ECLI:NL:GHARL:2026:4093

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
21-001597-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: Veroordeling voor brandstichting, mishandeling, vernieling en diefstal met voorwaardelijke gevangenisstraf

In hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan. Verdachte werd veroordeeld voor brandstichting door middel van vuurwerk, meerdere mishandelingen, vernieling van een ruit en diefstal van diverse goederen. Het hof sprak verdachte vrij van enkele tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende bewijs.

Het bewijs bestond uit getuigenverklaringen, camerabeelden en verklaringen van betrokkenen, waaronder de zoon van verdachte. De mishandelingen en vernielingen werden wettig en overtuigend bewezen verklaard. De brandstichting werd bewezen door het plaatsen van aangestoken vuurwerk in de brievenbus van het slachtoffer, waarbij sprake was van gemeen gevaar voor goederen. De diefstal van diverse goederen uit de woning van het slachtoffer werd eveneens bewezen verklaard.

Het hof hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn eerdere justitiële contacten en zijn bereidheid tot behandeling en reclasseringstoezicht. De straf werd vastgesteld op 10 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, verbonden aan bijzondere voorwaarden zoals een alcoholverbod en ambulante behandeling.

De vorderingen van de benadeelde partijen werden deels toegewezen: immateriële schadevergoeding van €250 aan een minderjarige benadeelde en €1.000 aan een andere benadeelde, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Materiële schadevorderingen werden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest werd uitgesproken op 19 juni 2026 door het hof in Zwolle.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en deels toegewezen schadevergoedingen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001597-25
Uitspraakdatum: 19 juni 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 1 april 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-381637-24, 18-036675-25 en 18-366559-24, tegen

[verdachte] ,geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] , wonende [adres] ,thans uit anderen hoofde verblijvende in Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 5 juni 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van de hem tenlastegelegde brandstichting, mishandelingen, vernielingen en diefstal tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast vordert de advocaat-generaal toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Faber, de advocaat van de benadeelde partij mevrouw [benadeelde 1] , mr. A.D. Arends, en mevrouw R. Ruiter van Slachtofferhulp namens benadeelde partij [benadeelde 2] hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft verdachte ten aanzien van de hem tenlastegelegde mishandelingen,
vernielingen, diefstal en brandstichting veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van € 2.168,53 en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] toegewezen tot een bedrag van € 500,00, beide met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente. De politierechter heeft de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
Het hof komt in dit arrest tot een (deels) andere beslissing over het bewijs, de strafoplegging en de vorderingen van de benadeelde partijen dan de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 18-381637-24:
1.
hij op of omstreeks 1 december 2024, te [plaats] , [slachtoffer] , heeft mishandeld door (met kracht) meermalen op/tegen de borstkas en/of het bovenlichaam te stompen en/of te slaan, en/of [benadeelde 2] (geboren [geboortedatum] 2013), heeft mishandeld door meermalen (met kracht) die [benadeelde 2] te duwen, (mede) ten gevolge waarvan die [benadeelde 2] (telkens) op/tegen een (puntige) bedrand/voeteneind van een bed is gevallen;
2.
hij op of omstreeks 1 december 2024, te [plaats] ,
opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een achterdeur, van een woning gelegen
aan of bij [adres] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer]
, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
Zaak met parketnummer 18-366559-24:
1.
