ECLI:NL:GHARL:2026:4206

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
21-004034-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerijen

In hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland over de ontnemingsvordering heeft het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel door betrokkene uit hennepkwekerijen opnieuw vastgesteld. De rechtbank had het voordeel geschat op €31.375,62, maar het hof komt tot een hogere schatting van €35.875,62.

Betrokkene was onherroepelijk veroordeeld voor medeplichtigheid en medeplegen bij hennepkwekerijen aan twee adressen. Het hof beoordeelde de betrokkenheid en het voordeel per kwekerij afzonderlijk. Voor de kwekerij aan het eerste adres werd het voordeel vastgesteld op €1.500,00, gebaseerd op drie maanden voorbereidende werkzaamheden. Voor de kwekerij aan het tweede adres nam het hof de rechtbankberekening over, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel op €68.751,25 werd gesteld, waarvan betrokkene de helft toekomt, zijnde €34.375,62.

Het hof matigde het bedrag wegens overschrijding van de redelijke termijn met €5.000,00, waardoor de betalingsverplichting aan de Staat op €30.875,62 werd vastgesteld. De duur van de gijzeling werd bepaald op maximaal 308 dagen. Het hof verwierp het draagkrachtverweer van betrokkene, die leefde van een bijstandsuitkering en gezondheidsproblemen had, omdat niet was gebleken dat hij geen draagkracht had.

De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en is uitgesproken op 25 juni 2026 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €35.875,62 en legt een betalingsverplichting aan de Staat op van €30.875,62 na matiging wegens redelijke termijnoverschrijding.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004034-24
Uitspraakdatum: 25 juni 2026
TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Verkorte beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 20 september 2024 met parketnummer 18-750064-16 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 11 juni 2026 en op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en zijn raadsvrouw, mr. C.M. Peeperkorn, hebben aangevoerd.

De beslissing waarvan beroep

De rechtbank heeft bij beslissing van 20 september 2024 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op een bedrag van € 31.375,62. De verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is door de rechtbank op datzelfde bedrag vastgesteld, met bepaling van gijzeling van ten hoogste 627 dagen.
Het hof komt tot een andere schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en vaststelling van de verplichting tot betaling aan de Staat. Het vernietigt daarom de beslissing van de rechtbank en doet opnieuw recht.

De vordering

Het openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op een bedrag van € 805.521,63. Daarnaast heeft het openbaar ministerie gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag. De officier van justitie heeft ter terechtzitting in eerste aanleg dat wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 42.694,81 en gevorderd, vanwege overschrijding van de redelijke termijn, een betalingsverplichting op te leggen van € 37.694,81.
In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel, overeenkomstig de beslissing van de rechtbank, wordt geschat op een bedrag van € 41.375,62 en dat betrokkene, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn, de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 31.375,62

