Uitspraak
[minderjarige]
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond de uithuisplaatsing van een minderjarige centraal, waarbij de gecertificeerde instelling (GI) in hoger beroep was gekomen tegen de machtiging tot uithuisplaatsing. Het hof verwees naar eerdere tussenbeschikkingen en rapporten van de raad voor de kinderbescherming, die adviseerden de uithuisplaatsing voort te zetten om vastzittende patronen te doorbreken en het contact tussen de minderjarige en de vader te herstellen.
De machtiging tot uithuisplaatsing was echter verlopen op 17 juni 2026. Het hof overwoog dat hoewel een ouder op grond van het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2011 een rechtens relevant belang heeft om de rechtmatigheid van een uithuisplaatsing te laten toetsen, dit niet geldt voor de GI, omdat zij geen recht op familie- en gezinsleven met de minderjarige heeft. Hierdoor ontbrak het belang van de GI om de verlopen machtiging te toetsen.
Op basis hiervan wees het hof het verzoek van de GI in hoger beroep af. Vanwege de aard van het geding werden de proceskosten gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking werd op 23 juni 2026 uitgesproken door het hof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de gecertificeerde instelling af wegens gebrek aan rechtens relevant belang bij toetsing van de verlopen machtiging tot uithuisplaatsing.