ECLI:NL:GHARL:2026:4143

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.364.065/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging zorgregeling en proceskostenveroordeling in hoger beroep ouderschap

De vader en moeder zijn ouders van twee minderjarige kinderen en oefenden gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. Na beëindiging van hun relatie ontstond een geschil over de zorgregeling. De rechtbank bepaalde de hoofdverblijfplaats bij de moeder en stelde een begeleide omgangsregeling voor de vader vast. De vader ging in hoger beroep tegen deze zorgregeling.

Tijdens de procedure in hoger beroep verscheen de vader niet bij de zitting en gaf hij geen nadere toelichting op zijn standpunt. Het hof oordeelde dat de huidige zorgregeling, waarbij de kinderen eenmaal per week onder begeleiding bij de vader verblijven, het maximaal haalbare is gezien het onvoorspelbare en onveilige gedrag van de vader en de emotionele behoeften van de kinderen, die traumatherapie volgen.

Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en veroordeelde de vader in de proceskosten van de moeder, omdat het hoger beroep door zijn nalatigheid en gebrek aan medewerking nodeloos was en geen resultaat had opgeleverd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de zorgregeling met begeleide omgang en veroordeelt de vader in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM- LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.364.065/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 192778)
beschikking van 23 juni 2026
inzake
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. F.P. van Dalen te Leeuwarden,
en
[verweerster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. T.L. Wiersma te Leeuwarden.
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Regiecentrum Bescherming en Veiligheid(de GI),
verweerster in hoger beroep,
gevestigd te Leeuwarden.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 28 februari 2024, 24 april 2024, 14 juni 2024 en 22 oktober 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 22 oktober 2025 zal hierna ook worden aangeduid als de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 21 januari 2026;
- een brief van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) van 3 februari 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
- een journaalbericht namens de vader van 17 maart 2026 met bijlage(n);
- het verweerschrift van de GI met bijlage(n);
- het verweerschrift van de moeder met bijlage(n);
- een brief van de GI van 29 mei 2026 met bijlage(n).
2.2.
De hierna nader te noemen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben bij brieven van respectievelijk 7 en 6 mei 2026 hun mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft op 11 juni 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- mr. Van Dalen;
- de moeder, bijgestaan door mr. K. Atsma (waarnemer voor mr. Wiersma). Mr. Wiersma was als toehoorder aanwezig;
- drie vertegenwoordigers namens de GI.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Atsma spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.

