ECLI:NL:GHARL:2026:4153

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.365.657/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 8 EVRMArt. 3 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 20 Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beëindiging gezag vader over twee minderjarige kinderen afgewezen

De rechtbank Midden-Nederland had het gezag van de vader over twee minderjarige kinderen beëindigd op verzoek van de raad voor de kinderbescherming. De vader ging hiertegen in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof oordeelt dat onvoldoende is aangetoond dat het noodzakelijk is voor het belang van de kinderen om het gezag van de vader te beëindigen.

De feiten betreffen een complexe gezinssituatie met langdurige ondertoezichtstelling van de kinderen en problematiek rondom omgang en loyaliteitsconflicten binnen het gezin. De kinderen wonen niet bij de moeder, en de vader heeft geen omgang met de twee kinderen over wie het gezag is beëindigd. Het hof constateert dat de problematiek niet primair wordt veroorzaakt door de uitoefening van het gezag door de vader en dat beëindiging van het gezag de problemen niet zal oplossen.

Het hof benadrukt het belang van gezinshereniging en het behoud van de ouder-kindband, conform jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het hof wijst ook op de moeizame samenwerking tussen de vader en de jeugdbeschermer, maar acht dit geen reden voor gezagsbeëindiging. Het hof beveelt aan een tweede jeugdbeschermer aan te stellen om de communicatie te verbeteren.

Uiteindelijk vernietigt het hof de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de vader af, waarbij het belang van het kind voorop staat en verdere hulpverlening wordt aanbevolen.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader af wegens onvoldoende noodzaak in het belang van de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.365.657/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 593825)
beschikking van 23 juni 2026
over de beëindiging van het gezag over
[de minderjarige2]en
[de minderjarige3]
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. P. Bosma te Almere,
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Midden Nederland, locatie Utrecht,
en
[verweerster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.A. Neslo te Almere,
en
[belanghebbenden](de gezinshuisouders),
met een postadres in [plaats] ,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden Midden-Nederland(de GI),
die is gevestigd in Almere.

