ECLI:NL:GHARL:2026:4123

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.361.197
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 362 RvArt. 348 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie en draagkrachtberekening bij wijziging zorgregeling

De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland inzake kinderalimentatie voor een minderjarige geboren in 2023. De man en vrouw zijn de ouders en het geschil betreft de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening van de draagkracht van partijen.

De rechtbank had de kinderalimentatie vastgesteld op twee bedragen per maand, met een zorgregeling waarbij het kind het grootste deel van de tijd bij de vrouw verblijft. De man stelde in hoger beroep dat de draagkrachtberekening onjuist was omdat deze uitging van een fulltime dienstverband en het woonbudget in plaats van werkelijke woonlasten. Hij wenste meer zorg te dragen en een draagkrachtberekening op basis van vier dagen werken per week.

Het hof oordeelde dat het verzoek van de man om rekening te houden met een toekomstige wijziging van de zorgregeling niet kan worden gehonoreerd omdat de zorgregeling nog onderwerp van onderzoek is. Ook is onvoldoende onderbouwd dat de werkelijke woonlasten hoger zijn dan het forfaitaire woonbudget. De draagkrachtberekening blijft daarom gebaseerd op de huidige feitelijke situatie en het woonbudget. De grieven van de man falen en de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.

De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke partij de eigen kosten draagt. De uitspraak is gedaan door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 23 juni 2026.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst de grieven van de man af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.197
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 586922)
beschikking van 23 juni 2026
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. C.A.H. Boom,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. G.J.M. Gussenhoven.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 april 2025 en 8 augustus 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 8 augustus 2025 wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 8 november 2025;
  • het verweerschrift;
  • een journaalbericht namens de vrouw van 3 juni 2026 met producties;
  • een journaalbericht namens de man van 8 juni 2026 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 16 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat,
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2023.
3.2
Bij beschikking van 4 april 2025 heeft de rechtbank:
  • de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw bepaald;
  • de volgende
  • [de minderjarige] verblijft bij iedere zaterdag van 10.00 uur tot zondag 16.00 uur bij de vader;
  • de moeder brengt en haalt [de minderjarige] op bij de woning van opa (vz) waar de vader
verblijft;
de overdracht van [de minderjarige] geschiedt tussen de ouders zelf, zonder tussenkomst/
aanwezigheid van derden.
Verder heeft de rechtbank de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) verzocht te onderzoeken welke zorgregeling het meest in het belang van [de minderjarige] is.
3.3
Uit de beschikking van 4 april 2025 blijkt dat tijdens de daaraan voorafgaande mondelinge behandeling het verzoek van de vrouw over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) niet is besproken, omdat de verweertermijn nog niet was verstreken. De vrouw heeft verzocht de kinderalimentatie vast te stellen en de man heeft daartegen verweer gevoerd.

