Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:4187

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
21-000369-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 302 SrArt. 6:95 BWArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging tot doodslag en veroordeling poging tot zware mishandeling na schietincident

In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het primair tenlastegelegde feit van poging tot doodslag vernietigd en verdachte daarvan vrijgesproken. Het hof oordeelde dat het schot in het been van het slachtoffer geen aanmerkelijke kans op overlijden opleverde en dat onvoldoende bewijs bestond voor opzet op de dood.

Wel werd het subsidiair tenlastegelegde feit van poging tot zware mishandeling bewezen verklaard. Verdachte had bewust op de benen van het slachtoffer gericht geschoten, wat volgens algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel inhoudt. Het hof legde een gevangenisstraf van 2 jaar op voor dit feit, in samenhang met eerdere bewezenverklaarde feiten waarvoor de rechtbank 5 jaar gevangenisstraf had opgelegd.

Daarnaast wees het hof een schadevergoeding toe aan de benadeelde partij van in totaal €10.820,00, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. Het hof wees tevens de vordering voor overige schadeposten af wegens onvoldoende bewijs of directe causaliteit. De voorlopige hechtenis van verdachte werd in mindering gebracht op de straf en het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag, veroordeeld tot 2 jaar gevangenisstraf voor poging tot zware mishandeling en toegewezen schadevergoeding van €10.820,00.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000369-25
Uitspraakdatum: 25 juni 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 14 januari 2025 met parketnummer 18-168915-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren in het jaar 1965 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in Penitentiaire Inrichting [locatie] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van het hof van 4 en 25 juni 2026 en het onderzoek op de zitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vernietiging van het vonnis van de rechtbank;
  • veroordeling van verdachte ter zake van het onder feit 3 primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf van 4 jaren met bepaling dat door de rechtbank 4 jaren gevangenisstraf zijn opgelegd voor de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en onder 4 tenlastegelegde feiten;
  • toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] , conform de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de materiële schade en toewijzing van de gevorderde immateriële schade voor het bedrag van € 12.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • teruggave van de 3 inbeslaggenomen telefoons.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat door verdachte en zijn raadsman,
mr. K. Karakaya, en door de advocaat van de benadeelde partij, mr. R.J. Jager, naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is bij akte instellen hoger beroep van 28 januari 2025 beperkt tot de bewezenverklaring van het onder 3 primair ten laste gelegde feit.
Dit betekent dat de feiten 1, 2 en 4 niet aan de orde zijn in hoger beroep, maar dat het hof wel dient te bepalen welk deel van de door de rechtbank opgelegde straf betrekking had op deze feiten. De vorderingen van de benadeelde partijen ten aanzien van de feiten 1 en 2 zijn gelet op het voorgaande in hoger beroep niet meer aan de orde.

Het vonnis

De rechtbank heeft bij vonnis van 14 januari 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de onder 1 subsidiair (poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] ), 2 subsidiair (zware mishandeling van [slachtoffer 2] ), 3 primair (poging tot doodslag van [benadeelde] ) en onder 4 (aanwezig hebben van een wapen en patronen) tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep aan de orde, de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 620,00 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank, voor zover haar vonnis aan het oordeel van het hof onderworpen is. Het hof vernietigt daarom het vonnis ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde, en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging, voor zover aan de orde in hoger beroep, ten laste gelegd dat:
3. primair
hij op of omstreeks 6 juli 2023 te [plaats] in de [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, - met die [benadeelde] heeft afgesproken (achter een hek op het terrein van het [garagebedrijf] , [adres] ) en/of daarbij die [benadeelde] heeft opgewacht (samen met 6 à 7 aanwezige personen) om in gesprek te gaan en/of waarbij een woordenwisseling is ontstaan en/of waarbij die [benadeelde] naar de uitgang werd begeleid en/of
- een pistool heeft getrokken en/of het pistool heeft gericht op die [benadeelde] en/of
- ( meerdere malen) heeft geschoten op die [benadeelde] terwijl die [benadeelde] wegrende en/of
- daarbij die [benadeelde] heeft geraakt (in zijn been) en/of waarbij die [benadeelde] is neergevallen (en momenten buiten bewustzijn was) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
subsidiair
hij op of omstreeks 6 juli 2023 te [plaats] in de [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- met die [benadeelde] heeft afgesproken (achter een hek op het terrein van het [garagebedrijf] , [adres] ) en/of daarbij die [benadeelde] heeft opgewacht (samen met 6 à 7 aanwezige personen) om in gesprek te gaan en/of waarbij een woordenwisseling is ontstaan en/of waarbij die [benadeelde] naar de uitgang werd begeleid en/of
- een pistool heeft getrokken en/of het pistool heeft gericht op die [benadeelde] en/of -(meerdere malen) heeft geschoten op die [benadeelde] terwijl die [benadeelde] wegrende en/of
- daarbij die [benadeelde] heeft geraakt (in zijn been) en/of waarbij die [benadeelde] is neergevallen (en momenten buiten bewustzijn was) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden veroordeeld ten aanzien van het onder 3 primair tenlastegelegde. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat hij de bewezenverklaring van de rechtbank volgt. Verdachte heeft al lopend geschoten, terwijl hij zich in een chaotische situatie bevond. Verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever [benadeelde] dodelijk getroffen zou worden door het door verdachte afgevuurde schot.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het onder 3 primair tenlastegelegde bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van aangever. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte een geoefend schutter is en gericht op de benen van aangever heeft geschoten, wat naar algemene ervaringsregels geen aanmerkelijke kans op de dood oplevert.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het onder 3 subsidiair tenlastegelegde.
