Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:4061

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
25/52 en 25/53
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Wet op de omzetbelasting 1968Verordening op de heffing en de invordering van leges 2022Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012)Artikel 2.1, eerste lid, onder a, Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep legesheffing omgevingsvergunning bouwkosten inclusief omzetbelasting

Belanghebbende diende in 2022 twee aanvragen in voor omgevingsvergunningen voor niet-standaard bouwwerken, waarbij bouwkostenramingen werden opgegeven exclusief omzetbelasting. De heffingsambtenaar legde legesaanslagen op waarbij de bouwkosten werden vermeerderd met 21% omzetbelasting. Belanghebbende betwistte deze vermeerdering en stelde dat de bouwkosten exclusief omzetbelasting moesten worden gehanteerd.

De Rechtbank Gelderland verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het Hof oordeelde dat de Tarieventabel leges 2022 voorschrijft dat bouwkosten inclusief omzetbelasting moeten worden genomen, ook als de aannemingssom volgens UAV 2012 exclusief omzetbelasting is. De verwijzing naar bouwkosten in de Tarieventabel is algemeen en niet beperkt tot situaties van zelfwerkzaamheid.

Daarnaast stelde belanghebbende dat de heffingsambtenaar het zorgvuldigheidsbeginsel had geschonden door pas in de beroepsfase uitleg te geven over de afwijking van de bouwkostenraming. Het Hof vond deze gang van zaken onzorgvuldig en bepaalde dat de heffingsambtenaar de door belanghebbende betaalde griffierechten in beroep en hoger beroep moet vergoeden.

Het hoger beroep werd inhoudelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de bouwkosten voor legesheffing dienen inclusief omzetbelasting te worden genomen, met vergoeding van griffierechten aan belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 25/52 en 25/53
uitspraakdatum: 16 juni 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 14 november 2024, nummers
ARN 23/2654 en 23/2656, in het geding tussen belanghebbende en
De heffingsambtenaar van belastingcentrum Tribuut(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen leges opgelegd:
  • aanslag leges 2022 van de gemeente Apeldoorn met dagtekening 20 juli 2022 tot een bedrag van € 33.009,50;
  • aanslag leges 2022 van de gemeente Apeldoorn met dagtekening 30 juli 2022 tot een bedrag van € 38.538,50.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft, op verzoek van belanghebbende en met instemming van de heffingsambtenaar, door middel van een videoverbinding plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] namens belanghebbende en
mr. G.H. Schoorl, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam2] namens de heffingsambtenaar. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft in 2022 twee aanvragen ingediend voor een omgevingsvergunning voor niet-standaard bouwwerken. Belanghebbende heeft bij deze aanvragen als ramingen van de bouwkosten bedragen van € 1.100.000 en € 1.300.000 exclusief omzetbelasting opgegeven. De aanvragen zijn in 2022 in behandeling genomen.
2.2.
In verband met het in behandeling nemen van de aanvragen zijn aan belanghebbende de aanslagen leges opgelegd. Daarbij is de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de heffingsgrondslag uitgegaan van de door belanghebbende opgegeven ramingen van de bouwkosten vermeerderd met 21% omzetbelasting (€ 1.331.000 en € 1.573.000).

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de heffingsambtenaar de heffingsgrondslag correct heeft vastgesteld. Meer in het bijzonder is in geschil of de ramingen van de bouwkosten als bedoeld in 2.1 dienen te worden vermeerderd met omzetbelasting, hetgeen door de heffingsambtenaar wordt gesteld en door belanghebbende wordt betwist.
3.2.
Verder is in geschil of de heffingsambtenaar het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door eerst in de beroepsfase aan belanghebbende uit te leggen waarom bij het opleggen van de aanslagen is afgeweken van de door belanghebbende opgegeven raming van de bouwkosten.

