ECLI:NL:GHARL:2026:4117

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
21-003712-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.5 WVW 1994Art. 13 lid 1 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeerArt. 359a SvArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor rijden onder invloed van amfetamine met voorwaardelijke geldboete en rijontzegging

Verdachte werd in eerste aanleg door de politierechter veroordeeld voor twee feiten van rijden onder invloed van amfetamine, gepleegd op 6 november 2024 en 14 december 2024, met een voorwaardelijke geldboete van €1.000 en een voorwaardelijke rijontzegging van 18 maanden, beide met een proeftijd van 2 jaar. Het hof bevestigt de bewezenverklaring van beide feiten, ondanks een overschrijding van de wettelijke termijn voor het inzenden van het bloedmonster.

De verdediging voerde aan dat de late verzending van het bloedmonster bewijsuitsluiting rechtvaardigt, en dat verdachte vanwege medicatiegebruik voor ADHD vrijgesproken moet worden wegens afwezigheid van alle schuld. Het hof oordeelt echter dat de bloedmonsters conform voorschriften zijn bewaard en vervoerd, waardoor de onderzoeksresultaten betrouwbaar zijn. Het beroep op afwezigheid van alle schuld faalt omdat onvoldoende bewijs is geleverd dat verdachte de medicatie gebruikte zonder kennis van het rijverbod.

