ECLI:NL:GHARL:2026:4135

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.364.375
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie met aanpassing draagkracht en zorgkorting

De vader en moeder zijn de ouders van een minderjarige met hoofdverblijfplaats bij de vader. De rechtbank had de kinderalimentatie vastgesteld op € 20 per maand vanaf 14 oktober 2025. De vader ging in hoger beroep en verzocht om een hogere bijdrage vanaf een eerdere datum. Het hof oordeelt dat de wijziging van kinderalimentatie terecht is vanwege gewijzigde omstandigheden, maar wijzigt de hoogte en bevestigt de ingangsdatum van 14 oktober 2025.

Het hof beoordeelt de draagkracht van beide ouders uitgebreid. De vader heeft een verdiencapaciteit van € 744 per maand, ondanks zijn schulden en zorg voor het kind, omdat hij niet volledig zijn verdiencapaciteit benut. De moeder heeft een draagkracht van € 750 per maand, waarbij het hof geen rekening houdt met haar schuldenlast wegens onvoldoende onderbouwing.

De behoefte van het kind is vastgesteld op € 541 per maand. De zorgkorting wordt vastgesteld op € 27 per maand omdat het kind minder dan een dag per week bij de moeder verblijft. Na verrekening van de zorgkorting moet de moeder € 245 per maand betalen vanaf 14 oktober 2025, oplopend naar € 256 per maand vanaf 1 januari 2026. Proceskosten worden niet aan de vader opgelegd en elke partij draagt eigen kosten in hoger beroep.

Uitkomst: De moeder moet vanaf 14 oktober 2025 € 245 per maand kinderalimentatie betalen, oplopend naar € 256 per maand vanaf 1 januari 2026, met zorgkorting en aangepaste draagkracht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.364.375
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 594734
beschikking van 23 juni 2026
over de kinderalimentatie voor [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoeker](de vader)
die woont in [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam]
advocaat: mr. E.C.A.E. Verschuren
en
[verweerster](de moeder)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. I.P.J. van den Heuvel-Beerens

1.Samenvatting

De rechtbank heeft de door de moeder aan de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna: kinderalimentatie) gewijzigd en bepaald dat de kinderalimentatie vanaf 14 oktober 2025 € 20 per maand bedraagt. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en bepaalt dat de door de moeder aan de vader te betalen kinderalimentatie vanaf 14 oktober 2025 € 242 per maand bedraagt en met ingang van 1 januari 2026 € 253 per maand bedraagt. Het hof legt hierna uit waarom het hof zo beslist.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren [in] 2008 en heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vader.
2.2.
In de beschikking van 23 juli 2024 heeft de rechtbank de tussen de ouders gemaakte afspraken over kinderalimentatie opgenomen. Tussen de ouders is afgesproken dat de kinderalimentatie met ingang van de datum dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader wordt bepaald op nihil wordt gesteld. Zij hebben afgesproken dat er vanaf dat moment geen alimentatieverplichting (meer) zal bestaan, dat de vader de verblijfskosten van [de minderjarige] zal betalen en dat de moeder de eventuele OV-kosten voor school voor haar rekening zal nemen. Ook heeft de moeder toegezegd dat zij de schoolkosten voor [de minderjarige] voor haar rekening zal nemen, mits de vader haar informeert en betrekt in de schoolkeuze voor [de minderjarige] . Als [de minderjarige] ergens extra geld voor nodig heeft, kan zij dit onderling met de moeder afstemmen en zullen zij dat samen regelen. De vader kan geen aanspraak maken op deze afspraak. Verder hebben de ouders afgesproken dat de vader volledig aanspraak kan maken op de toeslagen en dat de moeder daarop geen aanspraak (meer) zal maken.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De vader heeft verzocht het bedrag aan kinderalimentatie dat de moeder aan de vader moet betalen vanaf 23 juli 2024 te wijzigen naar € 352 per maand.
3.2.
