Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 17 juni 2026 het vonnis van de politierechter vernietigd en in hoger beroep opnieuw recht gedaan. Verdachte werd veroordeeld voor een woninginbraak op 21 september 2023 waarbij diverse goederen en contant geld werden weggenomen. Het hof achtte de herkenning van verdachte op camerabeelden door verbalisanten betrouwbaar en voldoende bewijs voor de betrokkenheid bij de diefstal.
De politierechter had verdachte eerder veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf en toewijzing van een schadevergoeding aan de benadeelde partij. Het hof bevestigde deze straf en schadevergoeding, maar sprak verdachte vrij van het zich toegang verschaffen met een valse sleutel wegens onvoldoende bewijs. Het hof hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder eerdere veroordelingen en een ontkennende proceshouding, die negatief meewegen.
De benadeelde partij vorderde €3.700 aan schadevergoeding, waarvan €3.450 materiële en €250 immateriële schade. Het hof wees de materiële schade toe met wettelijke rente vanaf de datum van de inbraak, maar wees de immateriële schade af wegens onvoldoende onderbouwing van geestelijk letsel. Verdachte en mededader zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de materiële schade. Het hof legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op en bepaalde de duur van gijzeling voor niet-nakoming.
De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof achtte de opgelegde gevangenisstraf passend en zag geen reden af te wijken van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor woninginbraken zonder recidive.