Het hof legt een voorwaardelijke geldboete van €1.000 op met een proeftijd van 2 jaar en een voorwaardelijke rijontzegging van 18 maanden met dezelfde proeftijd. Tevens wordt de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke geldboete van €350 en een rijontzegging van 9 maanden bevolen. De strafoplegging houdt rekening met de ernst van de feiten, eerdere veroordelingen en persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €1.000 en een voorwaardelijke rijontzegging van 18 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003712-25
Uitspraakdatum: 18 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 15 augustus 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 96-004145-25 en 96-021623-25, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 96-114736-22, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 4 juni 2026 en het onderzoek op de zitting van de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vernietiging van het vonnis van de politierechter;
  • veroordeling van verdachte ter zake van het tenlastegelegde onder parketnummer 96-004145-25 en het tenlastegelegde onder parketnummer 96-021623-25 tot een geldboete ter hoogte van € 2.000,00, waarvan € 1.000,00 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en oplegging van een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden, met een proeftijd van 2 jaar;
  • toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 96-114736-22 voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 350,00 en de ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsvrouw,
mr. M.J. Buitenhuis, hebben aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 15 augustus 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 96-004145-25 (het rijden onder invloed van amfetamine op 6 november 2024 in [plaats 1] ) en het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 96-021623-25 (het rijden onder invloed van amfetamine op 14 december 2024 in [plaats 2] ) veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 1.000,00, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de politierechter verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden, met een proeftijd van twee jaar.
Tevens heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de in de zaak onder parketnummer 96-021623-25 voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 350,00 en de ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden.
Het hof is van oordeel dat de politierechter op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis met aanvulling van gronden bevestigen, behalve voor zover het de strafoplegging betreft. Ten aanzien van dit onderdeel komt het hof tot een (enigszins) andere beslissing dan de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. In zoverre vernietigt het hof het vonnis. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 96-004145-25 ( [plaats 1] ). Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de politie blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal conform de voorschriften heeft gehandeld. De afgenomen bloedmonsters zijn direct na afname in de vriezer geplaatst, bevroren getransporteerd en bevroren ontvangen door het laboratorium. Er was geen enkel risico op bederf van de monsters, zodat overschrijding van de verzendtermijn van 4 weken geen afbreuk doet aan de deugdelijkheid van het onderzoek. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu het onderzoek op de juiste wijze is uitgevoerd, de resultaten daarvan bruikbaar zijn voor het bewijs. Voor zover het hof de overschrijding van de termijn van 4 weken als vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering beschouwt, heeft de advocaat-generaal het hof verzocht te volstaan met een constatering van het vormverzuim.
Ten aanzien van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 96-021623-25 ( [plaats 2] ) heeft de advocaat-generaal zich eveneens op het standpunt gesteld dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 96-004145-25 ( [plaats 1] ). Er is geen sprake van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), nu niet is voldaan aan de strikte waarborg die is neergelegd in artikel 13 lid Pro 1, aanhef en onder d van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: het Besluit). Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verzending van het bloedmonster naar het laboratorium niet binnen 4 weken heeft plaatsgevonden, terwijl er geen concrete vaststellingen kunnen worden gedaan over de wijze van bewaren van het bloed. Op basis hiervan is bewijsuitsluiting aan de orde en dient verdachte van het tenlastegelegde in deze zaak te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.
Ten aanzien van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 96-021623-25 ( [plaats 2] ) heeft de raadsvrouw bepleit dat haar cliënte destijds in verband met haar ADHD dexamfetamine gebruikte en niet wist was dat zij niet mocht rijden met deze medicatie. De raadsvrouw doet een beroep op afwezigheid van alle schuld, als gevolg waarvan cliënte dient te worden vrijgesproken.
Oordeel van het hof
Ten aanzien van het tenlastegelegde met parketnummer 96-004145-25 ( [plaats 1] )
[Amendement]
Het hof stelt het volgende voorop. De tenlastelegging is toegesneden op artikel 8 lid 5 WVW Pro. Van een onderzoek als bedoeld in deze bepaling is slechts sprake indien de strikte waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omkleed. Volgens vaste jurisprudentie leidt niet-naleving van een voorschrift dat behoort tot die strikte waarborgen tot de conclusie dat het bestanddeel ‘onderzoek’ niet kan worden bewezen, dus de verdachte van het delict omschreven in artikel 8 lid 5 WVW Pro moet worden vrijgesproken. Niet ieder voorschrift behoort echter tot dit stelsel van strikte waarborgen. Daarnaast is het zo dat de niet-naleving van een als strikte waarborg aan te merken voorschrift niet steeds dwingt tot de conclusie dat het bestanddeel ‘onderzoek’ niet kan worden bewezenverklaard: daartoe bestaat geen aanleiding als kan worden vastgesteld dat het doel van het desbetreffende voorschrift in het voorliggende geval verwezenlijkt is.
Tot de bedoelde strikte waarborgen behoren onder meer het voorschrift van artikel 13 lid Pro 1, aanhef en onder d van Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna te noemen: het Besluit), dat bepaalt dat bloedmonsters binnen vier weken op de voorgeschreven wijze verpakt bij een aangewezen laboratorium worden bezorgd (vgl. HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684). Dat voorschrift is in deze zaak niet nageleefd: op 6 november 2024 zijn bloedmonsters afgenomen, die echter pas op 10 december 2024 in het [naam] Ziekenhuis zijn ontvangen.
Hiermee is echter niet gezegd dat geen sprake was van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW Pro, dus de resultaten daarvan niet tot bewijs kunnen dienen. In dit verband komt namelijk ook betekenis toe aan de wijze waarop het bloedmonster direct na de afname van het bloed en tijdens het transport naar het laboratorium wordt bewaard en de consequenties van die bewaarwijze voor de frequentie waarmee verzending mogelijk is. Als de rechter vaststelt dat, gelet op de wijze van bewaren op het politiebureau en van vervoer naar het laboratorium, het risico op (gedeeltelijke) afbraak van alcohol, drugs of medicijnen na de bloedafname zo goed als afwezig is, staat de enkele omstandigheid dat het bloedmonster niet binnen vier weken vervoerd naar het laboratorium, niet aan gebruik van de onderzoeksresultaten in de weg.
Met betrekking tot de wijze waarop het bloedmonster direct na afname en tijdens het transport naar het laboratorium wordt bewaard, overweegt het hof als volgt. Per 1 januari 2019 geldt als werkwijze dat bloedmonsters die bij een verdachte zijn afgenomen, direct in een daarvoor bestemde vriezer bij een temperatuur van ongeveer -20 °C in het politiebureau worden opgeslagen. De bloedmonsters worden onder geconditioneerde omstandigheden van ongeveer -20 °C door het koeriersbedrijf naar het laboratorium vervoerd en aldaar eveneens bij een temperatuur van -20 °C bewaard. In deze zaak is conform deze werkwijze gehandeld: blijkens het proces-verbaal rijden onder invloed van 31 december 2024 heeft de verbalisant [verbalisant] zich ervan vergewist dat de bloedmonsters overeenkomstig het bepaalde in het Besluit zijn verzonden naar het laboratorium van het [naam] Ziekenhuis, waar de monsters volgens het rapport van het laboratorium van het [naam] Ziekenhuis d.d. 20 december 2024 bij een temperatuur van - 20 °C zijn bewaard. Gezien deze omstandigheden bestond naar het oordeel van het hof geen gevaar voor bederf van de bloedmonsters, en doet de te late inzending daarvan geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten.
Het hof volstaat daarom met de constatering dat de termijn voor inzending van de monsters is geschonden; het verbindt daaraan verder geen gevolgen.
Ten aanzien van het tenlastegelegde met parketnummer 96-021623-25 ( [plaats 2] )
Het hof overweegt dat verdachte in haar verhoor bij de politie heeft verklaard medicatie te gebruiken voor haar ADHD. Hierbij heeft verdachte niet gespecificeerd welke medicatie het betreft. Verdachte heeft wel verklaard op de hoogte te zijn dat de medicatie onder de Opiumwet valt en invloed kan hebben op het reactievermogen. Ook op de zitting bij de politierechter heeft verdachte verklaard medicatie te slikken voor haar ADHD, maar evenmin niet geconcretiseerd welke medicatie dit betreft. De raadsvrouw heeft op de zitting van het hof aangevoerd dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit voor haar ADHD op voorschrift het medicijn dexamfetamine gebruikte. De verdediging heeft echter geen medicatielijst of andere stukken overlegd waaruit blijkt dat verdachte deze medicatie voorgeschreven kreeg voor haar ADHD. Het hof acht het standpunt van de raadsvrouw daarom niet aannemelijk geworden.
Het hof is van oordeel dat de tenlastegelegde feiten in de zaak met parketnummer 96-004145-25 en met parketnummer 96-021623-25 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in een eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 96-004145-25 en in de zaak met parketnummer 96-021623-25 wordt veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 2.000,00, waarvan € 1.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast vordert de advocaat-generaal de oplegging van een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.
Standpunt van de verdediging
Indien het hof tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsvrouw verzocht te volstaan met een voorwaardelijke geldboete met een proeftijd van 1 jaar. De raadsvrouw heeft verzocht de ontzegging van de rijbevoegdheid niet op te leggen, nu dat geen doel treft.
Oordeel van het hof
De hierna genoemde strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek op de zitting van het hof is gebleken. Daarbij heeft het hof in bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen.
Met de politierechter is het hof van oordeel dat verdachte zich tweemaal schuldig heeft gemaakt aan rijden onder invloed van amfetamine, op 6 november 2024 te [plaats 1] en op 14 december 2024 te [plaats 2] , waarbij de gemeten waardes fors boven de grenswaardes uitkwamen. Met dit gedrag heeft verdachte zichzelf en andere weggebruikers in gevaar gebracht. Door aldus te handelen heeft verdachte blijk gegeven van een miskenning van haar verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer.
Het hof heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 4 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Het hof weegt dit in strafverzwarende zin mee.
Ook heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze op de zitting van het hof naar voren zijn gebracht, waaronder het feit dat zij een uitkering heeft, onder bewind staat en momenteel in haar eentje de zorg voor haar twee kinderen heeft. Zij heeft haar auto weggedaan.
Gelet op het bovenstaande acht het hof – evenals de politierechter – een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 1.000,00 met een proeftijd van 2 jaren, passend. Anders dan de politierechter stelt het hof de vervangende hechtenis bij het niet (geheel) voldoen van de geldboete vast op 10 dagen, omdat de oriëntatiepunten ten aanzien van de duur van de vervangende hechtenis in de tussentijd in het voordeel van verdachte zijn gewijzigd in verband met de indexering van de boetes. Daarnaast legt het hof een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van 18 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