Oordeel van het hof
Vrijspraak ten aanzien van het primair tenlastegelegde
Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [benadeelde] en overweegt daartoe als volgt.
Juridisch kader
Opzet op de dood kan bewezen worden als sprake is van een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans op de dood die door de verdachte bewust aanvaard is. Of sprake is van een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij gekeken moet worden naar de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Opzet op de dood
Op basis van de aangifte van [benadeelde] , het beeldmateriaal in het dossier en de verklaring van verdachte zoals afgelegd bij de behandeling in eerste aanleg en op de zitting van het hof stelt het hof vast dat verdachte een vuurwapen bij zich had en hier meermaals mee geschoten heeft. Met het derde schot heeft verdachte aangever in zijn been geraakt. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gericht op de benen van aangever en daarop heeft geschoten en niet de intentie had om aangever te doden.
Nadat verdachte aangever geraakt had, heeft hij van nabij gericht op de benen van [slachtoffer 2] geschoten, die daardoor zwaargewond is geraakt. Verdachte nam daarbij eenzelfde (schot)houding aan als toen hij op aangever schoot. Verdachte heeft op de zitting uitgebeeld hoe hij het wapen vasthield toen hij op aangever schoot. Daarbij ging hij iets door zijn knieën en richtte hij enigszins naar beneden. Het hof constateert dat die schothouding overeenkomt met de beelden en met de wijze waarop hij vervolgens op [slachtoffer 2] schoot. In deze wijze van optreden van verdachte vindt het hof steun voor de aanname dat het de bedoeling van verdachte was om ook aangever in zijn benen te schieten en niet in (hoger gelegen) vitale delen van het lichaam en dat hij daartoe zijn wapen naar beneden heeft gericht. Aangever is uiteindelijk ook daadwerkelijk in zijn been, ter hoogte van zijn knie, geraakt.
Dat verdachte daarmee wel de aanmerkelijke kans dat het schot in een ander deel van het lichaam zou treffen bewust aanvaard heeft, zoals de rechtbank heeft vastgesteld, kan het hof niet concluderen. Hoewel de situatie chaotisch was en verdachte zegt niet eerder met dit wapen geschoten te hebben, kan onvoldoende concreet vastgesteld worden hoe de schotrichting en de afstand tussen verdachte en aangever waren om met enige mate van zekerheid vast te kunnen stellen dat sprake was van een aanmerkelijke kans op het dodelijk verwonden van aangever. Het hof beschikt over onvoldoende
objectievegegevens om vast te kunnen stellen hoe verdachte exact heeft geschoten, op welke afstand hij zich bevond van aangever en (dus) of er sprake was van een
aanmerkelijkekans dat hij aangever
eldersdodelijk zou treffen. Een schotverwonding in het been levert naar algemene ervaringsregels niet per definitie de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer overlijdt.
Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de mogelijkheid dat aangever in een slagader in zijn been zou worden geraakt en daardoor zou komen te overlijden geen aanmerkelijke kans op de dood oplevert en – anders dan de rechtbank – dat niet vastgesteld kan worden dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat verdachte een ander (hoger in het lichaam gelegen) vitaal orgaan zou raken.
Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting daarom niet door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte de onder 3 primair tenlastegelegde poging tot doodslag heeft begaan. Het hof spreekt verdachte daarom vrij van de onder 3 primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
Bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde
Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. De gebezigde bewijsmiddelen zullen later worden uitgewerkt, ingeval er cassatieberoep zal worden ingesteld. Het hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs te twijfelen.
