ECLI:NL:GHARL:2026:4133

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.363.014
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c lid 1 BWArt. 1:377a lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige omgangsregeling en onderzoek gezag minderjarige na hoger beroep vader

De vader is in hoger beroep gegaan tegen de beslissing van de rechtbank die zijn verzoeken tot gezamenlijk gezag en een zorgregeling afwees. De rechtbank had wel vervangende toestemming gegeven voor erkenning van de minderjarige door de vader en bepaalde dat de moeder periodiek informatie aan de vader moest verstrekken.

Het hof overweegt dat er onvoldoende informatie is om een definitieve beslissing over het gezag te nemen en volgt het advies van de raad voor de kinderbescherming om nader onderzoek te verrichten. De raad adviseert het gezagsvraagstuk aan te houden vanwege zorgen over de opvoedingssituatie van de moeder, maar benadrukt dat het contact tussen vader en kind zo spoedig mogelijk moet worden hersteld.

Daarom stelt het hof een voorlopige omgangsregeling vast: twee uur per week begeleid contact via het buurtteam, met uitbreiding naar vier uur onbegeleid contact zodra dit verantwoord is. De zaak wordt aangehouden tot ontvangst van het rapport van de raad, waarna de behandeling wordt voortgezet. De ouders worden opgeroepen zich aan te melden bij het buurtteam voor begeleiding.

Uitkomst: Het hof stelt een voorlopige omgangsregeling vast en gelast nader onderzoek naar gezamenlijk gezag en omgang door de raad voor de kinderbescherming.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.014
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 580285)
beschikking van 23 juni 2026
over het gezag over en omgang met
[de minderjarige]
in de zaak van
[verzoeker](de vader)
die woont in [woonplaats1]
verder te noemen: de vader
advocaat: mr. A. Azauiyat
en
[verweerster](de moeder)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. R. Vermeer
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
als adviseur van het hof.