4.Beoordeling van het geschil

Heffingsgrondslag
4.1.
De legesaanslagen zijn opgelegd op grond van de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2022, zoals vastgesteld door de Gemeenteraad van de gemeente Apeldoorn op 11 november 2021 (hierna: de Verordening). De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij de Verordening behorende Tarieventabel leges 2022 (hierna: de Tarieventabel). In de Tarieventabel is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
“(…)
B. “niet-standaard” bouwwerken:
2.1.1.2
Onder de bouwkosten die niet in bovenstaande tabel zijn genoemd wordt in dit hoofdstuk verstaan de aannemingssom als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012, Stcrt. 2012, 1567) voor het uit te voeren werk of voor zover deze ontbreekt een raming van de kosten die voortvloeien uit aangegane verplichtingen voor de fysieke realisatie (het bouwen) van de bouwwerken. Indien het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt wordt in deze titel onder bouwkosten verstaan: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft. In de bouwkosten is begrepen de omzetbelasting ongeacht of de belastingplichtige de omzetbelasting terzake al dan niet op de voet van artikel 15 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 voor aftrek in aanmerking kan brengen;
(…)
2.3.1.2
Indien de aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo en het een “niet-standaard” bouwwerk betreft als bedoeld in artikel 2.1.1.2 bedraagt het tarief
€ 12,25 voor elke € 500,-- bouwkosten
(…)”
4.2.
Tussen partijen is naar het oordeel van het Hof terecht niet in geschil dat de maatstaf van heffing en het tarief op basis van deze bepalingen in de Tarieventabel zijn vastgesteld.
4.3.
In de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012) is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
“(…) de aannemingssom: het bedrag, waarvoor de aannemer zich heeft verbonden het werk tot stand te brengen, de omzetbelasting daarin niet begrepen; (…)”
4.4.
Op grond van de Tarieventabel wordt de heffingsgrondslag gevormd door de “bouwkosten”. Onder de bouwkosten wordt verstaan de aannemingssom conform de UAV 2012, of, voor zover deze aannemingssom ontbreekt, een raming van de kosten, of, voor zover sprake is van zelfwerkzaamheid, de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk. De laatste volzin van artikel 2.1.1.2 bepaalt dat in de bouwkosten de omzetbelasting is begrepen. Het Hof verstaat deze zin aldus, dat de bouwkosten dienen te worden vermeerderd met de omzetbelasting.
4.5.
Belanghebbende bepleit dat deze laatste volzin alleen verwijst naar “de bouwkosten” voor de situatie waarin sprake is van een zelfwerkzaamheid. Zij vindt steun voor dit standpunt in de omstandigheid dat, voor het geval sprake is van een aannemingssom, wordt verwezen naar de UAV 2012 en dat in dat geval derhalve juist sprake is van bouwkosten die expliciet niet zijn vermeerderd met omzetbelasting.
4.6.
De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat de laatste volzin geldt voor alle gevallen en dat in alle omstandigheden de bouwkosten, voor zover de omzetbelasting hierin nog niet is begrepen, worden vermeerderd met deze omzetbelasting.
4.7.
Het Hof oordeelt als volgt. Weliswaar staat de laatste volzin van artikel 2.1.1.2 van de Tarieventabel direct na het zinsdeel dat bepaalt wat onder bouwkosten moet worden verstaan in geval van een zelfwerkzaamheid, maar uit niets blijkt dat deze laatste volzin alleen zou verwijzen naar de bouwkosten voor dat geval. In deze laatste volzin wordt immers in zijn algemeenheid verwezen naar “de bouwkosten” zonder hierin enige beperking aan te brengen. Naar het oordeel van het Hof volgt uit deze ongeclausuleerde verwijzing naar “de bouwkosten” dat alle bouwkosten zoals deze in artikel 2.1.1.2 zijn gedefinieerd uiteindelijk dienen te worden vermeerderd met omzetbelasting, ook als sprake is van een aannemingssom en niettegenstaande het feit dat de UAV 2012 bepaalt dat in de aannemingssom de omzetbelasting niet wordt begrepen. Hetgeen belanghebbende heeft gesteld met betrekking tot de UAV 2012 stuit af op dit oordeel, nog los van het feit dat belanghebbende geen aanneemsom als bedoeld in de tarieventabel ten grondslag heeft gelegd aan zijn aanvraag, maar een raming van de bouwkosten (zie 2.1).
Zorgvuldigheidsbeginsel
4.8.
De heffingsambtenaar heeft de aanslagen waarin wordt afgeweken van de door belanghebbende opgegeven bouwkosten rauwelijks opgelegd. Dat wil zeggen, zonder voorafgaand overleg of voorafgaande aankondiging. In bezwaar heeft belanghebbende meermalen gevraagd om uitleg omtrent de afwijking. Deze betrekkelijk eenvoudig te geven uitleg (de door belanghebbende opgegeven raming is gevolgd, doch wel vermeerderd met 21% omzetbelasting) heeft de heffingsambtenaar eerst in de beroepsfase gegeven. Hij heeft daarbij niet aangegeven waarom deze uitleg, ondanks de herhaalde verzoeken van belanghebbende, niet eerder werd gegeven. Ook in hoger beroep heeft belanghebbende weer geklaagd over deze gang van zaken. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar bevestigd dat eerst na de uitspraken op bezwaar de door belanghebbende gevraagde toelichting is gegeven. Het Hof ziet in deze onzorgvuldige gang van zaken zijdens de heffingsambtenaar aanleiding te bepalen dat de heffingsambtenaar de in beroep en hoger beroep door belanghebbende betaalde griffierechten dient te vergoeden.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof:
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het in beroep (€ 365) en hoger beroep (€ 559) door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en
mr. J.W. Keuning, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is op 16 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (R.A.V. Boxem)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.