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt van de verdediging
Betrokkene heeft naar eigen zeggen ongeveer € 18.000,00 aan wederrechtelijk voordeel verkregen. De raadsvrouw heeft zich in dat kader opnieuw op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 18.000,00. Dat berust volgens de raadsvrouw op een zorgvuldige schatting en betrokkene heeft daarover consistent verklaard. Volgens de raadsvrouw heeft betrokkene ten behoeve van de hennepkwekerijen enkel hand- en spandiensten verricht en had hij zo bezien slechts een uitvoerende rol. Van meedelen in de opbrengsten van de kwekerijen is dan ook geen sprake geweest.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt voor wat betreft de kwekerij in de [adres 2] op zichzelf niet betwist. De raadsvrouw heeft enkel verweer gevoerd tegen de toerekening van dat voordeel aan betrokkene. Verder heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op een overschrijding van de redelijke termijn en een draagkrachtverweer gevoerd.
Oordeel van het hof
De feiten waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gebaseerd
Betrokkene is bij arrest van dit hof van 3 maart 2023 in de hoofdzaak onder andere onherroepelijk veroordeeld voor:
Medeplichtigheidbij het in uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid middel, meermalen gepleegd.
(feit 3, subsidiair)
Medeplegenvan het in uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid middel, meermalen gepleegd.
(feit 4, primair)
Dit betekent dat betrokkene onherroepelijk is veroordeeld voor medeplichtigheid bij de hennepkwekerij aan de [adres 3] en voor medeplegen ten aanzien van de hennepkwekerij aan de [adres 2] . Uit het strafdossier en de behandeling van de vordering op de zitting in hoger beroep blijkt dat betrokkene erkent uit die bewezenverklaarde feiten financieel enig financieel voordeel te hebben verkregen in de vorm van een maandelijkse vergoeding. Naar het oordeel van het hof bestaan er echter voldoende aanwijzingen dat in de bewezenverklaarde periode sprake is geweest van een eerdere hennepoogst waaruit hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het hof stelt vast dat hiermee sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De wijze van vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De hennepkwekerij aan de [adres 3]
Het hof is van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat betrokkene voordeel heeft genoten uit de hennepkwekerij in [plaats 2] . Betrokkene heeft verklaard dat hij ten aanzien van deze kwekerij voorbereidende werkzaamheden in het kader van de opbouw heeft verricht. Volgens betrokkene zou hij met die werkzaamheden ongeveer € 500,00 per maand hebben verdiend.
Ten aanzien van het hieruit wederrechtelijk verkregen voordeel komt het hof tot een andere berekening en schatting dan de rechtbank. De rechtbank is uitgegaan van een periode van veertien maanden. Op basis daarvan komt de rechtbank tot een schatting van 14 maanden x € 500,00 = € 7.000,00. Enkel uitgaande van betrokkenheid in de periode van de opbouw van de hennepkwekerij gaat het hof, anders dan de rechtbank, uit van een kortere periode. Het hof ziet onvoldoende aanknopingspunten dat betrokkene meer en langer betrokkenheid heeft gehad dan het verrichten van voorbereidende handelingen die zagen op het opbouwen dan wel opzetten van deze kwekerij. Betrokkenes (voorbereidende) werkzaamheden bestonden vooral uit het lassen van de stellages voor de kwekerij. Het hof zal daarom - in het voordeel van betrokkene - uitgaan van een periode van drie maanden.
Het hof komt op basis van voorgaande overwegingen en zijn eigen verklaring dat hij ongeveer € 500,00 per maand voor zijn werkzaamheden ontving, tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel: 3 maanden x € 500,00 = € 1.500,00.
Het hof schat het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel door betrokkene uit de hennepkwekerij aan de [adres 3] daarmee op
€ 1.500,00.
De hennepkwekerij aan de [adres 2]
Het hof neemt ten aanzien van de hennepkwekerij aan de [adres 2] de berekening van het uit een eerdere hennepoogst verkregen wederrechtelijk voordeel zoals beschreven door de rechtbank over en maakt die tot de zijne. De verdediging heeft deze berekening op zichzelf niet betwist. Waar hierna ‘de rechtbank’ staat kan nu ‘het hof’ worden gelezen. Tekstuele verbeteringen en aanvullingen zijn door het hof
niet cursiefweergegeven.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft in haar beslissing hierover het volgende overwogen:
‘Periode
Op 18 juli 2016 werd door de politie aan de [adres 2] , in een vrijstaande loods, een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.
De eigenaar van de loods, [getuige] , heeft bij de politie verklaard dat hij in maart april 2016 nog in de loods was en dat de loods toen leeg was. Op 20 juni 2016 werd door middel van observatie waargenomen datbetrokkene
en medeveroordeelde [medeverdachte 2] in de loods aanwezig waren. Diezelfde dag heeft [medeverdachte 2] in een telefoongesprek gezegd dat hij net klaar was met werken en dat hij stonk. Op grond van bovenstaande, gaat de rechtbank uit van de periode 20 juni 2016 tot 18 juli 2016.Betrokkene
heeft verklaard bij de opbouw van de hennepkwekerij betrokken te zijn geweest endat hij
hier veelvuldig aanwezig was. Hij beschikte daarnaast over een toegangssleutel en heeft geholpen bij het oogsten.
Aantal oogsten
De rechtbank overweegt dat de periode van 20 juni 2016 tot 18 juli 2016 - in het voordeel vanbetrokkene
