komend uit de richting van [straatnaam 1] liep in de richting van het station [plaats] Centrum. [verdachte] was aan het bellen en liep met versnelde pas. [verdachte] liep op [straatnaam 2] om 13.27 uur, met zijn handen uit zijn zakken. [5]
[medeverdachte] heeft in zijn politieverhoor verklaard dat hij woonachtig is aan de [adres 3] te [plaats] . [6]
[verdachte] heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij na de eerste confrontatie met aangever richting het huis van [medeverdachte] is gelopen. [7]
Deze woning lag in de richting waar vandaan [verdachte] om 13.36 uur kwam lopen, zoals waargenomen op camerabeelden. Uit onderzoek door de politie is gebleken dat de afstand tussen [straatnaam 2] en de [adres 3] te [plaats] zo’n 600 meter is en dat die afstand in 7 minuten te lopen is. Vanaf de [adres 3] te [plaats] naar de locatie van de camera die [verdachte] signaleerde, is het 3 minuten lopen. Gezien de locatie, de looproute, de plaats van de woning waar [verdachte] verbleef, de tijdstippen, het feit dat [verdachte] na terugkomst richting [plaats] stad zijn handen continue in zijn zakken had, alsmede dat hij tijdens het steekincident een puntig voorwerp uit zijn jaszak haalt, [8] stelt het hof vast dat [verdachte] naar de woning van [medeverdachte] is gegaan om een (steek)voorwerp op te halen. Verdachte heeft overigens zelf ook verklaard naar de woning van zijn broer geweest te zijn.
Op de camerabeelden was waarneembaar dat [verdachte] om 13.36 uur in beeld kwam lopen uit de richting van [straatnaam 3] te [plaats] en liep in de richting van het station [plaats] . [verdachte] liep met beide handen in zijn jaszakken. [9] Om 13.37 uur liep [verdachte] ter hoogte van [locatie 1] in de richting van [straatnaam 2] . [verdachte] liep alleen, met beide handen in zijn jaszakken. [10] [verdachte] liep om 13.38 uur richting [straatnaam 4] . Vervolgens begon [verdachte] te rennen, waarna hij doorrende richting [straatnaam 1] . Om 13.40 uur liep [verdachte] op de [straatnaam 5] richting [straatnaam 6] . [11] Daarna liep [verdachte] in de richting van [straatnaam 4] en de [straatnaam 7] . Daarbij had [verdachte] nog steeds zijn handen in zijn zakken. Rond 13.41 uur liep [verdachte] over [straatnaam 4] in de richting van [locatie 2] . [12]
Uit de camerabeelden gericht op het plaats delict en de beschrijving daarvan is te zien dat [verdachte] om 13.43 uur in beeld kwam lopen uit de richting van [straatnaam 8] . [verdachte] had zijn rechterhand in zijn rechterjaszak en maakte contact met een onbekende man. Vervolgens bleef [verdachte] hangen nabij de plaats delict en keek zoekend om zich heen. [13] Even later ging [verdachte] voor de winkelpui staan waar later aangever inliep. [verdachte] keek naar binnen, pakte daarna zijn telefoon en bleef staan. Aansluitend begon [verdachte] te bellen en ging hij nogmaals voor de winkelpui staan. [14] Daarop liep [verdachte] naar [straatnaam 10] , draaide zich om en liep met versnelde pas richting [locatie 2] . [verdachte] liep om 13.44 uur via [locatie 2] richting [straatnaam 9] . [15]
Daarna is op de camerabeelden te zien dat om 13.44 uur een grijskleurige Peugeot 206 komt aangereden uit de richting van [locatie 3] richting [locatie 4] . Dit voertuig viel op omdat het met verhoogde snelheid de kruising passeerde. [16] Deze auto was van [medeverdachte] en hij was daarmee naar [plaats] stad gereden. [17]
