Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:4175

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
21-000711-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling voor roekeloos rijgedrag en vlucht na ongeval met letsel

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland waarin verdachte werd veroordeeld voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994, waaronder roekeloos rijgedrag met een ongeval waarbij een slachtoffer letsel opliep.

Verdachte reed op 27 september 2023 in een gestolen auto, negeerde een politievolgteken en vluchtte met zeer hoge snelheden, waaronder 250 km/u op de snelweg en 160 km/u binnen de bebouwde kom. Tijdens de vlucht verloor hij de controle en veroorzaakte een botsing waarbij het slachtoffer gebroken vinger, gekneusde ribben en een gekneusd borstbeen opliep. Verdachte verliet de plaats van het ongeval en vluchtte te voet.

Het hof bevestigde de schuld en ernst van het gedrag, maar vernietigde de strafoplegging en tenuitvoerlegging van de rechtbank. Na afweging van persoonlijke omstandigheden en eerdere veroordelingen legde het hof een gevangenisstraf van 10 maanden op, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 2 jaar.

Het hof wees het verzoek tot het opmaken van een reclasseringsrapportage af en verklaarde verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep voor het deel gericht tegen de vrijspraak. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke ontzegging werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van kennisname door verdachte.

Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling en legt een gevangenisstraf van 10 maanden op, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 2 jaar.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000711-25
Uitspraakdatum: 23 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 4 februari 2025 met parketnummer 16-085195-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 21-000312-21, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J. de Vries, hebben aangevoerd. Tevens heeft het hof kennis genomen van het door het slachtoffer uitgevoerde spreekrecht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is door de rechtbank Midden-Nederland vrijgesproken van wat aan hem onder feit 4 is ten laste gelegd. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep gericht is tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak.

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen

De rechtbank heeft bij vonnis van 4 februari 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte veroordeeld wegens overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat uit roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor aan een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat, overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 en overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de rechtbank aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van 2 jaren. De vordering tot tenuitvoerlegging is door de rechtbank toegewezen.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en op goede gronden heeft beslist. Het hof bevestigt het vonnis, behalve voor zover het betreft de opgelegde straf. Ten aanzien van de straf en de vordering tot tenuitvoerlegging komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre vernietigt het hof het vonnis.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot dezelfde straf als die door de rechtbank aan verdachte is opgelegd.
De raadsman heeft verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daarbij heeft de raadsman gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, namelijk dat hij een opleiding volgt, nu in een studio van het Leger des Heils woont en gelet op zijn urgentieverklaring hopelijk binnenkort een eigen woning krijgt toegewezen.
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof vindt daarin de redenen tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de hierna aan te geven duur.
Verdachte reed op 27 september 2023 in een gestolen personenauto toen hij een volgteken van de politie negeerde en op de vlucht sloeg. Tijdens deze vlucht van zo’n twintig minuten heeft verdachte verschillende zeer gevaarlijke capriolen uitgehaald. Verdachte reed onder meer met een snelheid van 250 km/u over de snelweg, waarbij hij ook drie maal een rood kruis heeft genegeerd. Tijdens zijn vlucht haalde hij op deze snelheid meerdere voertuigen in. Binnen de bebouwde kom van [plaats 1] , waar een snelheid van 30 km/u is toegestaan, reed verdachte met een snelheid van 160 km/u. In de bebouwde kom van [plaats 2] reed verdachte met een dusdanig hoge snelheid door een chicane, dat hij de controle over het voertuig verloor en op de verkeerde weghelft terecht kwam. Hierdoor botste verdachte tegen het hem tegemoetkomende voertuig waar [slachtoffer] in reed. [slachtoffer] heeft aan dit ongeval een gebroken vinger, gekneusde ribben en een gekneusd borstbeen overgehouden. Met dit ongeval kwam de vlucht van verdachte per auto ten einde. Verdachte heeft zich toen echter niet bekommerd om [slachtoffer] , maar heeft de plaats van het ongeval verlaten en vluchtte te voet verder het bos in om uit handen van de politie te blijven.
Verdachte mag van geluk spreken dat [slachtoffer] relatief goed uit het ongeval is gekomen en dat zij hier geen zwaarder lichamelijk letsel aan over heeft gehouden. De levensgevaarlijke gedragingen van verdachte hadden veel grotere gevolgen kunnen hebben. Dat dit niet is gebeurd, is geenszins aan verdachte te danken. Het hof rekent dit verdachte zeer aan. [slachtoffer] heeft echter ten gevolge van het ongeval tot haar grote verdriet niet op de wijze die zij had gewild afscheid van haar vader kunnen nemen. Dat heeft haar veel verdriet gedaan. Ook dat weegt het hof mee in haar beoordeling.
Het hof heeft daarnaast acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 11 mei 2026 waaruit blijkt dat verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor gevaarlijk verkeersgedrag en hij zelfs in een proeftijd liep. Het hof weegt ook dit mee.
Over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verdachte ter zitting van het hof verklaard dat hij wordt begeleid door de gemeente, die ook een opleiding voor hem faciliteert. Verdachte volgt een versnelde zorgopleiding (niveau 4) en hij verwacht aan het einde van het jaar zijn diploma behalen. Daarna wil hij graag met jongeren werken. Verdachte heeft verklaard dat hij lang dakloos is geweest en dat zijn leven nu eindelijk een positieve wending heeft gekregen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal dit doorkruisen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij de schuld bestaat uit roekeloosheid, zijnde de hoogste gradatie van schuld. Dat het lichamelijke letsel van [slachtoffer] (relatief) meevalt, doet niet af aan de mate van schuld van verdachte. Bij de straftoemeting kijkt het hof allereerst naar de mate van schuld en niet alleen naar de ernst van het ontstane letsel. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan zeer gevaarlijk rijgedrag in de zin van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 en heeft hij de plaats van het ongeval verlaten. Hoewel het hof begrip heeft voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte en ziet dat hij de eerste stappen zet om zijn leven een positieve wending te geven, maakt de ernst van deze feiten dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Alles afwegende acht het hof net als de rechtbank en de advocaat-generaal de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Voorwaardelijk verzoek van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om, indien het hof van oordeel is dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte onvoldoende onderbouwd zijn, alsnog een reclasseringsrapportage op te laten maken. Het hof heeft dit opgevat als een voorwaardelijk verzoek, in het geval het hof overgaat tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof acht zich op basis van hetgeen door verdachte en zijn raadsman ter zitting is toegelicht over de persoonlijke omstandigheden van verdachte voldoende voorgelicht en daarmee het opmaken van een reclasseringsrapportage niet noodzakelijk. Het verzoek zal worden afgewezen.

Vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 21-000312-21 is verdachte op 7 september 2022 veroordeeld door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Aan verdachte is toen (onder meer) een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden opgelegd. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke straf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Het hof zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen. Uit het dossier blijkt niet voldoende duidelijk dat verdachte op de hoogte is gebracht van deze voorwaardelijke veroordeling, nu een brief met daarin de mededeling uitspraak ontbreekt.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 6, 7, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek tot het laten opmaken van een reclasseringsrapportage.

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing aangaande de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
10 (tien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
2 (twee) jaren.
Wijst afde vordering van de officier van justitie van het Parket Midden-Nederland van 22 augustus 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 september 2022, parketnummer 21-000312-21, voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. A.H. Garos, mr. M. Keppels en mr. D.J. Stahlie, in aanwezigheid van de griffier mr. I.M.G. van der Lee en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 23 juni 2026.