1.Samenvatting

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft het gezag van de vader over [de minderjarige2] en [de minderjarige3] beëindigd. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn van [datum] 2010 tot [datum] 2016 met elkaar getrouwd geweest.
2.2.
Zij hebben samen drie kinderen:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2010;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2012;
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2014.
2.3.
De vader heeft sinds 2017 een relatie met zijn huidige partner ( [naam1] ). Zij hebben samen drie minderjarige kinderen, ( [de minderjarige4] , [de minderjarige5] (overleden in april 2026) en [de minderjarige6] ).
2.4.
De moeder heeft sinds 2018 een relatie met haar huidige partner ( [naam2] ). In januari 2019 zijn zij met elkaar getrouwd. Zij hebben samen een minderjarige zoon ( [de minderjarige7] ).
2.5.
[de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] staan sinds 29 augustus 2019 onder toezicht van de GI. De termijn van de ondertoezichtstelling loopt tot 28 augustus 2026.
2.6.
[de minderjarige1] heeft vanaf augustus 2021 tot augustus 2025 op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis verbleven. Sinds augustus 2025 woont ze bij de vader en [naam1] . [de minderjarige1] heeft al langere tijd geen contact met haar moeder en [de minderjarige2] en [de minderjarige3] .
2.7.
[de minderjarige2] en [de minderjarige3] hebben na de scheiding van de ouders in 2016 eerst bij de moeder gewoond en vervolgens (vanaf 2018) bij de vader en [naam1] .
2.8.
[de minderjarige2] is op 21 april 2020 met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. Hij heeft bij verschillende gezinshuizen verbleven. Sinds mei 2024 woont hij bij de gezinshuisouders.
2.9.
Bij beschikking van 20 april 2021 is de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige3] gewijzigd en bij de vader bepaald.
2.10.
[de minderjarige3] is sinds augustus 2021 op grond van een machtiging van de kinderrechter uithuisgeplaatst. Sinds 16 maart 2022 woont hij bij de gezinshuisouders.
2.11.
[de minderjarige2] en [de minderjarige3] hebben een weekend per maand omgang met de moeder. Zij hebben sinds eind 2023 geen omgang meer gehad met de vader.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de vader en de moeder over [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te beëindigen.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de raad ten aanzien van de vader toegewezen en zijn gezag beëindigd. De rechtbank heeft het verzoek van de raad ten aanzien van de moeder afgewezen. Deze beslissingen zijn vastgelegd in een beschikking van 27 november 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank om zijn gezag over [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te beëindigen. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof die beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en het verzoek van de raad alsnog afwijst.
4.2.
De raad wil dat de beslissing in stand blijft.
4.3.
De moeder en de GI zijn het eens met de beslissing van de rechtbank.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 20 februari 2026;
  • de stukken van de vader, ingediend op 2 maart 2026;
  • het verweerschrift van de raad;
  • het verweerschrift van de moeder;
  • de spreekaantekeningen van de advocaten van de vader en de moeder, die zijn voorgelezen tijdens de zitting van 20 mei 2026.
4.5.
[de minderjarige2] en [de minderjarige3] hebben een brief geschreven (gedateerd 2 mei 2026). Zij hebben verteld wat zij vinden van de beëindiging van het gezag van de vader. De voorzitter heeft tijdens de zitting van 20 mei 2026 de brieven voorgelezen.
4.6.
De zitting bij het hof was op 20 mei 2026 in Zwolle. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de raad;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de gezinshuisouders;
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Positie partner van de vader
5.1.
De vader heeft verzocht zijn partner ( [naam1] ) als belanghebbende aan te merken in deze procedure. Het hof wijst dit verzoek af. Deze procedure gaat over het gezag van de vader over zijn kinderen [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Deze kinderen maken al langere tijd geen deel uit van het gezin van de partner van de vader. Zij heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende belang bij de vraag of het gezag van de vader over [de minderjarige2] en [de minderjarige3] al dan niet beëindigd wordt. Zij zal daarom niet als belanghebbende in deze procedure worden aangemerkt. Voor zover de vader heeft aangevoerd dat zijn partner in een andere procedure bij het hof wel als belanghebbende is aangemerkt, merkt het hof op dat die procedure zag op de vraag of de dochter van de vader, [de minderjarige1] , (terug)geplaatst kon worden in het gezin van de vader en zijn partner. De uitkomst van die procedure had dus rechtstreekse gevolgen voor de partner van de vader, maar in deze procedure is dat niet het geval.
Verzoek beëindiging gezag vader: het juridisch kader
5.2.
Een gezagsbeëindiging is de meest vergaande maatregel van kinderbescherming. Volgens de Nederlandse wet kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt. [1]
5.3.