Blijkens de camerabeelden van de parkeerplaats van [locatie 4] , was zichtbaar dat om 13.44 uur voornoemde Peugeot 206 kwam aangereden. [18] Om 13.45 uur sloeg de Peugeot 206 linksaf de parkeerplaats op. Het voertuig wilde parkeren, maar reed vervolgens door en verdween uit beeld. [19] Vervolgens kwam om 13.50 uur [verdachte] uit de richting van [locatie 4] gelopen. Hij liep in de richting van de plaats delict. Kort daarna liep [medeverdachte] met versnelde pas achter [verdachte] aan. [20]
[verdachte] heeft op de zitting van de rechtbank van 23 februari 2021 verklaard dat zijn broer eraan kwam (
het hof begrijpt: [medeverdachte]). Het contact was heel snel. Hij zag [medeverdachte] en riep: “Kom”. Hij draaide om en liep meteen terug naar [locatie 2] . [medeverdachte] liep achter hem aan. Vanaf het moment dat [verdachte] [medeverdachte] had geroepen, was er enige afstand tussen hen. [21]
Nadien kwam [verdachte] , volgens de camerabeelden, om 13.50 uur naar de plaats delict gelopen, vanuit de richting van [locatie 4] . [22] [verdachte] keek vervolgens naar de winkelpui op de hoek [straatnaam 10] en vervolgens in de richting van [locatie 4] . In het midden van het beeld bleef hij vervolgens staan met zijn gezicht richting de winkels en het pand waarvan hij eerder door de pui had staan kijken direct links van hem. Aangever en zijn vriendin kwamen uit dit pand op de hoek van [straatnaam 10] gelopen, waarna [verdachte] richting aangever liep. [23]
Aangever heeft verklaard dat hij de kapperszaak uitliep en naar [verdachte] toeliep, omdat hij zag dat [verdachte] iets in zijn vest had. Hij had een blikje drinken in zijn rechterhand en wilde met zijn linkerhand spullen in zijn tas doen. [24]
[verdachte] heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij toen ook naar aangever toeliep. [25]
Er werd contact gemaakt tussen [verdachte] en aangever. Ze stonden dicht bij elkaar. Vervolgens kwam [medeverdachte] links uit de richting van [locatie 4] aangelopen. [26] [medeverdachte] liep richting [verdachte] en aangever, waarbij hij zijn rechterarm gestrekt langs zijn lichaam hield. [27] Hij had een steekvoorwerp vast in zijn rechterhand. [28] [medeverdachte] liep in een keer door naar aangever en pakte met zijn linkerhand aangever bij zijn linkerarm. Daaropvolgend maakte [medeverdachte] met zijn rechterarm een beweging naar de linkerzij van aangever. Vervolgens was er een contactmoment tussen de rechterhand van [medeverdachte] en de linkerzij van aangever. [29] Aangever kroop ineen na dat contactmoment. De hand van [medeverdachte] bleef tegen aangever aan en [medeverdachte] liep in zijn beweging door. [30]
[medeverdachte] heeft in zijn politieverhoor verklaard dat hij naar [locatie 2] is gelopen, dat hij [verdachte] zag en een soort Marokkaans uitziende jongen (
het hof begrijpt: aangever) zag aan komen lopen. Vervolgens heeft hij aangever gestoken, met het mes dat hij altijd in zijn achterzak heeft. [31] Aangever deinsde naar achter richting de winkelpui. Hij heeft aangegeven dat het voelde alsof hij een harde stomp in zijn buik kreeg. [verdachte] haalde vervolgens een voorwerp met zijn rechterhand uit zijn rechter jaszak. Dit voorwerp leek volgens de politie op een steekvoorwerp en was ongeveer 30 centimeter lang. [verdachte] bewoog met kracht zijn rechterarm naar achteren om vervolgens het voorwerp met kracht te bewegen richting het slachtoffer. [32] Het voorwerp dat [verdachte] in zijn rechterhand vasthield glinsterde. [33]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat de eerste steekbeweging (het hof begrijpt: door [medeverdachte] ) heeft plaatsgevonden met een mes van een totale lengte van 30 centimeter, met een lemmet van ongeveer 20 centimeter. De getuige heeft nog een persoon gezien met een mes in handen, dat betrof een soortgelijk mes als het mes van [medeverdachte] . [34]