Gelet op de omstandigheden die blijken uit de aangifte, het beeldmateriaal en de verklaringen die verdachte bij behandeling in eerste aanleg en op de zitting van het hof heeft afgelegd, kan worden vastgesteld dat verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Schieten op de benen levert naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt. De handelingen van verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm bovendien zo zeer gericht op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is niet gebleken. Verdachte heeft dit ook niet weersproken. Het hof concludeert dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever.
Op grond van voorgaande acht het hof de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
3.subsidiair
hij op 6 juli 2023 te [plaats] in de [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- een pistool heeft getrokken en het pistool heeft gericht op die [benadeelde] en
- heeft geschoten op die [benadeelde] terwijl die [benadeelde] wegrende en
- daarbij die [benadeelde] heeft geraakt in zijn been,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiaire bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:
poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het onder 3 primair tenlastegelegde een gevangenisstraf opgelegd dient te worden van 4 jaren, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Verder heeft de advocaat-generaal gevorderd dat bepaald wordt dat de rechtbank voor de andere feiten, die in hoger beroep niet aan de orde zijn, eveneens 4 jaren gevangenisstraf heeft opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de ouderdom van de feiten, de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze op de zitting van het hof naar voren zijn gebracht. Tot slot heeft de raadsman verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek op de zitting is gebleken. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen.
Anders dan de rechtbank spreekt het hof verdachte vrij van poging tot doodslag. Verdachte heeft zich wel schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door aangever in zijn rechterbeen te schieten. Verdachte heeft door zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is schokkend dat verdachte in de situatie waar hij zich in bevond aanleiding zag om een wapen te pakken en – toen de situatie escaleerde – gericht te schieten. Het slachtoffer [benadeelde] heeft als gevolg van het incident letsel opgelopen en ondervindt tot op heden de psychische nasleep van het incident, zoals blijkt uit wat zijn advocaat op de zitting van het hof naar voren heeft gebracht. Naast de gevolgen voor het slachtoffer veroorzaken dergelijke feiten gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Het hof heeft in het kader van de strafoplegging acht geslagen op het strafblad van verdachte van 4 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in 2014 onherroepelijk is veroordeeld voor het medeplegen van poging tot doodslag en het medeplegen van een bedreiging. Verdachte heeft op de zitting van het hof toegelicht dat dit plaatsvond in dezelfde groep waarmee een langlopend conflict loopt dat de levens van verdachte, zijn zoons en de slachtoffers beheerst. Kennelijk heeft deze eerdere veroordeling verdachte er niet van weerhouden een oplossing in het conflict te zoeken met het gebruiken van (ernstig) geweld. Het hof weegt dit in strafverzwarende zin mee.
Daarnaast heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze op de zitting van het hof naar voren zijn gebracht, waaronder de omstandigheid dat verdachte kampt met verschillende medische aandoeningen.
Ook stelt het hof vast dat de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM zowel in eerste aanleg als in hoger beroep met 1 maand is overschreden. Het hof zal, gelet op de beperkte omvang van die overschrijding, volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De overschrijding leidt niet tot strafvermindering.
Gezien de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met oplegging van een andere straf dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft verbleven. Hierbij heeft de rechtbank – naar het oordeel van het hof – voor de onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaren bedoeld op te leggen. Voor het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde feit acht het hof, gelet ook op deze door de rechtbank opgelegde straf en de samenhang van het in hoger beroep bewezenverklaarde met die feiten 1, 2 en 4, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren passend en geboden.
Het hof zal bepalen dat het voorarrest van verdachte afgetrokken moet worden van de hem opgelegde gevangenisstraf. Het hof constateert dat verdachte weliswaar pas op 16 augustus 2023 in verzekering is gesteld, maar dat hij al sinds 19 juli 2023 in voorarrest verblijft. Naar aanleiding van een Europees aanhoudingsbevel in deze zaak is hij op 19 juli 2023 in Duitsland aangehouden en heeft hij in voorarrest verbleven ten behoeve van zijn uitlevering naar Nederland, die op 16 augustus 2023 plaatsvond. Met deze periode van voorarrest dient rekening te worden gehouden.