3.De feiten

3.1.
De vader en de moeder hebben van december 2012 tot mei 2023 een affectieve relatie met elkaar gehad.
3.2.
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2016;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2017.
De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de kinderen.
3.3.
Vanaf mei 2023 tot eind maart 2024 verbleven de vader en de moeder afwisselend van elkaar in hun gezamenlijke woning in [woonplaats] en deelden de zorg voor de kinderen. De ouders voerden een zorgregeling uit, die zij in onderling overleg hadden afgesproken, waarbij (kort gezegd) de vader het ene weekend van vrijdag 14.00 uur tot en met maandag 16.00 uur en het andere weekend van vrijdag 14.00 uur tot en met zaterdag 8.30 uur bij de kinderen thuis verbleef, en de moeder de overige dagen.
3.4.
Inmiddels hebben beide ouders een andere, eigen woning. De vader woont sinds medio 2025 samen met zijn huidige partner en haar minderjarige dochter
.
3.5.
De procedure bij de rechtbank is gestart met een verzoekschrift van de moeder van 5 december 2023.
3.6.
Bij beschikking van 28 februari 2024 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de raad verzocht een onderzoek te verrichten naar de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling ten aanzien van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
3.7.
De raad heeft in zijn rapport van 14 mei 2024 geadviseerd om:
- de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder te bepalen;
- de definitieve beslissing over de zorgregeling aan te houden voor de duur van negen maanden en om de volgende voorlopige zorgregeling vast te leggen: de kinderen verblijven in de even weken van donderdag 17.00 uur tot zaterdag 17.00 uur bij de vader en in de oneven weken van donderdag 17.00 uur tot vrijdag 17.00 uur.
Daarnaast heeft de raad verzocht om de kinderen voor de duur van één jaar onder toezicht te stellen.
3.8.
Sinds 17 mei 2024 is sprake van een ondertoezichtstelling van de kinderen. De termijn van de ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd. De ondertoezichtstelling loopt nu tot 17 mei 2027.
3.9.
Bij beschikking van 14 juni 2024 heeft de rechtbank onder meer:
- bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben;
- bepaald dat voorlopig, totdat een nadere rechterlijke beslissing over de zorgregeling van kracht wordt, de volgende zorgregeling geldt: de kinderen verblijven in de even weken van donderdag 17.00 uur tot zaterdag 17.00 uur en in de oneven weken van donderdag 17.00 uur tot vrijdag 17.00 uur bij de vader;
- de definitieve beslissing over de zorgregeling aangehouden.
3.10.
Bij beschikking van de kinderrechter van 29 april 2025 is naar aanleiding van een verzoek van de GI de zorgregeling die bij beschikking van 14 juni 2024 voorlopig was vastgesteld, met spoed gewijzigd. De kinderrechter heeft bepaald dat voor de duur van twee weken de kinderen eens per week gedurende 1,5 uur onder begeleiding omgang hebben met de vader, waarbij de GI de regie heeft over de duur en de frequentie van de omgang, alsook over de daaraan verbonden voorwaarden (onder andere begeleiding).
3.11.
Bij beschikking van 2 mei 2025 is deze zorgregeling vastgelegd tot in elk geval 29 oktober 2025. Nadien (sinds eind oktober 2025) is onder regie van de GI de duur van de omgang uitgebreid naar drie uur per keer.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 22 oktober 2025 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de bij beschikking van 2 mei 2025 vastgestelde zorgregeling gewijzigd en bepaald dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] één keer in de week op vrijdagmiddag, te beginnen tussen 15.00 uur en 18.00 uur, bij de vader verblijven onder begeleiding, waarbij de GI de duur, frequentie en voorwaarden bepaalt.
4.2.
De vader komt met één grief in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de zorgregeling. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking (onder verbetering van de gronden) te vernietigen (zo begrijpt het hof:) voor zover het de zorgregeling betreft en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
I. een zorgregeling te bepalen waarbij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] van vrijdag 17.00 uur tot en met zaterdag 17.00 uur bij de vader zijn en te bepalen dat de regeling na verloop van tijd wordt uitgebreid naar een schema waarin de kinderen de ene week van donderdag tot en met vrijdag bij de vader zijn en de andere week van donderdag tot en met zondag, althans op dit onderdeel een beslissing te nemen die het hof juist acht;
II. de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.3.
De moeder voert verweer en verzoekt het hof:
I. het verzoek van de vader in hoger beroep af te wijzen;
II. de bestreden beschikking te bekrachtigen (zo begrijpt het hof:) voor zover het de zorgregeling betreft;
III. de vader te veroordelen in de kosten van deze procedure.
4.4.
De GI voert verweer en verzoekt het hof het verzoek van de vader in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen (zo begrijpt het hof:) voor zover het de zorgregeling betreft.