Naast deze criteria gelden er ook criteria die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in zijn jurisprudentie heeft ontwikkeld over artikel 8 EVRM Pro, waarin de bescherming van het recht op het gezinsleven staat. Die criteria zijn:
- de gezagsbeëindiging moet in het belang van het kind noodzakelijk zijn;
- de gezagsbeëindiging moet in het concrete geval in redelijke verhouding tot het na te streven doel staan (de maatregel is proportioneel);
- het doel van de gezagsbeëindiging kan niet met een minder ingrijpend alternatief worden bereikt. [2]
5.4.
De vaste lijn in de jurisprudentie van het EHRM is dat bij een uithuisplaatsing gezinshereniging voorop staat en de band van een kind met de ouders behouden moet blijven, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die maken dat deze band moet
worden doorbroken. Verder zijn tijdelijke kinderbeschermingsmaatregelen bedoeld om
ouders en kind te herenigen en daarbij hoort een positieve verplichting om zo snel mogelijk
na een uithuisplaatsing te werken aan dit doel, onder meer door regelmatige omgang tussen
kind en ouder(s). [3]
5.5.
Bij de te nemen beslissing staat het belang van het kind voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen. [4]
Beoordeling van het hof
5.6.
De rechtbank heeft het gezag van de vader over [de minderjarige2] en [de minderjarige3] beëindigd, maar het hof zal die beslissing ongedaan maken (vernietigen). Het hof is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat het in het belang van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] noodzakelijk is om het gezag van de vader over [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te beëindigen. Het hof zal hierna deze beslissing uitleggen.
5.7.
Sinds de bestreden beschikking is de huidige feitelijk situatie als volgt.
De moeder heeft het gezag over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . De kinderen wonen niet bij haar. De moeder heeft wel contact met [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , maar niet met [de minderjarige1] .
De vader heeft het gezag over [de minderjarige1] , maar niet meer over [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . [de minderjarige1] woont bij de vader. De vader heeft op dit moment geen omgang met [de minderjarige2] en [de minderjarige3] .
[de minderjarige1] heeft op dit moment geen omgang met haar broers [de minderjarige2] en [de minderjarige3] .
Ten aanzien van de kinderen die de vader en de moeder met hun huidige partners hebben gelden (voor zover bij het hof bekend) geen kinderbeschermingsmaatregelen.
5.8.
Het hof is, net als de raad, van oordeel dat er sprake is van forse problematiek binnen het gezinssysteem van de vader en de moeder en hun kinderen. Veel van de geconstateerde problemen in de situatie van de ouders en de kinderen zien op de omgang tussen de ouders en de kinderen en de kinderen onderling, het wantrouwen van beide ouders over de andere ouder en de moeizame verhouding tussen de vader en de jeugdbeschermer. De kinderen merken dat en hebben daar last van. Zij kampen met een fors en langdurig loyaliteitsconflict waarbij zij het gevoel hebben dat zij voor een van de ouders moeten kiezen. Zij voelen zich niet vrij om contact te hebben met beide ouders.
Deze problematiek en de daaruit voortvloeiende zorgen over de ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen zullen naar het oordeel van het hof niet worden weggenomen door het gezag van (alleen) de vader te beëindigen. Alle betrokkenen lijken het er ook over eens dat een ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] (en [de minderjarige1] ) nodig zal blijven, ook wanneer het gezag van de vader beëindigd zou worden. In het kader van de ondertoezichtstelling zal immers moeten blijven worden gewerkt aan het herstel van de omgang van de ouders met de kinderen en de kinderen onderling, alsmede aan de communicatie tussen de ouders (die er op dit moment niet of nauwelijks is).
5.9.
Bovendien is het hof onvoldoende gebleken dat de bestaande problematiek vooral wordt veroorzaakt door de uitoefening van het gezag door de vader. De raad heeft enkele voorbeelden genoemd waarbij de vader gezagsbeslissingen zou hebben belemmerd of vertraagd. Bijvoorbeeld dat de vader geen toestemming zou hebben gegeven voor medicatie voor [de minderjarige2] . Maar in hoger beroep heeft de vader een e-mailbericht ingediend van hem aan de jeugdbeschermer waaruit blijkt dat hij wel degelijk tijdig toestemming heeft gegeven voor die gezagsbeslissing. Daarbij komt dat de door de raad genoemde situaties naar het oordeel van het hof onvoldoende zwaarwegend zijn en dus niet een beëindiging van het gezag kunnen rechtvaardigen.
Bovendien oefenen de vader en de moeder gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige1] , die bij de vader woont. Partijen hebben niet gesteld en ook het hof is niet gebleken dat de uitoefening van dit gezamenlijk gezag tot ernstige problemen heeft geleid.
Het hof sluit bovendien niet uit, zoals de raad ook in zijn rapport van 16 mei 2025 had meegewogen, dat wanneer één ouder het gezag houdt (in dit geval de moeder) en de andere ouder (de vader) niet, dit juist een verdergaande negatieve invloed zal hebben op met name de loyaliteitsproblemen bij de kinderen.
5.10.