De rechtbank heeft beslist dat de moeder vanaf 14 oktober 2025 een bedrag van € 20 per maand aan kinderalimentatie aan de vader moet betalen.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 31 oktober 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt, de door de moeder te betalen kinderalimentatie wijzigt en, zo begrijpt het hof, bepaalt dat de moeder (
primair) met ingang van 23 juli 2024 en anders (
subsidiair) met ingang van 5 juni 2025 kinderalimentatie aan hem moet betalen ter hoogte van € 432 en anders vanaf een datum en/of ter hoogte van een bedrag die het hof juist vindt.
4.2.
De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof die beslissing in stand laat en de vader veroordeelt in de werkelijk gemaakte proceskosten van de moeder in eerste aanleg en in hoger beroep van € 4.700 voor rechtsbijstand en € 662 voor het griffierecht, vermeerderd met de wettelijke rente tot het moment dat aan de veroordeling is voldaan.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 30 januari 2026
  • het verweerschrift
  • de stukken van de moeder ingediend op 30 april 2026
  • de stukken van de vader ingediend op 1 mei 2026
  • het stuk van de vader ingediend op 7 mei 2026
  • de spreekaantekeningen van de advocaat van de moeder
  • het stuk van de moeder overhandigd tijdens de zitting
4.4.
[de minderjarige] heeft een brief geschreven aan het hof. Zij heeft daarin verteld hoe zij over de kinderalimentatie denkt.
4.5.
De zitting bij het hof was op 12 mei 2026. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat
  • de moeder met haar advocaat

5.Het oordeel van het hof

De kinderalimentatie
Wijziging van omstandigheden
5.1.
Er is geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan zoals bedoeld in artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
De ingangsdatum (grief 7)
5.2.
De rechtbank heeft de kinderalimentatie met ingang van 14 oktober 2025 gewijzigd.
De vader is het niet eens met die ingangsdatum en verzoekt het hof om de bijdrage met ingang van een eerdere datum, namelijk 23 juli 2024 dan wel 5 juni 2025, te wijzigen. De vader stelt zich – kort weergegeven – op het standpunt dat de moeder de in de beschikking van 23 juli 2024 gemaakte afspraken niet is nagekomen en dat zij er rekening mee had kunnen houden dat zij diende bij te dragen in de kosten voor [de minderjarige] . De bijdrage dient dan ook per die datum te worden gewijzigd, maar uiterlijk per 5 juni 2025, de datum waarop de vader het verzoekschrift in eerste aanleg heeft ingediend.
De moeder voert hiertegen verweer en voert op haar beurt – kort weergegeven – aan dat de rechtbank de juiste ingangsdatum heeft gehanteerd. De reden voor de wijziging is dat [de minderjarige] klem is komen te zitten en niet dat de moeder de gemaakte afspraken niet zou nakomen. De moeder was het niet eens met een wijziging en kon zich ook niet voorbereiden op een mogelijke wijziging omdat de vader niet voldoende (financiële) informatie geeft. Als het hof tot een aangepaste bijdrage komt, dan moet als ingangsdatum de datum van de beschikking van het hof worden gehanteerd, aldus de moeder.
5.3.
Als de rechter een alimentatieverplichting oplegt, wijzigt of laat eindigen, dan heeft hij (op grond van artikel 1:402 BW Pro) grote vrijheid bij het bepalen van de ingangsdatum. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum van de bestreden beschikking.
Hoe oordeelt het hof?
5.4.
