ECLI:NL:GHARL:2026:4122

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.359.222
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toetsing verlopen machtiging uithuisplaatsing minderjarige

In deze civiele zaak stond de uithuisplaatsing van een minderjarige centraal, waarbij de gecertificeerde instelling (GI) in hoger beroep was gekomen tegen de machtiging tot uithuisplaatsing. Het hof verwees naar eerdere tussenbeschikkingen en rapporten van de raad voor de kinderbescherming, die adviseerden de uithuisplaatsing voort te zetten om vastzittende patronen te doorbreken en het contact tussen de minderjarige en de vader te herstellen.

De machtiging tot uithuisplaatsing was echter verlopen op 17 juni 2026. Het hof overwoog dat hoewel een ouder op grond van het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2011 een rechtens relevant belang heeft om de rechtmatigheid van een uithuisplaatsing te laten toetsen, dit niet geldt voor de GI, omdat zij geen recht op familie- en gezinsleven met de minderjarige heeft. Hierdoor ontbrak het belang van de GI om de verlopen machtiging te toetsen.

Op basis hiervan wees het hof het verzoek van de GI in hoger beroep af. Vanwege de aard van het geding werden de proceskosten gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking werd op 23 juni 2026 uitgesproken door het hof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de gecertificeerde instelling af wegens gebrek aan rechtens relevant belang bij toetsing van de verlopen machtiging tot uithuisplaatsing.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.359.222
zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 592342, 592343 en 591321
beschikking van 23 juni 2026
over de uithuisplaatsing van
[minderjarige]
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden-Nederland,
hierna: de GI,
gevestigd in Utrecht,
en
[moeder] ,
hierna: de moeder,
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. E.I. Robert,
en
[partner moeder],
hierna: de partner van de moeder,
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. D.I.A. Schröder,
de overige belanghebbende in hoger beroep:
[vader],
hierna: de vader,
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. H. Zobuoglu,
informant in hoger beroep:
[informant],
hierna: [informant] ,
van Pantser Coaching, gevestigd in Utrecht.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 30 december 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- een rapport van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) van 23 april 2026
- een journaalbericht van mr. Zobuoglu van 13 februari 2026 met bijlage
- een brief van de GI van 15 april 2026 met bijlage
- een journaalbericht van mr. Robert van 30 mei 2026 met bijlagen
- een mailbericht van mr. Zobuoglu van 11 juni 2026 met bijlage
1.3
Op 11 juni 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet.
Aanwezig waren:
- twee vertegenwoordigers van de GI
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat
- de vader
- de partner van de moeder, bijgestaan door zijn advocaat
- een vertegenwoordiger van de raad

2.De motivering van de beslissing

2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 30 december 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
In die beschikking heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar en te adviseren over de gevolgen voor de ontwikkeling van [minderjarige] op korte en lange termijn in de situatie waarbij [minderjarige] verstoken is van contact met de vader en vrijwel zeker is dat een eenzijdig ernstig negatief beeld van de vader in stand blijft en in de situatie dat het hof [minderjarige] zal plaatsen op een neutrale plek om het negatieve patroon succesvol te doorbreken en hoe dat het beste kan worden bereikt, waaraan zo’n neutrale plek zou moeten voldoen en of dat te realiseren is op korte termijn. De behandeling van de zaak is daartoe aangehouden.
2.3
De raad heeft het hof in genoemd rapport geadviseerd om de eerder (na het moreel beraad van 18 juni 2024, dat als bijlage bij het rapport is gevoegd) door de GI ingezette weg te vervolgen en [minderjarige] uit huis te plaatsen in een neutraal pleeggezin om te proberen de vastzittende patronen te doorbreken en het contact tussen de vader en [minderjarige] te herstellen.
2.4
Op de mondelinge behandeling is het raadsrapport besproken.
2.5
Het hof oordeelt als volgt.
De machtiging voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] liep tot 17 juni 2026 en is dus al verlopen.
Een ouder die opkomt tegen een uithuisplaatsing van een minderjarig kind heeft op basis van een arrest van de Hoge Raad (HR 24 juni 2011, NJ 2011, 390) een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van die uithuisplaatsing – ook al is die verlopen – te laten toetsen, gelet op het door artikel 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn of haar familie- en gezinsleven.
In dit geval komt de GI in hoger beroep van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De GI heeft echter geen recht op familie- en gezinsleven met [minderjarige] en aan haar komt dus geen beroep toe op artikel 8 EVRM Pro zoals door de Hoge Raad is bedoeld in gemeld arrest. De GI heeft dan ook geen rechtens relevant belang meer bij toetsing van de inmiddels verlopen machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] .

3.De slotsom

3.1
Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de GI in hoger beroep dan ook afwijzen.
3.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren vanwege de aard van het geding. Dit betekent dat ieder zijn of haar eigen kosten betaalt.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
wijst het verzoek van de GI in hoger beroep af;
compenseert de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, H. Phaff en L.D.M. Rubens-Snijders, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 23 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.