afgerond - 4 weken beslaat. Aangezien het onderzoek geen concrete gegevens ten aanzien van de kweekcyclus van deze hennepkwekerij bevat, gaat de rechtbank, conform het BOOM-rapport 2016, uit van de gemiddelde kweekcyclus van 10 weken. In de kwekerij zijn op het moment van binnentreden groeiende hennepplanten aangetroffen. Het onderzoek vermeld echter niet hoeveel weken oud deze planten op dat moment waren. Op grond van de
verklaring van medeveroordeelde [medeverdachte 1] dat hij eenmaal geoogst heeft bij deze kwekerij en het
aantreffen van hennepresten in de kwekerij, acht de rechtbank bewezen dat er tenminste sprake is geweest van één eerdere oogst. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanwijzingen om uit te gaan van meerdere oogsten.
Opbrengst
In de loods werden twee kweekruimtes aangetroffen. In kweekruimte 1 stonden 335 hennepplanten. In kweekruimte 2 stonden 363 hennepplanten.
In het BOOM-rapport is een tabel opgenomen met daarin de opbrengst per hennepplant.
Gelet op het aantal vierkante meter van de ruimte en het aantal aangetroffen planten kan er worden vastgesteld dat er in beide kweekruimtes per vierkante meter 15 hennepplanten stonden. Uit de tabel volgt dat per plant de opbrengst 28,2 gram betreft.
De totale opbrengst per oogst bedraagt (698 hennepplanten x 28,2 gram) 19,68 kilogram.
De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon op grond van het dossier niet worden vastgesteld. Volgens het BOOM-rapport 2016 bedraagt dit minimaal € 4.070,00 per kilogram.
De totale opbrengst per oogst bedraagt (19,68 kilogram x € 4.070,00 ) € 80.097,60.
De totale opbrengst van de hennepkwekerij in de loods bedraagt = € 80,097,60.
Kosten
Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient de rechtbank, indien mogelijk, uit te gaan van de tijdens het onderzoek bekend geworden werkelijke gegevens. Bij het ontbreken van deze gegevens, gaat de rechtbank bij de vaststelling van de kosten uit gegaan van de genoemde normen uit het BOOM-rapport 2016.
De in mindering te brengen kosten per oogst betreffen:
Afschrijvingskosten : € 500,00 (698 planten)
Hennepstekken : € 2.659,38 (EUR 3,81 per stek/plant x 698 planten)
Variabele kosten : € 2.708,24 (EUR 3,88 per stek/plant x 698 planten)
Elektriciteitskosten : € 4.268,73
Huisvesting : € 1.210,00 (per oogst/ruimte)
-----------------------------------------
Totaal aan kosten per oogst :€ 11.346,35
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Opbrengst € 80,097,60
Kosten € 11.346,35-/-
---------------------------------
Totaal € 68.751,25
Tussenconclusie
De rechtbank stelt het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepkwekerij in de loods aan de[adres 2] vast op € 68.751,25.’
Aandeel betrokkene in wederrechtelijk verkregen voordeel
Anders dan door de raadsvrouw ter zitting in hoger beroep is betoogd, vindt het hof
welaannemelijk dat betrokkene heeft meegedeeld in de opbrengst van één hennepoogst aan de [adres 2] . Het hof ziet in het dossier steun voor een toenemende rol van betrokkene bij de verschillende kwekerijen na verloop van tijd. Waar zijn betrokkenheid bij de kwekerij in [plaats 2] bij de opbouw in het voorjaar van 2015 bestond uit gedragingen die zich strafrechtelijk laten kwalificeren als ‘medeplichtig’, heeft betrokkene zelf verklaard in de loop van 2016 veelvuldig bij de kwekerij in [plaats 1] aanwezig te zijn geweest, daar ook te hebben geoogst en bovendien een sleutel van de loods te hebben gehad. In dat licht bezien heeft de rechtbank (bevestigd door het hof) hem ook veroordeeld voor het ‘medeplegen’ van - kort gezegd - hennepteelt en vindt het hof het aannemelijk dat hij ten aanzien van deze kwekerij meer financieel voordeel heeft genoten dan de door hem naar voren gebrachte algemene maandelijkse vergoeding.
Verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft in haar beslissing hierover het volgende overwogen:
‘Verdeling
Pondspondsgewijze verdeling
Debetrokkene
heeft samen met anderen van de strafbare feiten geprofiteerd. Aan het dossier en het onderzoek op de terechtzitting valt echter geen indicatie te ontlenen voor de verdeling van de opbrengst. Debetrokkene
heeft geen inzicht gegeven in de (onderlinge) verdeling van het behaalde voordeel en er zijn geen concrete aanknopingspunten voorhanden voor een afwijkende verdeelsleutel tussen debetrokkene
en zijn mededader(s) dan op basis van gelijke verdeling. Dit zou slechts anders zijn indien aannemelijk zou zijn geworden dat feitelijk van een andere verdeling moet worden uitgegaan. Debetrokkene
en de mededaders hebben daartoe in elk geval geen aanknopingspunten gegeven, en ook anderszins bevat het dossier geen bewijsmiddelen die tot een dergelijk oordeel aanleiding zouden moeten geven.
De rechtbank is van oordeel dat de verdediging onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er, behalve medeveroordeelden [verdachte] en [medeverdachte 2] , meer deelgerechtigden zijn. Gelet op de vrijspraak van medeverdachte [medeverdachte 2] voor het feit aangaande de hennepkwekerij aan de [straat] dient het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van deze kwekerij in gelijke delen te worden verdeeld onder de tweebetrokkenen
.’
Dat betekent dat het hof komt tot de volgende berekening: € 68.751,25 / 2 = € 34.375,62.
Het hof stelt, met de rechtbank, het wederrechtelijk verkregen voordeel uit deze hennepkwekerij voor betrokkene daarmee vast op een bedrag van
€ 34.375,62.