Het hof ziet in wat de vader stelt geen aanleiding om de ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie op een eerdere datum te bepalen. Zoals de moeder terecht heeft aangedragen hangt de reden voor wijziging van de kinderalimentatie niet samen met enig niet nakomen door de moeder van de door partijen gemaakte afspraken, maar met het feit dat [de minderjarige] als gevolg van die afspraken inmiddels klem is komen te zitten tussen haar ouders. Een wijziging per 23 juli 2024 ligt dan ook niet in de rede. Dat geldt ook voor een wijziging per 5 juni 2025, de datum waarop de vader het wijzigingsverzoek heeft ingediend. Zoals de rechtbank al heeft overwogen heeft de vader zijn financiële stukken pas kort voor de zitting bij de rechtbank beschikbaar gemaakt, zodat niet kan worden gezegd dat de moeder al eerder concreet rekening kon houden met een wijziging in haar verplichtingen. Dit kon de moeder naar het oordeel van het hof echter wel voldoende vanaf de door de rechtbank gehanteerde datum. Het hof ziet in wat de moeder heeft gesteld dan ook geen aanleiding enige gewijzigde bijdrage op een latere datum, zoals de datum van de beschikking van het hof, te bepalen. Gelet op het voorgaande hanteert het hof – net als de rechtbank – 14 oktober 2025 als ingangsdatum voor de gewijzigde kinderalimentatie.
De hoogte van de behoefte
5.5.
De rechtbank is voor de behoefte van [de minderjarige] in 2025 uitgegaan van € 541 per maand. Partijen hebben hier geen grief tegen gericht, zodat ook het hof hiervan zal uitgaan.
De draagkracht
5.6.
Het hof zal bij de bespreking van de draagkracht de daarbij behorende berekeningen aan deze beschikking hechten en tot uitgangspunt nemen.
5.7.
Bij het bepalen van het aandeel van de moeder in de behoefte van het kind dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot het kind staat in de beoordeling te worden betrokken.
5.8.
Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de vader en de moeder zijn of haar netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt nemen. Gelet op hetgeen onder 5.4 ten aanzien van de ingangsdatum is overwogen zal het hof de draagkracht beoordelen vanaf 14 oktober 2025.
De draagkracht van de vader(grieven 1 tot en met 4)
5.9.
De vader stelt zich ten aanzien van zijn draagkracht – kort weergegeven – op het standpunt dat hij gelet op zijn inkomsten van [naam1] , [naam2] en vanuit zijn onderneming een bruto-inkomen heeft van € 14.431. Het is voor de vader mede vanwege de op dit moment bestaande zorg voor [de minderjarige] niet mogelijk om meer uren te werken. Bij de berekening van zijn draagkracht moet rekening worden gehouden met zijn schulden. Deze zijn niet vermijdbaar, noch verwijtbaar en de vader heeft op dit moment onvoldoende ruimte om op de schulden af te lossen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader laten weten dat hij een lening (bedrijfskapitaal) krijgt van de gemeente waarmee een regeling wordt getroffen om zijn schulden te betalen. De vader zal vanaf 1 april 2026 € 700 per maand aan de gemeente moeten betalen om de lening af te lossen. Daarnaast geldt, zo stelt de vader, dat er rekening moet worden gehouden met zijn daadwerkelijke woonlasten omdat die aanmerkelijk hoger zijn dan het woonbudget en hij vanwege de zorg voor zijn moeder en het feit dat hij gehecht is aan zijn huidige woning niet kan verhuizen. Gelet op het voorgaande is de draagkracht van de vader nihil, aldus de vader.
De moeder voert hiertegen verweer en voert op haar beurt – kort weergegeven – aan dat de vader structureel onvoldoende financiële stukken verstrekt. Hij lijkt meer te verdienen en heeft een onbenutte verdiencapaciteit. Voor de draagkracht van de vader moet worden uitgegaan van een bruto jaarinkomen van tenminste € 45.000. De schulden van de vader zijn vermijdbaar en verwijtbaar. De vader verstrekt onvoldoende informatie over deze schulden en over wat hij heeft gedaan om de schulden te voorkomen of te verminderen. Hij heeft wel degelijk voldoende draagkracht om af te lossen op de schulden, zodat het onduidelijk is waarom hij geen aflossingen voldoet. Omdat partijen voldoende draagkracht hebben, is aansluiten bij de werkelijke woonlasten niet aan de orde. Het verschil tussen de huurlast en het woonbudget is bovendien te verwaarlozen en het is de keuze van de vader om in de huurwoning te blijven. De draagkracht van de vader is € 938 per maand, aldus de moeder.
Hoe oordeelt het hof?
5.10.