Aangever heeft verklaard dat hij in zijn linker onderbuik is gestoken en dat ze in het ziekenhuis zeiden dat de wond ongeveer 5 à 6 centimeter diep was. [35] Het betrof volgens aangever een kort, scherp voorwerp. [36]
Uit de letselrapportage blijkt dat aangever is gediagnosticeerd met een steekverwonding in de linkeronderbuik. [37] De breedte van de wond bedroeg na hechting circa 25 millimeter. [38]
Alternatief scenario
[verdachte] heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij na de eerste confrontatie met aangever richting de woning van [medeverdachte] is gelopen maar dat hij vanuit deze woning geen mes of telefoonhouder heeft meegenomen. Volgens [verdachte] had hij daarna een voetbalafspraak waarvoor hij bij [locatie 2] zou worden opgehaald. Dat was de reden waarom hij weer naar [locatie 2] was gelopen. [verdachte] heeft op de zitting van het hof verder verklaard dat hij tijdens de confrontatie met aangever, waarbij aangever door [medeverdachte] werd gestoken, zelf geen mes heeft vastgehouden. Wat hij in zijn hand had betrof een telefoonhouder.
Het hof schuift de verklaring van [verdachte] over de reden dat hij na een eerste confrontatie met aangever terug is gegaan naar [locatie 2] als niet aannemelijk terzijde.
[verdachte] heeft nagelaten een naam te noemen van de persoon die hem daar zou oppikken. Dit maakt dat zijn verklaring niet te controleren is. Bovendien is het een onlogische plek om je te laten ophalen. Zeker nu dit exact op de plek was waar verdachte kort daarvoor een confrontatie met aangever had.
Daarnaast leidt het hof ook uit het gedrag van [verdachte] op de camerabeelden af dat hij met een andere bedoeling naar het winkelcentrum is teruggekeerd. Al het handelen van [verdachte] was gericht op de kapperszaak, waar aangever zich op dat moment nog bleek te bevinden. Eerst liep [verdachte] met de handen in zijn zakken richting de kapperszaak, waar hij vervolgens naar binnen keek of aangever zich daar nog bevond. Direct daarna voert hij een telefoongesprek met [medeverdachte] . Als [verdachte] even later opnieuw in beeld komt, blijft hij in de directe omgeving van de kapper staan en is niet gericht op het verkeer dat achter hem langs rijdt. Dat laatste mag wel verwacht worden als iemand staat te wachten op zijn lift naar een voetbalwedstrijd. Nadat aangever en zijn vriendin uit de kapperszaak komen gelopen, loopt [verdachte] direct richting aangever.
Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat [verdachte] terug is gekeerd naar de kapperszaak om opnieuw de confrontatie met aangever aan te gaan.
Het mes
De raadsman heeft bepleit dat [verdachte] een onbekend voorwerp vasthield en dat bovendien niet kan worden vastgesteld dat hij hiermee een stekende beweging heeft gemaakt. [verdachte] heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij geen mes vast heeft gehouden, maar dat hij een telefoonhouder in zijn hand had.
Hoe een of de betreffende telefoonhouder er uit ziet en op welk moment deze in zijn jaszak terecht zou zijn gekomen kon [verdachte] op vragen van het hof niet uitleggen. Dat op zich doet al afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring.
