ECLI:NL:GHARL:2026:4095

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
21-001179-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet Werk en BijstandArt. 17 ParticipatiewetArt. 243 lid 2 SvArt. 9 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep uitkeringsfraude met deels niet-ontvankelijkverklaring wegens bestuurlijke boete

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan. Het hof verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk voor het onder 1 tenlastegelegde feit over de periode 1 maart 2016 tot en met 30 november 2018 en voor het gehele onder 2 tenlastegelegde feit, vanwege toepassing van artikel 243 lid 2 Sv Pro, omdat voor die periode reeds een bestuurlijke boete was opgelegd.

Voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 29 februari 2016 werd verdachte veroordeeld voor uitkeringsfraude door opzettelijk niet tijdig en volledig de inlichtingenplicht te vervullen omtrent inkomsten uit handel via Marktplaats. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wist dat deze gegevens van belang waren voor zijn recht op bijstand en dat hij deze bewust verzweeg.

Het hof hield rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en de ouderdom van de feiten en legde een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren op, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten. De straf is gebaseerd op diverse artikelen van het Wetboek van Strafrecht die golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren voor uitkeringsfraude over de periode 2010-2016; vervolging voor latere periode en valsheid in geschrift niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001179-25
Uitspraakdatum: 19 juni 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 28 februari 2025 met parketnummer 08-065251-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 5 juni 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van het hem onder 1 en 2 tenlastegelegde, inhoudende schending van de inlichtingenplicht op grond van de Wet Werk en Bijstand/Participatiewet en valselijk opmaken van aanvraagformulieren voor de Participatiewet, tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.J. Voors, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft geoordeeld dat de bevoegdheid van het openbaar ministerie tot strafvervolging in onderhavige zaak was vervallen op grond van het rechtsbeginsel
ne bis in idemen heeft daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging
Het hof komt in dit arrest tot een (deels) andere beslissing dan de politierechter in de rechtbank Overijssel. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2018, te [plaats] , althans in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten (de inlichtingenplicht op grond van) artikel 17 Wet Pro Werk en Bijstand en/of artikel 17 Participatiewet Pro, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een bijstandsuitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, door (telkens) opzettelijk niet tijdig en/of volledig en/of uit eigen beweging te melden aan (medewerkers van) de gemeente [plaats] , zakelijk weergegeven,
- dat hij, verdachte, (veelvuldig) goederen (via Marktplaats) verkocht en/of had verkocht, en/of (daaruit) inkomsten genoot en/of had genoten, en/of
- ( op geld waardeerbare) arbeid verrichtte en/of had verricht (te weten: handel in fietsen, elektronica, gereedschappen, auto-onderdelen, kleding en/of andere goederen);
2.
hij, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 maart 2016 tot en met 31 oktober 2017, te [plaats] , althans in Nederland, een of meerdere geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten een of meerdere aanvraagformulieren (voor de Participatiewet) van de gemeente [plaats] , waarop opgave moest worden gedaan (onder meer) van vermogen en/of inkomsten - valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijk vermeld dat hij, verdachte en/of zijn gezinsleden geen inkomsten (anders dan uit uitkering) hebben ontvangen, en/of heeft hij, verdachte, die formulieren ondertekend, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft ter zitting aangevoerd dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van beide tenlastegelegde feiten. Onder verwijzing naar een arrest van het hof ‘s Hertogenbosch [1] stelt het openbaar ministerie zich op het standpunt dat weliswaar sprake is van een opgelegde bestuurlijke boete in onderhavige zaak, maar dat geen sprake is van ‘ne bis in idem’ op grond van artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) omdat het niet om een onherroepelijke strafrechtelijke beslissing gaat. Een beroep op het ‘una via’-beginsel gaat ook niet op, omdat geen sprake is van gelijktijdige strafrechtelijke vervolging. De situatie van verdachte is vergelijkbaar met de situatie in voornoemd arrest van het hof in Den Bosch. Door de politierechter is niet inhoudelijk gemotiveerd waarom het in dit geval anders zou zijn en welke argumenten dan niet op zouden gaan.
Standpunt van de verdediging
Primair stelt de verdediging zich op het standpunt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging voor de gehele tenlastegelegde periode. De opgelegde bestuurlijke boete staat in de weg aan strafrechtelijke vervolging. De boete is ruim vóór dagvaarding in deze zaak opgelegd en voldaan. In het arrest van het hof Den Bosch waar het openbaar ministerie naar verwijst, ging het om een andere situatie en destijds bestond artikel 243 van Pro het Wetboek van Strafvervolging (hierna: Sv) nog niet.
In onderhavige zaak gaat het volgens de verdediging om een bestuurlijke boete waarbij artikel 243 tweede Pro lid Sv van toepassing is, waarin staat dat een bestuurlijke boete gelijk moet worden gesteld aan een kennisgeving niet verdere vervolging. De politierechter heeft met betrekking tot het ‘ne bis in idem’-beginsel alle relevante vergelijkingsfactoren getoetst. In onderhavige zaak is voldaan aan de criteria voor toepassing van het ‘ne bis in idem’-beginsel en is de politierechter op juiste gronden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie gekomen, aldus de verdediging.
Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat het openbaar ministerie in ieder geval niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging ten aanzien van de periode waarop de bestuursrechtelijke boete ziet, te weten 1 maart 2016 tot en met 30 november 2018.
Oordeel van het hof
De Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude (hierna: de Aanwijzing) betreft het opsporings- en vervolgingsbeleid met betrekking tot fraude met uitkeringen, verstrekt krachtens de socialezekerheidswetgeving. Op grond van de Aanwijzing vindt een strafrechtelijke interventie in beginsel pas plaats wanneer er sprake is van een benadelingsbedrag van
€ 50.000 of meer, uitzonderingen daargelaten.
In deze zaak is het nadeel dat ten onrechte ten laste van de uitvoerende instantie is gekomen in eerste instantie bepaald op €177.160,17 over de periode van 1 juni 2010 tot en met 31 december 2018. Na bezwaar is op 18 maart 2022 de uitkering van verdachte ingetrokken over de periode van 1 maart 2016 tot en met 30 november 2018 en is de ten onrechte verstrekte uitkering vastgesteld op € 24.038,26 bruto. Dit bedrag is ook teruggevorderd.
Het hof stelt vast dat aan verdachte vervolgens op 9 juni 2022 een bestuurlijke boete is opgelegd van € 810,96 met betrekking tot de periode van 1 maart 2016 tot en met 30 november 2018. Deze bestuurlijke boete is door de gemeente opgelegd voor verwijtbare schending van de inlichtingenplicht bij het aanvragen van een uitkering op grond van de Participatiewet. Vervolgens heeft het openbaar ministerie vervolging ingesteld tegen verdachte en zijn twee feiten aan verdachte ten laste gelegd: handelen in strijd met de inlichtingenplicht die gold op grond van de Wet Werk en Bijstand/ Participatiewet en valsheid in geschrift door een aanvraagformulier voor de Participatiewet valselijk op te maken.
Artikel 243, tweede lid Sv houdt het volgende in, voor zover in onderhavige zaak van belang:
“Indien terzake van het feit aan de verdachte een bestuurlijke boete is opgelegd, (…), heeft dit dezelfde rechtsgevolgen als een kennisgeving van niet verdere vervolging.”
Het hof is van oordeel dat het, bij de gedraging waarvoor de bestuurlijke boete is opgelegd en bij de gedraging waarvoor verdachte door het openbaar ministerie wordt vervolgd, gaat om gedragingen waarmee dezelfde rechtsbelangen worden beschermd, inhoudende het voorkomen van misbruik van het uitkeringsstelsel. Gelet daarop is met betrekking tot de periode van 1 maart 2016 tot en met 30 november 2018 sprake van een bestuurlijke boete die voor hetzelfde feit is opgelegd, met dezelfde rechtsgevolgen als een kennisgeving van niet verdere vervolging.
Gezien het voorgaande verklaart het hof het openbaar ministerie ter zake van het onder 1 ten laste gelegde in de periode van 1 maart 2016 tot en met 30 november 2018 en ter zake van het onder 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Het hof overweegt dat het arrest van het hof Den Bosch van 14 december 2017, waarnaar het openbaar ministerie heeft verwezen, niet ziet op een voldoende vergelijkbare situatie als de onderhavige. In het genoemde arrest was een afstemmingsmaatregel opgelegd en geen bestuurlijke boete.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs ten aanzien van het voor het overige onder 1 tenlastegelegde
Standpunt van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij geen meldplicht had voor de door hem gegeven hulp aan zijn zoon. De verkoop op Marktplaats en de werkzaamheden die daarbij hoorden, hielden verband met de handel van zijn zoon. De zoon van verdachte kocht goederen in, repareerde en verkocht deze goederen. De opbrengsten gingen naar de zoon. Verdachte heeft zijn hulp niet gezien als op geld waardeerbaar, omdat het om zijn zoon ging. Dit blijkt ook uit het feit dat het huis van verdachte sober was ingericht en hij de eventuele inkomsten uit de verkoop evident niet aan zichzelf had besteed. De verdediging is van mening dat opzet, ook in voorwaardelijke zin, niet in voldoende mate uit het dossier kan worden afgeleid, hetgeen moet leiden tot vrijspraak.
Oordeel van het hof
De tenlastegelegde periode waar het hof over oordeelt, betreft de periode van 1 januari 2010
tot en met 29 februari 2016. Verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de sociale recherche [2] verklaard dat hij wist dat hij het bij de gemeente moest melden als hij aan het werk ging. Uit het dossier blijkt onder meer dat verdachte op zijn eigen naam advertenties plaatste, op pad ging om spullen op te halen en klanten te woord stond. Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep erkend dat hij deze handelingen heeft verricht in de tenlastegelegde periode. Gelet op de inhoud van het dossier overweegt het hof dat het niet aannemelijk is dat de daar beschreven Marktplaatshandel gezien de aard en de omvang de handel van een jongen van 10 tot 16 jaar oud was (de leeftijd van de zoon van verdachte in de betreffende periode).
Het hof acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het nalaten om tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl hij wist dat die gegevens van belang waren voor zijn recht op een uitkering, dan wel de hoogte daarvan. Het tenlastegelegde feit is zodoende wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan voor zover dit betrekking heeft op de periode waarvoor het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging, te weten dat:
1.
hij, op een of meerdere tijdstippen, in de periode van 1 januari 2010 tot en met 29 februari 2016, te [plaats] ,
in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten (de inlichtingenplicht op grond van) artikel 17 Wet Pro Werk en Bijstand en/of artikel 17 Participatiewet Pro, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij, verdachte, wist, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een bijstandsuitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, door telkens opzettelijk niet tijdig en/of volledig en/of uit eigen beweging te melden aan (medewerkers van) de gemeente [plaats] , zakelijk weergegeven,
- dat hij, verdachte, (veelvuldig) goederen (via Marktplaats) verkocht en/of had verkocht en - (op geld waardeerbare) arbeid verrichtte en/of had verricht (te weten: handel in fietsen en andere goederen).