De vader heeft een wettelijke onderhoudsverplichting voor [de minderjarige] . Dit betekent dat van hem kan worden verwacht dat hij zich inspant om inkomsten te verwerven om in de kosten van [de minderjarige] te voorzien. Hij moet zijn verdiencapaciteit zo goed mogelijk benutten. Omdat de vader, zoals hij stelt, al langere tijd geen of nauwelijks inkomsten uit zijn onderneming heeft, kan gelet op zijn onderhoudsverplichting naar het oordeel van het hof van hem worden verlangd dat hij zich niet langer richt op zijn onderneming, maar dat hij in plaats daarvan voor de uren dat hij beschikbaar is een baan in loondienst aanvaart. Naar het oordeel van het hof heeft de vader dat ten onrechte nagelaten en heeft hij zijn verdiencapaciteit dan ook ten onrechte niet volledig benut. Daarbij vindt het hof van belang dat de vader tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij ook daadwerkelijk mogelijkheden heeft om een goede baan in loondienst te krijgen. Gelet op het voorgaande zal het hof bij het bepalen van de draagkracht van de vader aansluiten bij zijn verdiencapaciteit en met een fictief inkomen rekenen dat deels is gebaseerd op zijn overgelegde salarisstroken.
5.11.
Het hof gaat ervan uit dat de vader 36 uur per week kan werken. De vader heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat hij dat niet zou kunnen. De vader draagt weliswaar de zorg voor [de minderjarige] , maar [de minderjarige] is al ouder en zoals de rechtbank al heeft opgemerkt heeft zij dan ook niet constant zorg nodig. Dat [de minderjarige] op dit moment niet zo goed in haar vel zit en meer thuis is, zoals de vader stelt, maakt dat niet anders. In dat kader merkt het hof op dat bovendien geldt dat de vader wanneer hij in loondienst werkt in beginsel recht heeft op kortdurende zorgverlof als de zorg voor [de minderjarige] dat vereist.
5.12.
De rechtbank heeft overwogen dat de vader in 2025 bij [naam1] € 22,81 per uur verdiende. Dit uurloon komt het hof niet onredelijk voor nu uit de salarisstroken die de man over januari, februari en maart 2026 in hoger beroep heeft overgelegd blijkt dat zijn uurloon in 2026 € 23,32 bedraagt. Uit de loonstroken van eind 2025 van [naam2] die de vader in hoger beroep heeft overgelegd blijkt dat de vader bij [naam2] € 19,78 per uur verdiende. Gemiddeld verdiende de vader eind 2025 in loondienst dan ook (22,81 + 19,78 = 42,59 / 2) afgerond € 21,30 per uur. Het hof zal bij het bepalen van de verdiencapaciteit van de vader uitgaan van dit gemiddelde uurloon.
Verder rekent het hof niet met IKB-opbouw noch met het vakantiegeld en gaat het hof uit van een vakantietoeslag van 8% omdat al met een fictief hoger inkomen wordt gerekend en niet zeker is dat bij uitbreiding van de uren daadwerkelijk recht bestaat op IKB-opbouw, vakantiegeld en 11% vakantietoeslag zoals uit zijn salarisstroken blijkt. Daarmee voorkomt het hof dat de draagkracht te hoog wordt vastgesteld. Het hof houdt wel rekening met een gemiddelde pensioenpremie omdat deze inhouding in het algemeen gebruikelijk is. In de door de moeder overgelegde draagkrachtberekening van de vader is in dat kader rekening gehouden met een jaarlijkse afdracht van € 802. Omdat het hof dit niet onredelijk voorkomt, zal het hof hiervan uitgaan.
5.13.
Gelet op het voorgaande had de vader eind 2025 naar het oordeel van het hof een verdiencapaciteit van (21,30 x 36) € 766,80 bruto per week. Rekening houdend met de pensioenafdracht komt dit neer op een netto besteedbaar inkomen van de vader van € 3.390 per maand.
5.14.