Het totale bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel

De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is dan als volgt:
wederrechtelijk verkregen voordeel [adres 3] € 1.500,00
wederrechtelijk verkregen voordeel [adres 2] € 34.375,62
--------------Totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel
€ 35.875,62
Op grond van wettige bewijsmiddelen schat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van in totaal:
€ 35.875,62.

De verplichting tot betaling aan de Staat

De redelijke termijn
Het hof stelt vast dat de behandeling en afdoening van deze zaak in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen de daarvoor gestelde termijn. Gelet daarop is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
Het hof heeft hierbij de uitgangspunten van de Hoge Raad voor matiging van een ontnemingsbedrag in aanmerking genomen en gebruikt deze als richtsnoer. Daaruit volgt dat bij een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan twaalf maanden – waarvan in dit geval sprake is - in ontnemingszaken kan worden gehandeld naar bevind van zaken. Het uitgangspunt is daarbij ook dat in beginsel niet meer dan € 5.000,00 in mindering wordt gebracht.
Het hof vindt het passend om in deze zaak het vast te stellen bedrag voor verplichting tot betaling aan de Staat te matigen met een bedrag van € 5.000,00. Daarbij is van belang dat de termijn is aangevangen op 1 februari 2018. Op die datum is de vordering tot ontneming aangekondigd. De beslissing van de rechtbank is vervolgens van 20 september 2024. Gelet op het tijdsverloop daartussen van ruim zes jaren is in eerste aanleg sprake geweest van een aanzienlijke overschrijding van vier jaren. Van een overschrijding in de fase van hoger beroep is geen sprake, nu in de ontnemingszaak binnen de termijn van twee jaren een beslissing volgt.
Het hof stelt verder vast dat in het arrest van 3 maart 2023 van dit hof in de hoofdzaak ook een strafkorting is toegepast vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof heeft daarvoor in totaal twee maanden van de op te leggen gevangenisstraf in mindering gebracht. Gelet daarop is het hof van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in de ontnemingszaak tot 3 maart 2023 hiermee al voldoende is verdisconteerd. Dat leidt ertoe dat het hof, anders dan de rechtbank, voor het resterende deel van de overschrijding van de redelijke termijn tot 20 september 2024 volstaat met het in mindering brengen van een bedrag van € 5.000,00.
Draagkracht
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om de aan betrokkene op te leggen betalingsverplichting op nihil te stellen dan wel in verregaande mate te matigen, gelet op de draagkracht van betrokkene. Daartoe heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat op dit moment duidelijk is dat betrokkene nu en in de toekomst naar redelijke verwachting geen enkele draagkracht heeft of zal hebben. Betrokkene leeft van een bijstandsuitkering en heeft grote schulden. Daarnaast is betrokkene door zijn fysieke en mentale gezondheid niet in staat om weer te gaan werken, althans niet in zoverre dat hij naast zijn huidige betalingsverplichtingen dan nog een substantieel ontnemingsbedrag kan betalen.
Het hof stelt vast dat niet is gebleken dat betrokkene op dit moment of in de toekomst geen enkele draagkracht heeft of zal hebben. Daarnaast staat ook niet vast dat betrokkene in de toekomst niet (meer) in staat is om te werken. Het hof ziet in de draagkracht van betrokkene dan ook geen aanleiding om de betalingsverplichting op nihil te stellen of te matigen.
Vaststelling van de betalingsverplichting
Op basis van het voorgaande, zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat voor betrokkene - na matiging wegens een overschrijding van de redelijke termijn - op een lager bedrag stellen dan het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof stelt de verplichting tot betaling aan de Staat vast op een bedrag van in totaal: € 35.875,62 - € 5.000,00 =
€ 30.875,62.

Gijzeling

Het hof bepaalt bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat de duur van de gijzeling overeenkomstig de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS). Daarbij wordt voor elke € 100,00 van het totale bedrag één dag gijzeling gerekend. Het hof bepaalt op basis daarvan de duur van de gijzeling op ten hoogste 308 dagen.

Wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
35.875,62 (vijfendertigduizend achthonderdvijfenzeventig euro en tweeënzestig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 30.875,62 (dertigduizend achthonderdvijfenzeventig euro en tweeënzestig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 308 dagen.
Deze beslissing is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. R. Godthelp en mr. G. Souer, in aanwezigheid van de griffier mr. M.F. Bijlsma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 25 juni 2026.