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude, door inkomsten uit (werkzaamheden voor de) handel op Marktplaats te verzwijgen. Door zijn handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het sociale zekerheidsstelsel zoals dat in Nederland bestaat en is naast de sociale dienst ook (indirect) de samenleving financieel benadeeld.
Uit het strafblad van verdachte van 4 mei 2026 volgt dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, maar niet met betrekking tot soortgelijke feiten. Het betreft bovendien grotendeels oude feiten. Het hof weegt dit dus niet ten nadele van verdachte mee.
Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte verteld dat hij inmiddels fulltime werkt als dakdekker. Hij heeft geen uitkering meer en ten aanzien van de ten onrechte ontvangen uitkering heeft hij een betalingsregeling getroffen.
Het hof houdt rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van ongeveer 2 jaren, evenals met de ouderdom van de bewezenverklaarde feiten.
Het hof is niet gebleken van bijzondere omstandigheden zoals omschreven in artikel 9a Sr die zouden moeten leiden tot een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, zoals bepleit door de raadsman.
Gelet op het voorgaande acht het hof oplegging van een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis met een proeftijd van 1 jaar passend en noodzakelijk.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 227b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 1 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van de periode van 1 maart 2016 tot en met 30 november 2018.
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde ten aanzien van de periode van 1 januari 2010 tot en met 29 februari 2016 heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Fuhler, mr. Z.J. Oosting en mr. I. Augusteijn, in aanwezigheid van de griffier mr. J.R. Sotthewes-de Jonge en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 19 juni 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 19 juni 2026.
Tegenwoordig:
mr. J.D. den Hartog, voorzitter,
mr. W. Gerretschen, advocaat-generaal,
D.D. Drost, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Voetnoten

1.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5706.
2.Nummer [nummer] , pagina 41 van het dossier van de gemeente [gemeente] , Inkomensondersteuning, Team Sociale Recherche