De vader heeft aangevoerd dat ten aanzien van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] nooit een perspectiefonderzoek heeft plaatsgevonden. Het hof begrijpt dat dit tot ontevredenheid bij de vader heeft geleid, ook omdat ten aanzien van [de minderjarige1] wel een perspectiefonderzoek is uitgevoerd en het advies naar aanleiding van dat onderzoek was om [de minderjarige1] terug te plaatsen bij de vader en zijn partner. Op grond hiervan woont [de minderjarige1] sinds augustus 2025 weer bij de vader en zijn partner. Bovendien had de rechtbank in haar beschikking van 17 augustus 2023 overwogen dat het van belang is dat er een onderzoek komt naar het perspectief om te bepalen waar [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zullen opgroeien. Maar de GI heeft vervolgens in december 2023 in een multidisciplinair overleg besloten dit niet te doen en heeft het besluit genomen dat [de minderjarige2] en [de minderjarige3] niet meer naar één van de ouders kunnen terugkeren. De kinderrechter heeft in een latere beschikking van 23 juli 2024 ook overwogen dat het perspectief van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] duidelijk is.
Het hof leidt uit de stukken en de verklaringen tijdens de zitting af dat de vader sinds voornoemd besluit van de GI in zijn samenwerking met de GI is geblokkeerd en dat de verhouding met de jeugdbeschermer is verslechterd. Het zit de vader dwars dat er geen onderzoek heeft plaatsgevonden. Tijdens de zitting bij het hof heeft de vader ook benoemd dat bij de uithuisplaatsing van [de minderjarige3] was afgesproken dat [de minderjarige3] te zijner tijd weer thuis zou komen wonen bij de vader. Het hof kan zich voorstellen dat het in het belang van alle betrokkenen is wanneer dit perspectiefonderzoek de komende tijd alsnog wordt gedaan, zodat hierover duidelijkheid komt. Het hof ziet in dit geval echter geen aanleiding om de beslissing over het gezag van de vader aan te houden in afwachting van de uitkomst van een dergelijk onderzoek. Het hof is namelijk van oordeel dat de uitkomst van dat onderzoek in dit geval niet van doorslaggevend belang is voor de vraag of het gezag van de vader over Thuis en [de minderjarige3] beëindigd moet worden. Ook wanneer de uitkomst van het onderzoek is dat het perspectief van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] in het gezinshuis ligt, is naar het oordeel van het hof gelet op het hiervoor overwogene van onvoldoende noodzaak gebleken om het gezag van de vader te beëindigen.
5.11.
Tot slot overweegt het hof als volgt. Zoals hiervoor al overwogen, is de verhouding tussen de vader en de vaste jeugdbeschermer steeds meer verstoord geraakt en verloopt de samenwerking heel moeizaam. Dit lijkt een heel belangrijke reden dat het nog niet is gelukt omgangsmomenten tussen de vader en de kinderen af te spreken. Op een moment dat de jeugdbeschermer niet betrokken is, zoals bij het bezoek van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] aan de vader na het overlijden van hun halfbroer [de minderjarige5] , komt een contact wel tot stand, dankzij de hulp en inzet van de gezinshuisouders. Het hof vindt het zorgelijk dat tussen de jeugdbeschermer en de vader niet de juiste toon wordt gevonden. Dat vormt echter evenmin een gegronde reden om het gezag van de vader te beëindigen.
Het hof geeft de GI wel in overweging om in deze situatie een tweede jeugdbeschermer aan te wijzen, die een betere aansluiting met de vader heeft, beter in staat is om met de vader te communiceren en beter begrijpt wat nodig is in de communicatie en samenwerking met de vader om tot een resultaat te komen. De huidige jeugdbeschermer is wel belangrijk voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , aldus de gezinshuisouders, en de kinderen vinden het contact met de jeugdbeschermer fijn. Het hof acht het dan ook van belang dat de jeugdbeschermer voor de kinderen betrokken blijft. Het hof hoopt dat de komende periode, al dan niet met de inzet van een extra jeugdbeschermer, benut kan worden om de verhouding met de vader te verbeteren en het contact tussen de vader en [de minderjarige2] en [de minderjarige3] en tussen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te herstellen. Naar het oordeel van het hof is tot op heden onvoldoende hulpverlening hierop ingezet. Wellicht kunnen de gezinshuisouders een rol spelen in het contactherstel. Het hof vindt het namelijk positief dat de gezinshuisouders en de vader wel een goede verhouding en samenwerking lijken te hebben.
5.12.
Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat een beëindiging van het gezag van de vader niet noodzakelijk is in het belang van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Het hof zal dan ook het verzoek van de raad alsnog afwijzen.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 27 november 2025 voor zover daarbij het gezag van de vader over [de minderjarige2] en [de minderjarige3] is beëindigd;
6.2.
wijst het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de vader over [de minderjarige2] en [de minderjarige3] alsnog af;
6.3.
compenseert de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, J.U.M. van der Werff en J.G. Knot, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.

Voetnoten

1.Artikel 1:266 lid 1 onder Pro a en b BW.
2.EHRM 6 oktober 2015, N.P./Moldavië, 58455/13.
3.EHRM 10 september 2019, Strand Lobben/Noorwegen, 37283/13.
4.Artikel 3 en Pro artikel 20 Verdrag Pro inzake de rechten van het kind.