Het hof heeft hierboven bovendien vastgesteld dat volgens het relaas van de politie het een steekvoorwerp van [verdachte] 30 centimeter lang was. Dat sluit aan bij de verklaring van getuige [getuige] die eveneens heeft verklaard dat het mes 30 centimeter bedroeg. De enkele omstandigheid dat [getuige] de verkeerde persoon (namelijk persoon 3) noemt die de tweede steekbeweging heeft gemaakt, maakt haar verklaring niet onbruikbaar voor het bewijs. Gelet op de stills van de camerabeelden die zich in het strafdossier bevinden, acht het hof een lengte van 30 centimeter niet evident onaannemelijk. Concluderend, stelt het hof vast dat [verdachte] met een mes van 30 centimeter een steekbeweging heeft gemaakt richting aangever.
Voorbedachte rade
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat [verdachte] zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat [verdachte] voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
Uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden leidt het hof af dat [verdachte] na de eerste confrontatie met aangever om 13.00 uur, veelvuldig contact heeft gezocht met [medeverdachte] en naar de woning van [medeverdachte] is gelopen met de handen uit zijn zakken. Daar heeft [verdachte] een steekvoorwerp gepakt en is vervolgens opnieuw naar de plaats delict gelopen met een steekvoorwerp in zijn zak en zijn handen in zijn zakken. Daarna lokaliseerde [verdachte] aangever bij de kapper. Vervolgens is er op afstand kortstondig contact tussen [verdachte] en [medeverdachte] nabij [locatie 4] . Daarop liep [verdachte] voor [medeverdachte] uit richting de plaats delict. Nadat aangever de kapperszaak uit kwam lopen, liepen [verdachte] en aangever op elkaar af. Zij voerden een gesprek dat er ogenschijnlijk ontspannen aan toe ging en waarbij van geen van beide personen dreiging leek uit te gaan naar de ander. Vervolgens kwam [medeverdachte] naar de plaats delict, liep op de rustig sprekende heren af en stak zonder enige aanleiding op aangever in. Op dat moment trok [verdachte] ook zijn mes en stak in op aangever, zonder dat hij hem raakte.
Uit het voorgaande concludeert het hof dat [verdachte] de tijd tussen de eerste confrontatie met aangever en zijn steekbeweging gebruikt heeft om zich te beraden en zichzelf rekenschap te geven van de gevolgen van zijn voorgenomen daad. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin [verdachte] zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. Het hof is daarom van oordeel dat [verdachte] met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Aanmerkelijke kans op de dood
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of [verdachte] (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van aangever toen hij een steekbeweging maakte met een mes. Het hof dient te beoordelen of [verdachte] door te handelen zoals hij heeft gedaan, minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever als gevolg daarvan zou komen te overlijden. De beantwoording van de vraag of een gedraging een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal daarbij moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk is te achten.
Op basis van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat terwijl aangever achteruit deinsde doordat hij kort daarvoor was neergestoken door [medeverdachte] , [verdachte] met kracht in de richting van aangever stak. Op het moment dat [verdachte] naar aangever uithaalde met het mes, bevonden zij zich op korte afstand van elkaar. Het mes waarmee [verdachte] stak, betrof een mes van ongeveer 30 centimeter, met een lemmet van ongeveer 20 centimeter. Door onder voernoemde omstandigheden, in een situatie waar geen controle bestond over de bewegingen van aangever, met kracht, met een dergelijk groot mes te steken in de richting van aangever, bestond er een aanmerkelijke kans dat aangever ten gevolge daarvan op een zodanige plaats aan of in zijn lichaam verwond zou worden en wel dusdanig ernstig dat hij zou komen te overlijden.
Uit de uiterlijke verschijningsvorm is af te leiden dat [verdachte] deze aanmerkelijke kans op de dood ook heeft aanvaard. Het met kracht, met een mes van ongeveer 30 centimeter, op korte afstand van aangever, steken in diens richting, kan naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen van het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat [verdachte] de aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is het hof niet gebleken. Dat het uiteindelijke gevolg niet is ingetreden is een gelukkig toeval en niet te danken aan het handelen van [verdachte] .