hij op of omstreeks 1 januari 2024 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een auto en/of autoruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2. primair
hij op of omstreeks 1 januari 2024 te [plaats] opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht door vuurwerk in brand te steken, althans (open) vuur in aanraking te brengen met vuurwerk en/of (vervolgens) het aangestoken vuurwerk in en/of door de brievenbus van de woning van [benadeelde 1] te plaatsen en/of te gooien, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een deur, brievenbus, gordijn en/of deurmat te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 januari 2024 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een deur, brievenbus, gordijn en/of deurmat, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
Zaak met parketnummer 18-036675-25:
primair:
hij op of omstreeks 29 januari 2025, te [plaats] , in of uit een woning, gelegen aan of bij [adres] , (onder meer) een sd kaart en/of een pasjeshouder (met passen van de kinderen van [slachtoffer] ) en/of geld en/of kettingen en/of een usd stick en/of een telefoon en/of een horloge en/of een sleutelbos en/of een id kaart, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door die woning te betreden door gebruik te maken van een eerder gemaakte duplicaatsleutel;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 januari 2025, te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in of uit een woning, gelegen aan of bij [adres] , (onder meer) een sd kaart en/of een pasjeshouder (met passen van de kinderen van [slachtoffer] ) en/of geld en/of kettingen en/of een usd stick en/of een telefoon en/of een horloge en/of een sleutelbos en/of een id kaart, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, immers, heeft hij, verdachte, die woning betreden door gebruik te maken van een eerder gemaakte (en niet teruggegeven) duplicaatsleutel, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18-366559-24 onder 1 tenlastegelegde
Het hof overweegt dat verdachte en [medeverdachte] elkaar aanwijzen als dader van de vernieling van de autoruit van aangeefster. Hoewel het voor de hand ligt dat één van hen de vernieling heeft gepleegd, bevat het dossier onvoldoende ondersteunend bewijs dat verdachte degene is geweest die de autoruit heeft vernield. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Zaak met parketnummer 18-381637-24
Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de mishandelingen van [slachtoffer] en [benadeelde 2] wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Ten aanzien van de bewezenverklaring van deze mishandelingen is door de verdediging geen verweer gevoerd. Verdachte heeft de vernieling van de achterdeur bekend en ook dit feit kan wettig en overtuigend worden bewezen.
Standpunt verdediging
Verdachte heeft aangevoerd dat hij [benadeelde 2] heeft geduwd, waardoor zij op een zacht deel van het bed terechtkwam. Ook heeft hij verklaard dat hij [slachtoffer] heeft geduwd, maar niet geslagen en dat het klopt dat hij de ruit van de achterdeur heeft vernield. De verdediging heeft aangegeven zich te refereren aan het oordeel van het hof voor wat betreft dit feit.
Oordeel van het hof
Gezien de bewijsmiddelen zoals die zich in het dossier bevinden, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] en [benadeelde 2] heeft mishandeld zoals hieronder bewezen is verklaard en dat hij de ruit van de achterdeur van de woning van [slachtoffer] heeft vernield. De verklaring van verdachte, voor zover die erop neerkomt dat hij [slachtoffer] en [benadeelde 2] slechts zodanig geduwd heeft, dat geen pijn of letsel is veroorzaakt, acht het hof gelet op voornoemde bewijsmiddelen niet aannemelijk geworden.
Het in de zaak met parketnummer 18-366559-24 onder 2 primair tenlastegelegde feit
Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die het vuurwerk in de brievenbus van de woning heeft gegooid.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte ontkent degene te zijn geweest die het vuurwerk in de brievenbus van aangeefster heeft gestopt. Verdachte stelt dat [medeverdachte] de dader is geweest.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde feit wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Op 1 januari 2024 vond een brandstichting plaats in de woning van aangeefster. Niet in geschil is dat deze brand is ontstaan door vuurwerk. Het dossier bevat naast de aangifte meerdere getuigenverklaringen en camerabeelden. Bij de raadsheer-commissaris zijn meerdere getuigen gehoord.
Het hof neemt de verklaring bij de raadsheer-commissaris van [naam] , de zoon van verdachte, aanwezig tijdens de tenlastegelegde gebeurtenissen, als uitgangspunt bij de verdere beoordeling van het tenlastegelegde. [naam] was immers de enige die avond van wie met zekerheid vast te stellen is dat hij nuchter was. Het hof constateert bovendien dat de verklaring van [naam] , ondanks dat hij tijdens het tenlastegelegde nog maar 10 jaar oud was, consistent, gedetailleerd en genuanceerd is. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van [naam] ’s verklaring, te meer omdat zijn verklaring wordt ondersteund door andere zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.