De vader stelt zich op het standpunt dat er bij het bepalen van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met zijn schuldenlast. Op de zitting heeft de vader in dat kader laten weten dat hij inmiddels deelneemt aan een schuldhulpverleningsregeling van de gemeente (bedrijfskapitaal). Afgezien van een bevestiging van de aanvraag van die regeling heeft de vader daar echter geen stukken van overgelegd. De vader heeft niet aangetoond dat hij zich inzet om aan de in de bevestiging genoemde voorwaarden te voldoen of dat hij de daarin genoemde € 700 per maand op dit moment daadwerkelijk betaalt. Aangezien het de vader is die het hof vraagt om rekening te houden met deze door hem gestelde betaling, had dit wel van hem verwacht kunnen worden.
Ondanks dat de vader het bestaan van sommige schulden (bij het LBIO, een huurschuld en een schuld gemeente) heeft onderbouwd met recente afschriften en de maandelijkse aflossing van één schuld (de huurschuld) heeft onderbouwd met een recent stuk, heeft hij nagelaten te onderbouwen dat deze schulden niet vermijdbaar zijn. Evenmin heeft hij onderbouwd waarom deze verplichtingen voorgaan op zijn onderhoudsverplichting tegenover [de minderjarige] .
Gelet op het voorgaande zal het hof bij het bepalen van de draagkracht van de vader geen rekening houden met enige schulden
.
5.15.
De vader stelt daarnaast dat zijn werkelijke woonlasten € 1.457,21 per maand zijn en dat dit aanmerkelijk hoger is dan het woonbudget, zodat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met zijn werkelijke woonlasten. Uit de aangehechte berekening volgt dat het woonbudget voor de vader € 1.017 per maand bedraagt.
Ten aanzien van de woonlasten geldt dat uit het Rapport alimentatienormen volgt dat er met extra woonlasten rekening kan worden gehouden als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget, die lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten.
Naar het oordeel van het hof is onvoldoende gebleken dat de door de vader gestelde woonlasten niet vermijdbaar zijn. Zo is niet gebleken dat de vader geprobeerd heeft om (al dan niet in dezelfde buurt) een andere woning met lagere woonlasten te vinden, wat naar het oordeel van het hof wel van hem kan worden verwacht. Dat de vader zoals hij stelt gehecht is aan zijn huidige woning, maakt dit niet anders. Omdat niet is gebleken dat de werkelijke woonlasten van de vader niet vermijdbaar zijn, ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget van € 1.017 per maand. Daar komt bij dat de vader naar eigen zeggen vanaf 2026 aanspraak kan maken op een huurtoeslag van € 277 per maand. Zodat er, in ieder geval vanaf dat moment, naar het oordeel van het hof ook geen sprake is van aanmerkelijk hogere woonlasten.
5.16.
Uit de aangehechte berekening volgt dan dat de vader gelet op het voorgaande een draagkracht heeft van € 744 per maand.
De draagkracht van de moeder(grief 6)
5.17.
Over de draagkracht van de moeder stelt de vader zich – kort weergegeven – op het standpunt dat de moeder onvoldoende inzage heeft gegeven in haar inkomsten, zodat zij vermoedelijk inkomsten achterhoudt. De vader schat de draagkracht van de moeder dan ook op € 432 per maand.
De moeder voert verweer en voert op haar beurt – kort weergegeven – aan dat zij open is geweest over haar inkomsten. De moeder heeft twee banen en werkt daarnaast vanuit [naam3] onbetaald als vrijwilliger. De rechtbank heeft de maandelijkse aflossing van het IB-krediet ten laste gebracht van de draagkracht van de moeder, maar dit bedrag is te hoog voor haar gebleken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder laten weten dat deze schuld inmiddels door haar moeder is voldaan en dat zij een terugbetalingsbetalingsregeling met haar moeder heeft afgesproken. In dat kader betaalt zij € 150 per maand aan haar moeder. De berekening van het NBI van de moeder in 2025 is juist. Haar NBI in 2026 is € 3.640 per maand en zij heeft een draagkracht van - op basis van de maandelijkse afdracht voor het IB-krediet tijdens de procedure in eerste aanleg - € 496 per maand, aldus de moeder.
