ECLI:NL:GHARL:2026:4192

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
200.364.661
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging inschrijving kinderen in BRP en kinderalimentatie bij co-ouderschap

De vrouw en de man, ouders van twee minderjarige kinderen, voeren een co-ouderschapsregeling waarbij de kinderen op verschillende adressen in de Basisregistratie Personen (BRP) zijn ingeschreven. De vrouw verzocht de rechtbank om wijziging van de inschrijving van hun zoon naar haar adres en verhoging van de kinderalimentatie. De rechtbank wees dit af en stelde de alimentatiebedragen vast.

In hoger beroep bevestigde het hof deze beslissingen. Het hof oordeelde dat er geen zwaarwegende redenen zijn om de inschrijving van het kind in de BRP te wijzigen, ondanks de verslechterde communicatie tussen de ouders. De vastgestelde kinderalimentatie blijft gehandhaafd omdat de hoofdverblijfplaats ongewijzigd is.

Verzoeken van de vrouw om wijziging van de regeling omtrent de kosten van buitenschoolse opvang (BSO) werden afgewezen, omdat de ouders zelf afspraken hadden gemaakt die nog steeds worden nageleefd. Ook het verzoek van de man om proceskostenvergoeding werd afgewezen, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt vanwege de aard van de procedure en de relatie tussen partijen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de rechtbankbeslissing over inschrijving in de BRP en kinderalimentatie en wijst verzoeken over BSO-kosten en proceskosten af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.364.661
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 591138
beschikking van 25 juni 2026
in de zaak van
[appellante](de vrouw)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. L.M. Bongers
en
[geïntimeerde](de man)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. C.A.H. Boom

1.Samenvatting

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft het verzoek van de vrouw om de zoon van de vrouw en de man, [minderjarige1] , op haar adres in de Basisregistratie Personen (BRP) in te schrijven afgewezen. Ook heeft de rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 158 per maand aan de vrouw moet betalen aan kinderalimentatie voor [minderjarige2] en dat de vrouw een bedrag van € 46 per maand aan de man moet betalen aan kinderalimentatie voor [minderjarige1] .
Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vrouw en de man hebben twee kinderen:
  • [minderjarige1] , geboren [in] 2015 in [geboorteplaats] , en
  • [minderjarige2] , geboren [in] 2020 in [geboorteplaats] .
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over hun kinderen.
2.2.
De man en de vrouw hebben een ouderschapsplan opgesteld dat door hen beiden is ondertekend op 10 maart 2022. In het ouderschapsplan zijn de ouders overeengekomen dat [minderjarige1] hoofdverblijf heeft bij beide ouders en op het adres van de vader in de BRP staat ingeschreven en dat [minderjarige2] hoofdverblijf heeft bij beide ouders en op het adres van de moeder in de BRP staat ingeschreven. De ouders voeren een co-ouderschapsregeling uit. Verder zijn de man en de vrouw overeengekomen dat de kosten van de beide kinderen van een kinderrekening worden betaald. De man dient op die rekening € 159 per kind per maand en de vrouw € 15 per kind per maand over te maken. Grote uitgaven voor de kinderen en de netto kosten van kinderopvang worden door de vrouw en de man gedeeld.

