Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:4058

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
21-001895-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 63 SrArt. 311 SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling woninginbraak op klaarlichte dag met toewijzing materiële schadevergoeding

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 17 juni 2026 het vonnis van de politierechter vernietigd en in hoger beroep opnieuw recht gedaan. Verdachte werd veroordeeld voor een woninginbraak op 21 september 2023 waarbij diverse goederen en contant geld werden weggenomen. Het hof achtte de herkenning van verdachte op camerabeelden door verbalisanten betrouwbaar en voldoende bewijs voor de betrokkenheid bij de diefstal.

De politierechter had verdachte eerder veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf en toewijzing van een schadevergoeding aan de benadeelde partij. Het hof bevestigde deze straf en schadevergoeding, maar sprak verdachte vrij van het zich toegang verschaffen met een valse sleutel wegens onvoldoende bewijs. Het hof hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder eerdere veroordelingen en een ontkennende proceshouding, die negatief meewegen.

De benadeelde partij vorderde €3.700 aan schadevergoeding, waarvan €3.450 materiële en €250 immateriële schade. Het hof wees de materiële schade toe met wettelijke rente vanaf de datum van de inbraak, maar wees de immateriële schade af wegens onvoldoende onderbouwing van geestelijk letsel. Verdachte en mededader zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de materiële schade. Het hof legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op en bepaalde de duur van gijzeling voor niet-nakoming.

De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof achtte de opgelegde gevangenisstraf passend en zag geen reden af te wijken van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor woninginbraken zonder recidive.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf en toewijzing van materiële schadevergoeding van €3.450.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001895-25
Uitspraakdatum: 17 juni 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 14 april 2025 met parketnummer 18-213365-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] ,
op dit moment vanwege een andere strafzaak verblijvende in P.I. [locatie] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de politierechter. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.P. van der Graaf, en van hetgeen namens de benadeelde partij [benadeelde] door zijn advocaat
mr. M.E.W. Rupert, naar voren is gebracht.