5.De motivering van de beslissing

* Zorgregeling
5.1.
Het hof is het eens met het oordeel van de rechtbank. Het hof neemt - na eigen onderzoek - de overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5.2.
Uit de stukken van de GI en de moeder blijkt naar het oordeel van het hof voldoende dat de bij de bestreden beschikking bepaalde zorgregeling van wekelijks één begeleid omgangsmoment op vrijdagmiddag op dit moment het maximaal haalbare is. Het hof acht het niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] om deze zorgregeling nu uit te breiden of de begeleiding af te schalen. De vader heeft tot nu toe de belangen en behoeften van de kinderen onvoldoende voorop gesteld en voor de kinderen onvoorspelbaar en onveilig gedrag laten zien. Beide kinderen zijn recent gestart met traumatherapie om te verwerken wat zij in het verleden hebben meegemaakt. De kinderen hebben zelf in hun brieven aan het hof aangegeven dat ze de huidige zorgregeling goed vinden.
Bovendien heeft [naam] , die van oktober 2024 tot april 2025 betrokken is geweest voor onderzoek en hulpverlening, in de afsluitbrief van 28 april 2025 zorgen geuit over de emotionele beschikbaarheid van de vader, zijn emotieregulatie, zijn frustratiedrempel, zijn onvoorspelbaarheid en impulsiviteit en de betekenis daarvan voor het welzijn van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De vader heeft niet aangetoond dat hij sindsdien aan zichzelf heeft gewerkt en zijn gedrag heeft veranderd.
Daarbij komt dat ter zitting naar voren is gekomen dat er de afgelopen weken geen omgang tussen de vader en de kinderen heeft plaatsgevonden, omdat het de GI niet lukte om een omgangsmoment af te spreken met de vader, mede doordat de vader niet reageerde op voorstellen van de GI. Het hof deelt de visie van de GI dat eerst de huidige zorgregeling enige tijd goed moet verlopen, voordat uitbreiding van de zorgregeling eventueel tot de mogelijkheden behoort.
Het hof ziet in het namens de vader in het beroepschrift aangevoerde geen aanleiding om anders te oordelen. De vader is ook niet ter zitting verschenen, waardoor hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zijn standpunt nader toe te lichten. De advocaat van de vader heeft ook geen nadere toelichting kunnen geven, omdat hij de afgelopen maanden geen contact meer heeft kunnen krijgen met de vader.
* Proceskosten
5.3.
De moeder heeft verzocht de vader te veroordelen in de kosten van deze procedure. Het ingestelde hoger beroep is naar de mening van de moeder onnodig en zonder voldoende juridische basis ingesteld, waardoor zij opnieuw kosten heeft moeten maken om zich te verweren.
5.4.
Het hof ziet aanleiding om het verzoek van de moeder toe te wijzen.
De vader is niet op de zitting verschenen en heeft zich niet afgemeld voor de zitting. Ter zitting is namens de moeder verklaard dat de vader op twee zittingen in mei en juni 2026 bij de rechtbank niet is verschenen. Nu de omgangsmomenten tot een paar weken geleden wel zijn doorgegaan, leidt het hof daaruit af dat de vader niet in de onmogelijkheid verkeert om op afspraken te verschijnen.
De advocaat heeft, nadat hij namens de vader hoger beroep heeft ingesteld, geen contact meer met hem kunnen krijgen. Daardoor heeft hij niet de nagekomen stukken, waaronder de verweerschriften van de GI en de moeder, met de vader kunnen bespreken. Evenmin heeft de advocaat zich kunnen vergewissen van de huidige stand van zaken rond de zorgregeling zoals de vader die ervaart. Door niet ter zitting te verschijnen heeft de vader dat moment niet gebruikt om zijn hoger beroep toe te lichten.
Wel staat vast dat de vader niet heeft gewerkt aan gedragsverandering om een uitbreiding van de zorgregeling te bewerkstelligen en er op dit moment geen enkel contact tussen de vader en de kinderen is, omdat het de GI niet lukt een omgangsmoment af te spreken. Het hof kan dan ook niet anders dan vaststellen dat het hoger beroep door toedoen van de vader nergens toe heeft kunnen leiden.
Het hof is van oordeel dat de vader door een dergelijke (proces)houding nodeloos proceskosten voor de moeder in hoger beroep heeft veroorzaakt.
5.5.
De vader zal dan ook in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van de moeder worden veroordeeld. Deze kosten worden vastgesteld op € 2.580,- voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief (2 punten: 1 punt voor het verweerschrift en 1 punt voor de mondelinge behandeling, tarief II à € 1.290,- per punt) en op € 373,- voor griffierecht.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en de vader veroordelen in de kosten van de moeder in de procedure in hoger beroep.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 22 oktober 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
veroordeelt de vader in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot aan deze beschikking aan de zijde van de moeder vastgesteld op € 2.580,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 373,- voor griffierecht;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en I.A. Vermeulen, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.