[naam] heeft onder meer verklaard dat hij heeft gezien dat [medeverdachte] het vuurwerk aanstak en dat verdachte vervolgens het vuurwerk bij aangeefster in de brievenbus stopte.
Uit de camerabeelden die onderdeel uitmaken van het dossier is, hoewel de beelden niet op elk moment even duidelijk zijn, te zien dat op enig moment twee mannen teruglopen van het huis van aangeefster (de buurvrouw) naar het huis waar verdachte destijds woonde. Gelet op de inhoud van het dossier, in het bijzonder de verklaring van [naam] , is het hof van oordeel dat dit [medeverdachte] en verdachte moeten zijn geweest. Zowel [medeverdachte] als [getuige] hebben verklaard dat verdachte degene is geweest die het vuurwerk in de brievenbus van aangeefster stopte. Hoewel [medeverdachte] zijn eigen aandeel in het geheel niet lijkt te erkennen, beschrijft hij wel de handelingen die volgens hem door verdachte zijn verricht.
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat de verklaring van [naam] wordt ondersteund door de camerabeelden en de verklaringen van [medeverdachte] en [getuige] . Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de brandstichting heeft gepleegd op de manier zoals die hieronder bewezen is verklaard.
Het in de zaak met parketnummer 18-036675-25 primair tenlastegelegde feit
Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte wist dat hij een straatverbod had voor de straat waar [slachtoffer] woont en zij gaf aan te zijn geschrokken van het feit dat hij in de woning was. Er moet vanuit worden gegaan dat hij met een sleutel de deur heeft geopend. De goederen die bij hem worden aangetroffen, behoren toe aan [slachtoffer] . Dat zij later op een en ander is teruggekomen, doet niet af aan het feit dat verdachte midden in de nacht plotseling onaangekondigd in haar woning stond. Verdachte had zich de goederen toegeëigend.
Standpunt verdediging
Volgens de verdediging is het onduidelijk of aangeefster uiteindelijk op de definitieve aangifte akkoord heeft gegeven. Vervolgens heeft zij aan het openbaar ministerie te kennen gegeven dat zij geen vervolging meer wenst. In de brief die zij heeft geschreven, komt aangeefster terug op de aangifte en schrijft zij dat het kan dat ze de achterdeur open heeft laten staan en dat ze heeft gezegd dat ze wilde dat verdachte naar haar toe kwam. De aanvankelijke aangifte komt niet overtuigend over. Verdachte verklaart zelf ook dat aangeefster hem had uitgenodigd en de deur heeft geopend. In dat geval kan geen sprake zijn van het verschaffen van toegang door middel van een valse sleutel. Als het hof voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig acht voor het gebruik van een valse sleutel, verzoekt de verdediging om verdachte vrij te spreken van het primair tenlastegelegde. Verdachte had de woning nog niet verlaten en de diefstal was daarmee niet voltooid.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde feit wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt hiertoe als volgt. Gelet op de inhoud van het dossier en hetgeen ter zitting in hoger beroep naar voren is gekomen, is duidelijk dat verdachte niet in de woning van aangeefster mocht komen en dat hij zich daar toch bevond. Omdat onduidelijk is hoe verdachte precies in de woning is gekomen en het dossier geen bewijs bevat voor de stelling dat verdachte een duplicaatsleutel heeft laten maken van de woning van aangeefster, spreekt het hof verdachte vrij van het onderdeel van de tenlastelegging ten aanzien van de valse (duplicaat)sleutel.
Met betrekking tot het bij verdachte aangetroffen geld is onduidelijk van wie dit geld precies was. Ten aanzien van de sleutelbos heeft verdachte verklaard dat die hem toebehoorde. Uit het dossier volgt niet dat de sleutelbos van aangeefster was. Het hof spreekt verdachte daarom eveneens vrij van de diefstal van voornoemd geld en de sleutelbos.