Verzoek opheffen voorlopige hechtenis
Gelet op de bewezenverklaring en de strafoplegging, zal het hof het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen. De persoonlijke belangen van verdachte wegen minder zwaar dan het strafvorderlijke belang bij voortduring van de voorlopige hechtenis. Hierbij heeft het hof in het bijzonder gelet op de ernst van de feiten en de aard van de gronden voor voorlopige hechtenis enerzijds, en de gestelde persoonlijke omstandigheden anderzijds.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.364,00, waarvan een bedrag van € 2.864,00 aan materiële schade, bestaande uit:
  • € 385,00 ter zake van ambulancerit;
  • € 35,00 ter zake van ziekenhuisdaggeld;
  • € 469,00 ter zake van iPhone 12 Pro;
  • € 350,00 ter zake van vervangen autosleutel;
  • € 400,00 ter zake van vervreemd/verdwenen cashgeld;
  • € 400,00 ter zake van kleding en schoenen;
  • € 825,00 ter zake van littekencorrectie;
en € 17.500,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft de materiële schade toegewezen tot een bedrag van € 620,00. Ten aanzien van het resterende deel van de gevorderde materiële schade, te weten de posten autosleutel, cashgeld en littekencorrectie heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft een bedrag van € 8.000,00 aan immateriële schade toegewezen. Ten aanzien van het overige deel van de gevorderde immateriële schade heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zijn vordering in hoger beroep gehandhaafd. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft op de zitting bij de rechtbank aangegeven dat het bedrag voor de iPhone 12 Pro niet langer wordt gevorderd. Dit wordt in mindering gebracht op de vordering. Voor het overige heeft de benadeelde partij aangegeven dat het oorspronkelijk gevorderde bedrag wordt gehandhaafd.
Het hof stelt vast dat uit het onderzoek op de zitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Het hof wijst de posten ambulancerit en ziekenhuisdaggeld geheel toe. Ten aanzien van de post kleding en schoenen is het hof van oordeel dat, gelet op de aard van het incident en de gevolgen daarvan, de kleding van de benadeelde partij niet meer bruikbaar was. Het hof schat de kosten hiervoor op € 400,00.
Ten aanzien van de posten autosleutel en vervreemd/verdwenen cashgeld stelt het hof vast dat dit geen rechtstreekse schade betreft die is veroorzaakt door het handelen van verdachte. Het hof verklaart de benadeelde partij in deze posten daarom niet-ontvankelijk.
Ten aanzien van de kostenpost littekencorrectie is het hof van oordeel dat op dit moment onvoldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij gebruik gaat maken van de littekencorrectie. Deze post is voldoende gemotiveerd betwist en onvoldoende onderbouwd. In zoverre verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt het hof als volgt. Uit de artikelen 6:95 en 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat uitsluitend in limitatief in de wet opgesomde gevallen aanspraak bestaat op immateriële schadevergoeding, ook genaamd ‘smartengeld’. Voor zover in deze zaak relevant heeft de benadeelde alleen recht op vergoeding van immateriële schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Uit het onderzoek op de zitting en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat aangever door het bewezenverklaarde feit niet alleen lichamelijk letsel heeft opgelopen maar als gevolg daarvan ook op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft toegelicht dat hij tot op heden de gevolgen van het incident ondervindt. De benadeelde partij leidt aan een posttraumatische stressstoornis, slaapt slecht en is angstig. De benadeelde partij komt daarom in aanmerking voor vergoeding van de immateriële schade wegens aantasting van de persoon op andere wijze. De raadsman van verdachte heeft verzocht de immateriële schade te matigen.
Het hof heeft bij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij rekening gehouden met de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Hierin is aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Het hof is van oordeel dat de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling aansluit bij de middelzware categorie voor PTSS (€ 5.500,00 tot € 16.000,00). Gelet op de specifieke omstandigheden van deze zaak is het hof van oordeel dat de immateriële schade vastgesteld dient te worden op een bedrag van € 10.000,00. Ten aanzien van het overige deel van de gevorderde immateriële schade verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk. In zoverre kan hij zich slechts wenden tot de burgerlijke rechter.
Het hof concludeert dat verdachte een bedrag van € 820,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade aan de benadeelde partij dient te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de na te melden datum.
Gelet op vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) jaren.
Bepaalt de duur van de
gevangenisstrafvoor de door de rechtbank bewezenverklaarde feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 4 op
5 (vijf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt vast dat verdachte vanaf 19 juli 2023 in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Gelast de
teruggaveaan rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
3 telefoons.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 10.820,00 (tienduizend achthonderdtwintig euro) bestaande uit € 820,00 (achthonderdtwintig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.820,00 (tienduizend achthonderdtwintig euro) bestaande uit € 820,00 (achthonderdtwintig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 79 (negenenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 6 juli 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Kwakman, mr. G.A. Versteeg en mr. M.M. Dolman, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 25 juni 2026.