Vordering tenuitvoerlegging 96-114736-22

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 350,00 en de ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden dient te worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de geldboete van € 350,00. De raadsvrouw heeft verzocht de betaling van de geldboete in termijnen te laten plaatsvinden, gelet op de financiële draagkracht van haar cliënte. Ten aanzien van de ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden heeft de raadsvrouw verzocht deze af te wijzen, aangezien het geen doel treft nu haar cliënte niet meer autorijdt.
Oordeel van het hof
Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Het hof verbindt daar consequenties aan. Het hof ziet in de door de raadsvrouw op de zitting van het hof naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden geen aanleiding om de eerder voorwaardelijk opgelegde geldboete en ontzegging van de rijbevoegdheid af te wijzen. Het hof wijst de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 96-114736-22 dan ook toe. Dat betekent dat verdachte alsnog een rij-ontzegging van 9 maanden krijgt en de boete van € 350,00 alsnog moet betalen. Verdachte kan het CJIB verzoeken om de boete in termijnen te voldoen, gelet op haar financiële draagkracht.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de geldboete en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 96-004145-25 en in de zaak met parketnummer 96-021623-25 bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
18 (achttien) maanden.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 17 januari 2023, parketnummer 96-114736-22, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
een
geldboetevan
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
7 (zeven) dagen hechtenis.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 17 januari 2023, parketnummer 96-114736-22, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
ontzegging van de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
9 (negen) maanden.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. G.A. Versteeg, mr. J.A.M. Kwakman en mr. M.M. Dolman, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 18 juni 2026.