Het hof is van oordeel, anders dan door de verdediging wordt bepleit, dat ten aanzien van de overige bij verdachte tijdens de fouillering aangetroffen goederen wel degelijk sprake was van een voltooide diefstal, nu verdachte zich deze goederen wederrechtelijk had toegeëigend. Het gegeven dat verdachte de woning nog niet had verlaten met deze goederen, doet daaraan niet af.
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem tenlastegelegde diefstal, zoals hieronder bewezenverklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-381637-24 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 18-366559-24 onder 2 primair en in de zaak met parketnummer 18-036675-25 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 18-381637-24:
1.
hij op 1 december 2024, te [plaats] , [slachtoffer] heeft mishandeld door met kracht meermalen tegen het bovenlichaam te stompen en [benadeelde 2] (geboren [geboortedatum] 2013) heeft mishandeld door meermalen met kracht die [benadeelde 2] te duwen, (mede) ten gevolge waarvan die [benadeelde 2] telkens op/tegen een bedrand/voeteneind van een bed is gevallen;
2.
hij op 1 december 2024, te [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een achterdeur, van een woning gelegen aan of bij [adres] die aan [slachtoffer] toebehoorde heeft vernield.
Zaak met parketnummer 18-366559-24:
2. primair
hij op 1 januari 2024 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht door aangestoken vuurwerk in de brievenbus van de woning van [benadeelde 1] te plaatsen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een deur, brievenbus, gordijn en deurmat te duchten was.
Zaak met parketnummer 18-036675-25:
1. primair
hij op 29 januari 2025, te [plaats] , in of uit een woning, gelegen aan of bij [adres] , (onder meer) een SD-kaart, een pasjeshouder (met passen van de kinderen van [slachtoffer] ), kettingen, een usb-stick, een telefoon, een horloge en een ID-kaart, die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 18-381637-24 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 18-381637-24 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, beschadigen of onbruikbaar maken.
Het in de zaak met parketnummer 18-366559-24 onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Het in de zaak met parketnummer 18-036675-25 primair bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting (door middel van vuurwerk), mishandelingen, vernieling en diefstal. Door zijn handelen heeft verdachte angst en pijn veroorzaakt bij de slachtoffers en heeft hij geen respect gehad voor hun eigendommen. De mishandelingen vonden plaats in het huis van het slachtoffer, een plek waar zij en haar dochter zich bij uitstek veilig zouden moeten voelen.
Uit het strafblad van verdachte van 4 mei 2026 blijkt dat verdachte meermalen eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie, onder meer met betrekking tot vergelijkbare feiten. Het hof weegt dit in het nadeel van verdachte mee.
Het hof houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die uit het dossier en ter zitting naar voren zijn gekomen. Verdachte is aan het werk als internationaal vrachtwagenchauffeur. Op dit moment zit hij een detentie van 14 dagen uit. Verdachte staat onder bewind en is bezig met het aflossen van zijn schulden. Hij staat onder behandeling bij Trajectum en heeft zich vrijwillig aangemeld bij Verslavingszorg Noord-Nederland (VNN) voor hulp bij het stoppen met alcohol. Verdachte gebruikt daar inmiddels een half jaar medicatie voor. De relatie met aangeefster [slachtoffer] wil verdachte graag voortzetten, onder meer door in relatietherapie te gaan. Verdachte heeft verteld dat hij de uithuisgeplaatste kinderen ongeveer 1x per maand ziet. [naam] ziet hij niet meer. Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte aangegeven dat het gemis van zijn kinderen hem zwaar valt.
Verdachte heeft aangegeven dat hij, als stok achter de deur, openstaat voor reclasseringscontact en bijzondere voorwaarden zoals een alcoholverbod. Hij hoopt de behandeling bij Trajectum voort te mogen zetten en zijn werk te kunnen behouden.