Het vonnis

De politierechter heeft verdachte bij vonnis van 14 april 2025 ter zake het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden onvoorwaardelijk. De politierechter heeft tevens de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] volledig toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof vernietigt het vonnis omdat dat efficiënter is en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 21 september 2023 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan de [adres] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),
- een rugtas en/of
- wiet en/of
- een computerspel en/of
- een kluis en/of
- een geldbedrag (van ongeveer 3500 euro),
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel door onbevoegd gebruik te maken van een sleutel die tot opening van een slot van een toegangsdeur van de woning van die Jalink dient.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken.
De raadsman heeft hiertoe – kort gezegd - aangevoerd dat nu het dossier geen ander bewijs dan een proces-verbaal van herkenning bevat waaruit de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde kan worden vastgesteld en die herkenning van de verbalisanten slechts gebaseerd is op algemene en niet specifieke onderscheidende zaken, de verdachte moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van de overtuiging. Volgens de raadsman kan niet met de vereiste mate van overtuiging worden vastgesteld dat het verdachte is die op de beelden is te zien.
Het hof is van oordeel dit verweer wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals die later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof kan zich vinden in de navolgende overwegingen die de politierechter in het vonnis met betrekking tot het bewijs heeft opgenomen en hieronder cursief zijn weergegeven.
Het hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne.
‘De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde
feit heeft begaan gelet op de camerabeelden, de aangifte van de benadeelde partij
[benadeelde] en de herkenning van de verdachte door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . De politierechter herkent daarnaast zelf verdachte op basis van de stand van zijn oren, postuur en gezichtsuitdrukking. Deze overtuiging wordt gesteund door het feit dat de verdachte tijdens zijn verhoor hetzelfde T-shirt draagt als de persoon op de camerabeelden.
De politierechter spreekt de verdachte vrij van het zich de toegang tot de woning verschaffen met behulp van een valse sleutel. Hiervoor biedt het dossier onvoldoende steun.’
Het hof vult daarbij aan dat de beide verbalisanten in een afzonderlijk proces-verbaal en na eigen onderzoek tot de conclusie zijn gekomen dat de man ‘NN1’ op de camerabeelden van [adres] verdachte is, ook gelet op de soortgelijke spijkerbroek met meerdere scheuren en een roodgekleurde ritssluiting als de spijkerbroek die hij zo’n drie weken later toont op zijn Facebookpagina. Al met al twijfelt het hof er niet aan dat het verdachte is die samen met medeverdachte Dokter op de camerabeelden te zien is.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 21 september 2023 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een ander, in een woning, gelegen aan [adres] , alwaar verdachte en zijn mededader zich buiten weten van de rechthebbende bevonden,
- een rugtas en
- wiet en
- een computerspel en
- een kluis en
- een geldbedrag (van ongeveer 3500 euro),
die aan [benadeelde] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan een woninginbraak op klaarlichte dag. Hierbij zijn meerdere goederen en contant geld weggenomen. Dit is een ernstig feit. Woninginbraken veroorzaken niet alleen veel schade en ongerief, maar ook gevoelens van onveiligheid bij de betrokkene.
Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 4 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten, waaronder vermogensdelicten.
Het hof houdt bij de strafoplegging verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die door verdachte en zijn de raadsman naar voren zijn gebracht ter terechtzitting van het hof en blijken uit het over verdachte opgemaakte rapport van de reclassering (Leger des Heils) van 31 maart 2025.
Uit voornoemd rapport blijkt dat verdachte op veertienjarige leeftijd voor het eerst in beeld kwam bij justitie, waarna er meerdere veroordelingen volgden. In 2023 werd een reclasseringstoezicht in het kader van een voorwaardelijke veroordeling voortijdig negatief beëindigd omdat verdachte zich niet aan de bijzondere voorwaarden hield en is verdachte naar België gevlucht. Verdachte zit nu gedetineerd voor een andere zaak. Volgens de reclassering verbleef verdachte voorafgaand aan de huidige detentie op verschillende plaatsen, had hij geen legaal inkomen en was er sprake van risicovolle sociale contacten. Vanwege de ontkennende proceshouding van verdachte kon de reclassering niet tot een risicotaxatie komen, waardoor ze geen plan van aanpak konden maken gericht op recidivevermindering en ze derhalve geen bijzondere voorwaarden kunnen adviseren.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het eerst wel goed met hem ging in de P.I., maar dat hij sinds een paar weken gedoe heeft met mensen van de beveiliging en PIW-ers omdat hij is betrapt met het in het bezit hebben van een telefoon. Verdachte zit nu vrijwillig in de isoleer. Verdachte wil na zijn detentie verhuizen naar België of Frankrijk om daar een schoonmaakbedrijf op te zetten.
Het hof heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor een woninginbraak zonder recidive hanteert het LOVS als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van drie maanden onvoorwaardelijk.
Het feit dat verdachte is blijven ontkennen, weegt het hof in dit geval ten nadele van verdachte mee. Wat het hof betreft is dit een ontkenning ‘tegen beter weten in’.
Het spreekt voor zich dat het de verdachte vrij staat om in strijd met de waarheid te kiezen voor een ontkennende proceshouding. Verdachte ontneemt zichzelf daarmee echter de mogelijkheid om spijt te betuigen omtrent het door hem veroorzaakte leed, om inzicht te tonen in het laakbare van zijn daad en om voor die daad en de gevolgen daarvan ook de verantwoordelijkheid te nemen. Deze proceshouding van verdachte vormt voor het hof een contra-indicatie voor de oplegging van een door de raadsman bepleite mildere straf.
Alles overziend acht het hof het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, zoals opgelegd door de politierechter en is geëist door de advocaat-generaal passend en geboden en zal verdachte daartoe veroordelen. Het hof ziet geen reden om in het voordeel van verdachte van de hiervoor genoemde oriëntatiepunten af te wijken.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.700,00 ingediend, bestaande uit € 3.450,- aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade. De politierechter heeft dit bedrag toegewezen.
Materiële schade
Het hof zal de gevorderde materiële schade ter hoogte van € 3.450,- toewijzen, nu deze schade niet is betwist en het hof de schade niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2023, tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Immateriële schade
Artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen.
Van geen van deze gevallen is hier sprake. In dit verband is met name van belang dat ook geen sprake is van de in dat artikel genoemde “aantasting in de persoon op andere wijze”.
Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan sprake zijn als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
Hoewel de inbraak zonder meer een ingrijpende ervaring moet zijn geweest voor de benadeelde partij, is wat de benadeelde partij daarover heeft aangevoerd vergelijkbaar met de gevolgen die iedereen ervaart nadat onbekenden in de woning zijn geweest en spullen hebben meegenomen. De benadeelde partij heeft onvoldoende onderbouwd dat bij hem sprake is van geestelijk letsel als gevolg van het handelen van verdachte op 21 september 2023.
Het hof zal daarom de benadeelde partij in haar vordering voor wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Het hof stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en
dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. Het hof zal daarom bepalen dat verdachte de materiële schadevergoeding niet meer aan de
benadeelde partij hoeft te betalen indien de mededader deze al heeft betaald, en
andersom.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.450,00 (drieduizend vierhonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 3.450,00 (drieduizend vierhonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 34 (vierendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 21 september 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Hielkema, mr. L.J. Hofstra en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier H. Pool en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 juni 2026.
Mr. Hofstra en mr. Pieters zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.