1.Samenvatting

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , heeft op 29 september 2025 de verzoeken van de vader om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] en een zorgregeling vast te stellen afgewezen. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven. Het hof zal een voorlopige omgangsregeling bepalen in afwachting van de uitkomsten van een te gelasten onderzoek naar gezag en omgang door de raad en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2023.
2.2.
De vader heeft van de rechtbank op 29 september 2025 toestemming gekregen om [de minderjarige] te erkennen.
2.3.
De moeder is alleen belast met het gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] woont bij de moeder.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De vader heeft de rechtbank verzocht:
* de vader vervangende toestemming te geven om [de minderjarige] te erkennen
* de geslachtsnaam van [de minderjarige] te wijzigen in ‘ [naam1] ’ of ‘ [naam2] ’
* een zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] vast te stellen van eens in de twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder ophaalt en terugbrengt, plus de helft van de vakanties, feest- en bijzondere dagen
* als de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling niet toewijst, de raad te gelasten een onderzoek daarnaar te verrichten.
3.2.
De rechtbank heeft de vader vervangende toestemming gegeven om [de minderjarige] te erkennen. Alle andere verzoeken van de vader zijn afgewezen. De rechtbank heeft wel bepaald dat de moeder een keer per drie maanden een e-mail met daarbij een foto aan de vader stuurt over de gezondheid van [de minderjarige] , hoe het met [de minderjarige] gaat op school en zijn hobby’s. De beslissing over het sturen van een-email aan de vader is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat wil zeggen dat die beslissing direct werkt, ook als er hoger beroep is ingesteld.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vaderis het niet eens met de beslissing van de rechtbank om zijn verzoeken over het gezag en de zorgregeling af te wijzen. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt. De vader verzoekt het hof in de eerste plaats hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] en om een zorgregeling vast te stellen van eens in de twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder ophaalt en terugbrengt, plus de helft van de vakanties, feest- en bijzondere dagen. Als het hof zijn verzoeken niet toewijst, dan vraagt de vader het hof om de raad te gelasten een onderzoek te doen naar het gezag en de zorgregeling.
4.2.
De moederis het eens met de beslissingen van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat en dat het hof de vader veroordeelt in de kosten van deze procedure.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 26 december 2025
  • het verweerschrift
  • de stukken van de vader ingediend op 16 april 2026
  • de stukken van de moeder ingediend op 20 april 2026
  • de stukken van de moeder ingediend op 24 april 2026.
4.4.
De zitting bij het hof was op 30 april 2026. Aanwezig waren:
- de vader met zijn advocaat
- de advocaat van de moeder
- een vertegenwoordiger van de raad.
5. Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
5.1
De tot het gezag bevoegde vader, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, kan de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, kan het verzoek slechts worden afgewezen indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is [1] .
5.2.
De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind [2] .
Advies raad
5.3.
De raad heeft het hof op de mondelinge behandeling bij het hof het advies gegeven de behandeling van de zaak over het gezag aan te houden zodat de raad onderzoek kan doen naar het gezag en de omgang. Dat heeft er volgens de raad mee te maken dat het in de opvoeding van de oudere kinderen van de moeder heel erg is misgegaan: de moeder is een kwetsbare vrouw en de raad wil goed in beeld hebben wat de mogelijkheden van de moeder zijn om met betrekking tot [de minderjarige] het gezag samen met de vader te kunnen delen. Met betrekking tot de omgang vindt de raad wel dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] zo snel mogelijk hersteld moet worden. Dat contact hoeft in de ogen van de raad niet lang begeleid te zijn: als dit contact volgens de begeleiders goed verloopt, dan kan dit onbegeleid plaatsvinden.
Hoe oordeelt het hof?
5.4.
Het hof heeft nog onvoldoende informatie om een beslissing over het gezag te nemen. Het hof zal daarom het advies van de raad overnemen en de raad vragen een onderzoek in te (doen) stellen naar de vraag of het in het belang van [de minderjarige] is om de vader samen met de moeder te belasten met het gezag over hem en de meest wenselijke omgangregeling.
5.5.
Het hof ziet wel aanleiding in afwachting van het raadsonderzoek een voorlopige omgangsregeling vast te stellen. Het hof ziet in de stukken en in het advies van de raad geen contra-indicaties voor contact tussen de vader en [de minderjarige] . De vader heeft [de minderjarige] sinds begin december 2025 niet meer gezien. Gezien de jonge leeftijd van [de minderjarige] , hij is twee jaar, is het voor een gezonde emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] van belang dat het contact met zijn vader zo snel mogelijk wordt hersteld. Aangezien de moeder en de vader allebei open staan voor begeleiding van de omgang via het buurtteam, zal het hof de volgende voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] vaststellen:
- twee uur per week begeleid via het buurtteam
- zodra de omgang volgens de begeleiders goed verloopt vier uur per week onbegeleid via het pleeggezin of een andere tussenpersoon.
5.6.
De moeder en de vader dienen zich daarvoor allebei zo spoedig mogelijk aan te melden bij het buurtteam in de woonplaats van de moeder.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verzoekt de raad nader onderzoek in te doen stellen naar de vraag of het in het belang van [de minderjarige] is om de vader samen met de moeder te belasten met het gezag over hem en de meest wenselijke omgangsregeling en daarover uiterlijk
18 december 2026te rapporteren
stelt vast als voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] :
- twee uur per week begeleid via het buurtteam
- zodra de omgang volgens de begeleiders goed verloopt vier uur per week onbegeleid via het pleeggezin of een andere tussenpersoon
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een na ontvangst van het rapport van de raad te bepalen datum, waarvoor de vader, de moeder en de raad zullen worden opgeroepen
bepaalt dat het onderzoek door de raad zal worden verricht onder leiding van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. P.B. Kamminga
bepaalt dat de raad zich voor vragen of opmerkingen betreffende het onderzoek zal kunnen wenden tot voornoemde raadsheer-commissaris
bepaalt dat partijen hun inlichtingen en verzoeken dienen te richten aan de raadsheer-commissaris.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, M.L. van der Bel en L.D.M. Rubens-Snijders, leden, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 23 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Dat staat in artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Dat staat in artikel 1:377a lid 3 BW