3.De procedure bij de rechtbank

voor zover van belang in deze procedure in hoger beroep
3.1.
De vrouw heeft bij de rechtbank verzocht om inschrijving van beide kinderen op haar adres in de BRP. Ook heeft zij verzocht te bepalen dat de man vanaf 1 maart 2025 als bijdrage voor de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (verder: kinderalimentatie) een bedrag van € 187 per kind per maand moet betalen.
3.2.
De man was het niet mee eens met deze verzoeken van de vrouw. Wat betreft de kinderalimentatie verzoekt hij te bepalen dat de vrouw vanaf de datum van de beschikking een bedrag van € 342 voor [minderjarige1] aan hem betaalt en dat hij een bedrag van € 18 per maand voor [minderjarige2] aan de vrouw betaalt.
3.3.
De rechtbank heeft het verzoek over de inschrijving van [minderjarige1] op het adres van de vrouw in de BRP afgewezen en bepaald dat de man aan kinderalimentatie € 158 per maand aan de vrouw moet betalen voor [minderjarige2] en dat de vrouw aan kinderalimentatie € 46 per maand aan de man moet betalen voor [minderjarige1] .
3.4.
Die beslissingen zijn vastgelegd in een beschikking van 3 november 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vrouw is het niet eens met de beslissingen van de rechtbank over de inschrijving van [minderjarige1] in de BRP en de kinderalimentatie en komt daarom in hoger beroep.
De vrouw verzoekt het hof de beschikking van de rechtbank op deze punten te vernietigen en:
- alsnog te bepalen dat [minderjarige1] wordt ingeschreven in de BRP op haar adres en daarbij te bepalen dat zij gerechtigd is om de kinderbijslag voor beide kinderen te ontvangen;
- te bepalen dat de man met ingang van 1 maart 2025, dan wel met ingang van een datum die het hof juist acht, als kinderalimentatie voor [minderjarige2] en [minderjarige1] aan haar € 250,- per kind per maand moet voldoen, dan wel een bedrag dat het hof juist acht;
- het ouderschapsplan te wijzigen ten aanzien van de BSO-kosten op de dagen dat de kinderen volgens de zorgregeling bij de man verblijven;
- te bepalen dat de man alsnog de helft van de door de vrouw betaalde BSO-kosten over periode van maart tot en met november 2025 dient te voldoen.
4.2.
De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw en is het ook niet eens met de beslissing van de rechtbank over de kinderalimentatie. Hij komt daarom ook in hoger beroep. Volgens hem is de situatie inmiddels gewijzigd.
De man verzoekt naar aanleiding daarvan het hof de verzoeken van de vrouw af te wijzen en de beschikking van de rechtbank te wijzigen en te bepalen dat hij met ingang van 1 maart 2026 aan de vrouw € 100 voor [minderjarige2] en de vrouw met ingang van diezelfde datum aan hem € 100 voor [minderjarige1] moet betalen. Ook verzoekt de man te bepalen dat de vrouw zijn proceskosten (geraamd op € 2.500) moet voldoen.
4.3.
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt het hof deze verzoeken af te wijzen.
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift ontvangen op 3 februari 2026
  • het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep
  • de stukken van de vrouw ingediend op 18 mei 2026
  • de stukken van de man ingediend op 18 mei 2026
  • de stukken van de man ingediend op 20 mei 2026
  • het verweerschrift tegen het incidenteel hoger beroep
4.5.
De zitting bij het hof was op 28 mei 2026. Aanwezig waren:
  • de vrouw met haar advocaat
  • de man met zijn advocaat