Partiële vrijspraak medeplegen
Het hof kan op basis van het strafdossier en het onderzoek op de zitting van het hof niet vaststellen dat [verdachte] aantoonbaar nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn broer bij het ten laste gelegde feit. Duidelijk is dat de broers, onder andere met elkaar, telefonisch contact hebben gehad voorafgaand aan de steekpartij. Van de inhoud van deze gesprekken is het hof niet meer bekend, dan wat beide verdachten daarover hebben verklaard. Uit deze afgelegde verklaringen kan niet worden afgeleid dat [verdachte] aan [medeverdachte] heeft verteld wat er exact was gebeurd tussen hem en aangever. Van overleg tussen hen beiden op het moment dat [medeverdachte] bij het winkelcentrum was gearriveerd is het hof niet gebleken. Zij zijn toen steeds op afstand van elkaar gebleven blijkens de camerabeelden. Zij kwamen pas bij elkaar toen [medeverdachte] ook bij aangever aankwam.
Op grond hiervan kan niet vastgesteld worden dat [verdachte] en [medeverdachte] hun handelen op enig moment op elkaar hebben afgestemd.
Het enige dat het hof kan vaststellen, is dat [medeverdachte] naar aanleiding van contact met zijn broertje naar het winkelcentrum is gekomen. Het enkele feit dat beiden op aangever insteken met een mes, maakt niet dat [medeverdachte] als medepleger kan worden aangemerkt. Ook de gang van zaken rondom het steken van de beide broers zoals dat zichtbaar is op de camerabeelden van beide steekbewegingen biedt naar het oordeel van het hof onvoldoende aanknopingspunten om [verdachte] als medepleger aan te merken. Alleen het feit dat de steekhandelingen elkaar snel opvolgen en dat beide verdachten geen schrikreactie laten zien na het steken door de medeverdachte, is voor het hof onvoldoende redengevend om van medeplegen te kunnen spreken. Het hof spreekt [verdachte] partieel vrij voor het ten laste gelegde medeplegen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij, op 5 augustus 2020 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven te beroven, opzettelijk en met voorbedachten rade met een mes, eenmaal in de richting van [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot moord.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering.
Standpunt van de verdediging
De raadsman verzocht, in geval van veroordeling, aan verdachte geen langere gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Gelet op de rol van verdachte in het geheel, zijn persoonlijke omstandigheden, het strafblad en het tijdsverloop is het niet wenselijk dat verdachte opnieuw de gevangenis in moet.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord van aangever. Verdachte had een woordelijke confrontatie met het slachtoffer, waarna hij een plan heeft bedacht om aangever van het leven te beroven. Verdachte is naar de woning van [medeverdachte] gegaan om vermoedelijk een mes te pakken, dat hij vervolgens heeft meegenomen naar de plaats waar hij aangever eerder was tegengekomen. Verdachte wachtte op het slachtoffer tot hij uit de kapperszaak kwam, hield hem aan de praat en vervolgens keek hij of [medeverdachte] er al aan kwam. Nadat [medeverdachte] uit het niets kwam aangelopen en het slachtoffer heeft gestoken in zijn onderbuik, heeft verdachte een mes gepakt en ook geprobeerd om het slachtoffer te steken. Verdachte heeft hiermee alle grenzen overschreden. Dat geen vitale organen zijn geraakt is een gelukkig toeval, en is niet aan verdachte te danken.
Verdachte heeft met zijn handelen een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort misdrijven nog lange tijd de psychische gevolgen
hiervan kunnen ondervinden. Het steekincident vond plaats op klaarlichte dag en in de openbare ruimte. Feiten als deze brengen in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij teweeg.