4.De omvang van het geschil

4.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - de te betalen kinderalimentatie vastgesteld op:
  • € 542,- per maand met ingang van 11 februari 2025; en
  • € 299,- per maand met ingang van 1 mei 2025.
Daarnaast heeft de rechtbank de op 4 april 2025 vastgestelde
voorlopigezorgregeling gehandhaafd in afwachting van het onderzoek door de raad.
4.2
De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie vast te stellen alsnog af te wijzen dan wel een beslissing te nemen als het hof juist oordeelt.
4.3
De vrouw voert verweer en vraagt het hof om de grieven van de man af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in hoger beroep.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil:
  • de ingangsdatum van de kinderalimentatie, namelijk 11 februari 2025;
  • de behoefte van [de minderjarige] van € 1.862,- per maand vanaf 11 februari 2025 en vanaf 1 mei 2025 € 886,- per maand;
  • de zorgkorting van 25%.
Draagkracht/verdiencapaciteit - grief II en grief III
5.2
De man voert in hoger beroep aan dat hij graag een groter deel van de zorg voor [de minderjarige] wil dragen. Het is de wens van de man dat [de minderjarige] evenveel bij hem is als bij de vrouw. Door bij de berekening van zijn draagkracht uit te gaan van een fulltime dienstverband wordt hem die kans ontnomen, aldus nog steeds de man. Daarom verzoekt de man het hof de draagkracht van partijen te berekenen op basis van een inkomen van vier dagen werken per week van zowel de man als de vrouw. Van de vrouw mag volgens de man in dit kader worden verwacht dat zij meer gaat werken en haar verdiencapaciteit benut.
5.3
De vrouw stelt dat de man in de procedure bij de rechtbank heeft ingestemd met een berekening van zijn draagkracht op basis van zijn daadwerkelijke inkomen en er geen gewijzigde omstandigheden zijn, zodat hij daar niet op kan terugkomen in hoger beroep. De vrouw beroept zich daarvoor op artikel 362 jo Pro artikel 348 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
Het hof gaat aan deze stelling van de vrouw voorbij omdat aan het begrip ‘gedekt verweer’ in het hoger beroep in een verzoekschriftenprocedure geen betekenis toekomt. Artikel 348 Rv Pro is van toepassing in de dagvaardingsprocedure en artikel 362 Rv Pro verklaart, anders dan de advocaat van de vrouw kennelijk meent, niet artikel 348 Rv Pro maar de derde titel (De verzoekschriftprocedure in eerste aanleg) in hoger beroep van toepassing.
5.4
Het hof overweegt verder dat het verzoek van de man voortkomt uit zijn wens om in de toekomst meer zorg voor [de minderjarige] te dragen. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt echter dat er veel problemen tussen partijen zijn en dat de vrouw recent zelfs heeft verzocht om de vastgestelde voorlopige zorgregeling te beëindigen. Bovendien doet de raad voor de kinderbescherming onderzoek, althans gaat onderzoek doen, naar de vraag welke zorgregeling het meest in het belang is van [de minderjarige] . Onder deze omstandigheden kan het hof op dit moment niet vaststellen welke vorm en omvang de zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] zal krijgen. Het hof ziet dan ook geen reden om vooruit te lopen op een eventuele toekomstige wijziging van de zorgregeling.
5.5
Evenals de rechtbank is het hof daarom van oordeel dat bij de berekening van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van de huidige feitelijke situatie voor wat betreft zijn inkomen.
5.6
Het hof ziet, mede om voornoemde redenen, evenmin reden om bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uit te gaan van een fictieve verdiencapaciteit. De man baseert dit (grotendeels) ook op zijn wens om meer zorg voor [de minderjarige] te dragen, maar daarvan is nu geen sprake. De vrouw draagt het grootste deel van de zorg voor [de minderjarige] . Het hof oordeelt in die omstandigheden een dienstverband van drie dagen per week redelijk. Dit is ook de feitelijke situatie aan de zijde van de vrouw.
5.6
De grieven II en III falen en dus niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking.
Woonlasten man - grief I
5.7
De man voert aan dat hij in eerste aanleg bij de berekening van zijn draagkracht heeft ingestemd met toepassing van het woonbudget, omdat zijn werkelijke woonlasten op dat moment nog niet bekend waren. Inmiddels zijn, zo stelt de man, zijn werkelijke woonlasten wel duidelijk en die liggen aanzienlijk hoger dan het woonbudget. Daarom vraagt de man om bij de berekening van zijn draagkracht rekening te houden met zijn werkelijke woonlasten.
5.8
Ter onderbouwing van zijn woonlasten heeft de man uitsluitend bankafschriften overgelegd, zonder enige toelichting. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man verklaard dat de afschrijvingen van Florius de hypotheeklasten betreffen, dat de man daarnaast kosten heeft voor de vereniging van eigenaren, dat hij gemeentelijke belastingen moet betalen en energiekosten heeft. Het hof overweegt dat de man volstrekt onvoldoende heeft onderbouwd dat het hof bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet houden met zijn werkelijke woonlasten. Het had op de weg van de man gelegen om bewijsstukken van deze lasten te overleggen en dat niet te beperken tot het overleggen van enkele bankafschriften, gelet ook op de gemotiveerde betwisting van de vrouw. Uit de bankafschriften blijkt slechts een feitelijke betaling aan een andere partij, maar niet wat de grondslag daarvoor is. De man had dus met onderliggende bewijsstukken zijn werkelijke woonlasten inzichtelijk moeten maken en hij had inzichtelijk moeten maken in hoeverre deze woonlasten het woonbudget overstijgen. Beide heeft de man nagelaten, zodat reeds daarom zijn eerste grief niet kan slagen.
5.9
Daarbij komt bovendien dat de noodzaak om hogere woonlasten aan te gaan dan het voor de man geldende woonbudget geenszins is gebleken. De enkele verwijzing naar de huidige woningmarkt en de omstandigheid dat de man in dezelfde wijk wil blijven wonen, zijn van onvoldoende gewicht om af te wijken van de toepassing van het woonbudget. In zijn beroepschrift stelt de man nog dat hij niet in aanmerking komt voor sociale huur en niet voldoet aan de inkomenseisen voor de vrije sector, maar ook dat is verder in het geheel niet onderbouwd. Nu niet is gebleken dat de
gesteldehogere woonlasten niet vermijdbaar waren, is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat bij de berekening van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met de forfaitaire woonlast.
5.1
Ook grief I faalt.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 augustus 2025;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, S. Kuijpers en A.T. Bol, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 23 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.