5.Het oordeel van het hof

5.1
Aan het begin van de mondelinge behandeling heeft het hof beslist dat het verweerschrift tegen het incidenteel hoger beroep van de vrouw buiten beschouwing zal worden gelaten voor zover het geen betrekking heeft op het incidenteel hoger beroep, omdat de inhoud van het verweerschrift tegen het incidenteel hoger beroep in strijd is met de zogeheten twee-conclusieregel. Op grond van de zogenoemde twee-conclusieregel in combinatie met het verder in de rechtspraak ontwikkelde zogenoemde grievenstelsel in procedures in hoger beroep, moeten alle stellingen van partijen en wijzigingen of vermeerderingen van een verzoek worden aangevoerd in (een van) de twee conclusies, te weten in de verzoekschriftprocedures het hoger-beroepschrift respectievelijk het verweerschrift in hoger beroep. De rechter mag in principe geen acht slaan op grieven, stellingen, feiten en wijzigingen die na de uitwisseling van de stukken worden aangevoerd. Genoemd processtuk van de vrouw komt in feite neer op een herhaling van standpunten in het principaal beroep. Van dit processtuk heeft alleen randnummers 19 en 20 betrekking op het incidenteel hoger beroep, zodat alleen die alinea bij de beoordeling wordt betrokken.
inschrijving kinderen in de gemeentelijke basisadministratie
5.2
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag.
oordeel hof
5.3
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de vrouw geen zwaarwegende redenen heeft aangevoerd om de inschrijving in het BRP van [minderjarige1] te wijzigen, zo de rechter dit al zou kunnen bepalen. Dat een inschrijving van [minderjarige1] bij haar financieel gunstiger uitpakt, omdat de man inmiddels geen aanspraak meer kan maken op de alleenstaande ouderkop bij de belastingdienst is in dat kader volgens vaste rechtspraak van dit hof onvoldoende.
Partijen hebben er destijds bewust voor gekozen om bij iedere ouder een kind in te schrijven en die situatie doet per saldo ook recht aan de zorgregeling die de ouders uitvoeren. Het hof passeert de door de vrouw aangehaalde jurisprudentie. De situaties in de door de vrouw aangehaalde uitspraken zijn immers niet vergelijkbaar met de situatie van partijen.
De stellingen van de vrouw dat de man schriftelijke berichten voor [minderjarige1] niet altijd aan haar doorgeeft en dat zij de contacten met school, de kinderopvang en over medische aangelegenheden voor de kinderen meestal onderhoudt, vormen ook onvoldoende reden. De man heeft een aantal voorbeelden die de vrouw heeft aangehaald betwist en nader toegelicht.
Verder stelt de vrouw dat het onwenselijk is dat de kinderen nu soms ongelijk behandeld worden. Ook dit punt heeft de vrouw onvoldoende nader onderbouwd, zeker nu de man ten aanzien van een aantal voorbeelden de situatie nader heeft toegelicht.
Het hof constateert dat de problemen die worden vermeld door de ouders grotendeels te maken hebben met de verdergaand verslechterde verstandhouding tussen de man en de vrouw. De communicatie tussen hen over de kinderen laat te wensen over en is de afgelopen periode na de bestreden beschikking naar het hof begrijpt nog verder verslechterd. Het is wenselijk dat de ouders gaan proberen meer begrip voor elkaar te hebben en energie gaan steken in verbetering van de communicatie, want de huidige situatie gaat ten koste van het welzijn van hun kinderen. Een inschrijving van [minderjarige1] bij de vrouw is naar het oordeel van het hof geen oplossing voor de problemen tussen de ouders die op dit moment spelen.
Het hof zal het verzoek van de vrouw om toestemming te verlenen om [minderjarige1] bij haar in te schrijven daarom afwijzen. De beslissing van de rechtbank wordt op dit punt bekrachtigd.
kinderalimentatie
5.4
De man en de vrouw hebben tijdens de mondelinge behandeling bij het hof desgevraagd beiden bevestigd dat, indien de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] niet wijzigt, de beslissing van de rechtbank over de kinderalimentatie in stand kan blijven. De man heeft naar voren gebracht dat hij inmiddels wel een andere baan heeft en zijn inkomen ten gevolge daarvan wat is afgenomen, maar indien de hoofdverblijfplaats niet wijzigt – en dat is het geval -, dan kan de beslissing over de kinderalimentatie ondanks zijn wat verminderde draagkracht in stand blijven. Zijn verzoek om de kinderalimentatie te wijzigen met ingang van 1 maart 2026 moet worden beschouwd als een voorwaardelijk verzoek voor het geval het hof alsnog bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] bij de moeder is.
Nu het hof het verzoek over de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] ook in hoger beroep afwijst, brengt dit mee dat de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie niet meer ter beoordeling voorligt. Het hof zal daarom ook deze beslissing bekrachtigen.
kosten BSO
5.5
De vrouw heeft in hoger beroep tot slot nog twee verzoeken met betrekking tot de betaling dan wel het voldoen van de kosten van de BSO voor de kinderen ingediend. Het hof stelt net als de rechtbank vast dat de ouders in het ouderschapsplan zelf een regeling hebben getroffen over de kinderopvangkosten. Zij hebben afgesproken dat de vrouw de volledige kosten van de kinderopvang zal voldoen en aanspraak maakt op de kinderopvangtoeslag. De vader zal maandelijks de helft van de netto kinderopvangkosten aan de vrouw voldoen.
De vrouw heeft redenen aangevoerd waarom zij van deze regeling af wil, onder andere omdat de regeling erg omslachtig is, de man alleen opvangkosten maakt en deze kosten onnodig zijn volgens haar. De man heeft de achtergrond van de gemaakte afspraken over de BSO toegelicht. Beide ouders werkten op maandag en dinsdag en zij wilden de kosten van de BSO zo laag mogelijk houden. De constructie van de betaling van de netto kosten is volgens de man opgetuigd omdat dit financieel gunstiger is voor partijen. Verder heeft de man naar het oordeel van het hof goed kunnen uitleggen waarom hij nog steeds gebruik moet maken van kinderopvang (voor [minderjarige1] ) en hij daarvoor geen beroep kan doen op zijn partner. Ter zitting is gebleken dat de ouders op dit moment de eerder overeengekomen regeling inmiddels weer uitvoeren.
Het hof is gezien het vorenstaande van oordeel dat de verzoeken van de vrouw over de kosten van de kinderopvang moeten worden afgewezen. Niet gebleken is dat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd, dat instandhouding van de afspraak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer kan worden gevergd. De problemen die zijn ontstaan op dit punt komen vooral voort uit de verslechterde verstandhouding en de communicatieproblemen tussen de ouders, maar zij zijn zelf verantwoordelijk voor de nadere invulling en afhandeling van de door hen gemaakte afspraken.
proceskosten
5.6
Het hof zal het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw zijn proceskosten moet voldoen afwijzen. Iedere partij moet de eigen kosten dragen (compensatie van proceskosten), omdat partijen een relatie hebben gehad en de procedure betrekking heeft op de uit die relatie geboren kinderen. In de wijze van procedure van partijen ziet het hof geen aanleiding om hiervan af te wijken.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 3 november 2026;
6.2.
compenseert de proceskosten;
6.3.
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, D.J.M. van de Voort en A.T. Bol, en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.