Gelet op het voorgaande acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend en noodzakelijk. Het voorwaardelijk strafdeel dient als stok achter de deur. Het hof zal daaraan de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht, een alcoholverbod en de controle daarop en het meewerken aan een ambulante behandeling (voor zover de reclassering dit nodig vindt) verbinden.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] (parketnummer 18-381637-24 onder 1)
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 500,00 aan immateriële schade ingediend. De politierechter heeft dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd.
Op de zitting in hoger beroep en uit het dossier is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 18-381637-24 onder 1 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
Uit het dossier volgt dat de benadeelde partij enig lichamelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het bewezenverklaarde feit, waardoor zij in aanmerking komt voor een vergoeding in verband met immateriële schade. Gelet op alle omstandigheden van het geval schat het hof de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 250,00. Het hof wijst de vordering voor het overige deel af.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] (parketnummer 18-366559-24 feit 1 en 2)
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.168,53 ingediend. De politierechter heeft dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd.
De gevorderde materiële schade ziet op het onder parketnummer 18-366559-24 onder 2 tenlastegelegde feit, namelijk de vernieling van de autoruit van de benadeelde partij. Verdachte wordt vrijgesproken van het hem tenlastegelegde handelen waardoor dit deel van de schade zou zijn ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering.
Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof dat de aard en ernst van het geheel aan bewezenverklaarde handelen van verdachte, waarvan de benadeelde partij het slachtoffer is geworden, is naar het oordeel van het hof zodanig dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. Er is door middel van het plaatsen van aangestoken vuurwerk brandgesticht in de brievenbus van het huis van de benadeelde partij.
Het hof ziet aanleiding om de toe te kennen immateriële schade vast te stellen op een lager bedrag dan is gevorderd. Het hof heeft daarbij onder meer gelet op het feit dat de onderbouwing van de immateriële schade deels ziet op bezoeken aan de praktijkondersteuning van de huisarts (POH), hetgeen al voor het bewezenverklaarde feit plaatsvond, en deels op bezoeken aan een psycholoog, die weer geruime tijd ná het bewezenverklaarde feit plaatsvonden. Het hof kan op basis van de overgelegde stukken niet vaststellen of en welke relatie er bestond tussen het bewezenverklaarde feit en dit deel van de gevorderde immateriële schade. Het hof acht een immateriële schadevergoeding van € 1.000,00 billijk en wijst het overige deel af.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 157, 300, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-366559-24 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-381637-24 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 18-366559-24 onder 2 primair en in de zaak met parketnummer 18-036675-25 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-381637-24 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 18-366559-24 onder 2 primair en in de zaak met parketnummer 18-036675-25 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
10 (tien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
  • dat de verdachte gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, en meewerkt aan bloedonderzoek of urineonderzoek om dit verbod te controleren, of aan een minder ingrijpende controle met behulp van ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk middel wordt gecontroleerd.
  • dat de verdachte zich ambulant (zonder opname) gedurende de proeftijd laat behandelen door de VNN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling noodzakelijk vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is onder meer gericht op alcoholmisbruik.
  • dat de verdachte zich gedurende de proeftijd houdt aan de afspraken die hij met de reclassering maakt waar en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-381637-24 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-381637-24 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 december 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-366559-24 onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding voor het overige af.
Verklaart de benadeelde partij voor de in de zaak met parketnummer 18-366559-24 onder 1 gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-366559-24 onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 januari 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. Z.J. Oosting, mr. M.C. Fuhler en mr. I. Augusteijn, in aanwezigheid van de griffier mr. J.R. Sotthewes-de Jonge en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 19 juni 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 19 juni 2026.
Tegenwoordig:
mr. J.D. den Hartog, voorzitter,
mr. W. Gerretschen, advocaat-generaal,
D.D. Drost, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.