Hoe oordeelt het hof?
5.18.
De moeder heeft de stelling van de vader dat zij vermoedelijk inkomsten achterhoudt gemotiveerd betwist. Daarnaast blijkt uit de door de moeder overgelegde stukken dat de moeder (meer dan) fulltime in loondienst werkt en dat zij daarnaast ook vrijwilligerswerk doet. Het hof ziet in hetgeen de vader heeft aangedragen dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat de moeder inkomsten achterhoudt, zodat hof net als de rechtbank zal uitgaan van een netto besteedbaar inkomen van € 3.402 per maand.
5.19.
De rechtbank heeft bij de berekening van de draagkracht van de moeder rekening gehouden met een last van € 475 per maand voor de aflossing die de moeder doet op haar deel en op vaders deel van de schuld bij IB-krediet. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder echter laten weten dat de schuld bij IB-krediet inmiddels door haar moeder is voldaan en dat zij in dat kader maandelijks € 150 terugbetaalt aan haar moeder. Gelet op deze verklaring is de schuld bij IB-krediet inmiddels voldaan, zodat deze schuld niet langer bestaat. Ten aanzien van de door de moeder gestelde afspraak met haar moeder en de maandelijkse terugbetaling geldt dat de moeder daar geen stukken van heeft overgelegd. Voor het hof is onduidelijk per wanneer de schuld bij IB-krediet is voldaan en of de moeder de gestelde € 150 per maand op dit moment daadwerkelijk betaalt. Aangezien het de moeder is die het hof vraagt om rekening te houden met de door haar gestelde betaling(en), had dit wel van haar kunnen worden verwacht. Nu de moeder heeft nagelaten de door haar gestelde schuldenlast met stukken te onderbouwen, zal het hof bij het bepalen van de draagkracht van de moeder, anders dan de rechtbank, geen rekening houden met enige schulden. Daar komt bij dat de moeder geacht wordt de gestelde € 150 per maand uit haar vrije ruimte te kunnen voldoen.
5.20.
Uit de aangehechte berekening volgt dan dat de moeder gelet op het voorgaande een draagkracht heeft van € 750 per maand.
De draagkrachtverdeling
5.21.
Partijen dienen in de behoefte van hun kind bij te dragen volgens de formule “eigen draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van het kind”. De totale draagkracht van partijen bedraagt € 1.494 per maand. De behoefte van [de minderjarige] is vastgesteld op € 541 per maand. Op grond van het voorgaande bedraagt:
  • het aandeel van de vader (744/1.494 x 541) € 269 per maand;
  • het aandeel van de moeder (750/1.494 x 541) € 272 per maand.
De zorgkorting (grief 5)
5.22.
Beide ouders zijn onderhoudsplichtig voor [de minderjarige] . Uitgangspunt is dat de ouder bij wie het kind de hoofdverblijfplaats heeft, alle ‘verblijfsoverstijgende kosten’ van het kind betaalt en dat elke ouder zelf de kosten draagt die samenhangen met het – feitelijk – verblijf van het kind bij hem of haar, de ‘verblijfskosten’. Als een kind tijdens de uitvoering van de zorgregeling bij de niet-verzorgende ouder verblijft, dan maakt die ouder kosten en levert dat bij de andere ouder een besparing op. Die zorgkosten worden globaal bepaald aan de hand van het gemiddelde aantal dagen per week dat het kind bij de niet-verzorgende ouder verblijft. Deze kosten worden als beide partijen voldoende draagkracht hebben geheel of gedeeltelijk in mindering gebracht op de bijdrage die aan de ouder bij wie de hoofdverblijfplaats is wordt betaald. Dit wordt de zorgkorting genoemd.
Hoe oordeelt het hof?
5.23.