Strafblad
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 4 mei 2026, waaruit blijkt dat hij in 2025 onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten uit 2019. Daarnaast houdt het hof rekening met de toepassing van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
De persoon van verdachte
Verder neemt het hof in aanmerking de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting door verdachte en zijn raadsman naar voren zijn gebracht. Daaruit volgt dat verdachte werkt als brandwacht en daarnaast zichzelf laat inhuren als ZZP’er.
Strafoplegging
Het hof is van oordeel dat het uitgangspunt voor het feit zoals door verdachte gepleegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur dient te zijn.
Naar het oordeel van het hof heeft de raadsman geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het hof de oplegging van de door hem bepleite strafmodaliteiten aangewezen acht. Het hof begrijpt dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur impact heeft op de persoonlijke situatie van verdachte. Op basis van de ernst van het bewezenverklaarde feit, kan naar het oordeel van het hof echter niet worden volstaan met de door de raadsman bepleite duur van de gevangenisstraf, in combinatie met een taakstraf of voorwaardelijke gevangenisstraf.
Overschrijding redelijke termijn
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in hoger beroep is overschreden. Tussen het moment van het instellen van hoger beroep door de officier van justitie en verdachte op 18 maart 2021 en de uitspraak in hoger beroep op 19 juni 2026 zijn 5 jaren en 3 maanden verstreken. De normtermijn die voor de afdoening in hoger beroep staat, bedraagt in dit geval 2 jaren. De redelijke termijn is hiermee overschreden met ruim 3 jaren en 3 maanden, waardoor het hof de op te leggen gevangenisstraf zal matigen.
Het hof acht in beginsel, gelet op de aard en ernst van het feit, een gevangenisstraf van 72 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 45, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
36 (zesendertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. A.F. van Kooij en mr. J.F.C. Schnitzler, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 19 juni 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoelt het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar doorgenummerde paginanummers betreffen dit de paginanummers van het proces-verbaal Einddossier van 23 oktober 2020, proces-
2.PV van verhoor getuige [getuige] , pagina 113.
3.PV van bevindingen, pagina 118.
4.PV van bevindingen, pagina 256.
5.PV van bevindingen, pagina 258.
6.PV verhoor verdachte [medeverdachte] , pagina 75.
7.PV van de zitting van het hof 5 juni 2026, verklaring verdachte [verdachte] .
8.PV van bevindingen, pagina 261.
9.PV van bevindingen, pagina 141.
10.PV van bevindingen, pagina 142.
11.PV van bevindingen, pagina 143.
12.PV van bevindingen, pagina 144.
13.PV van bevindingen, pagina 145.
14.PV van bevindingen, pagina 146.
15.PV van bevindingen, pagina 147.
16.PV van bevindingen, pagina 148.
17.PV van verhoor [medeverdachte] , pagina 77.
18.PV van bevindingen, pagina 174.
19.PV van bevindingen, pagina 176.
20.PV van bevindingen, pagina 177.
21.PV van de zitting van de rechtbank 23 februari 2021, verklaring [verdachte] , pagina 3.
22.PV van bevindingen, pagina 121.
23.PV van bevindingen, pagina 122.
24.PV van bevindingen, pagina 117.
25.PV van de zitting van het hof 5 juni 2026, verklaring verdachte [verdachte] .
26.PV van bevindingen, pagina 122.
27.PV van bevindingen, pagina 123.
28.PV van bevindingen, pagina 124.
29.PV van bevindingen, pagina 125.
30.PV van bevindingen, pagina 126.
31.PV verhoor verdachte [medeverdachte] , pagina 77.
32.PV van bevindingen, pagina 127.
33.PV van bevindingen, pagina 128.
34.PV verhoor getuige [getuige] , pagina 114.
35.PV van bevindingen, pagina 117.
36.PV van bevindingen, pagina 105.
37.Een geschrift, Letselrapportage GGD Flevoland door C. Chiu, van 6 augustus 2020, pagina 2.
38.Een geschrift, Letselrapportage GGD Flevoland door C. Chiu, van 6 augustus 2020, pagina 4.