De kosten die de moeder gedurende dat verblijf voor [de minderjarige] maakt, leveren een besparing op voor de vader. Dat bedrag wordt bepaald op 5% van de behoefte van [de minderjarige] , oftewel (5% van € 541) afgerond € 27 per maand. Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat [de minderjarige] zelf beslist wanneer zij naar de moeder gaat, dat [de minderjarige] al gedurende langere tijd niet bij de moeder overnacht en dat zij op dit moment gemiddeld minder dan een dag per week bij de moeder is.
Conclusie
5.24.
Gelet op het voorgaande dient de moeder na aftrek van de zorgkorting per 14 oktober 2025 (272 – 27) € 245 per maand aan de vader te betalen en gelet op de wettelijke indexering vanaf 1 januari 2026 € 256 per maand.
De proceskosten
5.25.
Het hof ziet in wat de moeder heeft aangedragen geen aanleiding om de vader in de (werkelijke) proceskosten te veroordelen, zoals door de moeder is verzocht. De vader heeft het recht om de rechtbank om een oordeel te vragen over de kinderalimentatie en het oordeel van de rechtbank voor te leggen aan dit hof. Daar komt bij dat de vader zowel bij de rechtbank als bij het hof gedeeltelijk in het gelijk is gesteld. Het hof zal het verzoek van de moeder om de vader te veroordelen in haar (werkelijke) proceskostenkosten in eerste aanleg en in hoger beroep dan ook afwijzen.
5.26.
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren. Dat betekent dat iedere ouder de eigen kosten draagt.
5.27.
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof het volgende op. Hoewel beide ouders benadrukken dat zij het beste willen voor [de minderjarige] , lijkt de strijd tussen de ouders de boventoon te voeren. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader laten weten dat het gaat om [de minderjarige] en dat het belangrijk is dat zij zich gehoord voelt. In dat kader benadrukt het hof dat [de minderjarige] ook in de gelegenheid is gesteld om haar mening over kinderalimentatie kenbaar te maken en dat zij van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt door het schrijven van een brief aan het hof.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 31 oktober 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijzigt de beschikking van de rechtbank van 23 juli 2024 en bepaalt dat de moeder aan de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zal betalen:
- met ingang van 14 oktober 2025 € 245 per maand;
- met ingang van 1 januari 2026 € 256 per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L.R. Davila Talavera, J.U.M. van der Werff en S. Kuijpers, en is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
Partij
de vader
Zaak
de moeder / de vader
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
18-06-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
39.874
44
Vakantietoeslag
3.19
Bruto inkomsten
43.064
Premies (51-59)
Pensioenpremie
51
Ingehouden pensioenpremie
-
802
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
42.262
59
Inkomsten
42.262
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
42.262
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
42.262
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
1.432
95
Inkomensheffing box 1
15.201
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
42.262
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
15.201
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
7.771
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
7.43
Inkomen na aftrek inkomensheffing
34.832
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
2.19
jaar
Arbeidskorting
5.581
jaar
Bij: Kindgebonden budget
5.852
120
Besteedbaar inkomen
40.684
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
40.684
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
3.39
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
3.39
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.31
123a
Woonbudget
1.017
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.327
136a
Draagkrachtruimte
1.063
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
744
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
744
Partij
de moeder
Zaak
de moeder / de vader
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
28-05-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
49.068
44
Vakantietoeslag
3.925
46a
Inkomsten uit overwerk waarover geen vakantietoeslag wordt berekend
1.908
49b
Overige bruto arbeidsinkomsten
3.516
Bruto inkomsten
58.417
Premies (51-59)
Pensioenpremie
51
Ingehouden pensioenpremie
-
3.912
53
Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat
-
336
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
54.169
59
Inkomsten
54.169
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
54.169
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
54.169
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
5.895
95
Inkomensheffing box 1
19.664
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
54.169
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
19.664
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
6.313
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
13.351
Inkomen na aftrek inkomensheffing
40.818
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
1.436
jaar
Arbeidskorting
4.877
jaar
120
Besteedbaar inkomen
40.818
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
40.818
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
3.402
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
3.402
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.31
123a
Woonbudget
1.021
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.331
136a
Draagkrachtruimte
1.071
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
750
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
750