Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:4207

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
21-001141-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging poging doodslag op partner met mes in hoger beroep

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, waarin verdachte werd veroordeeld voor poging tot doodslag op haar echtgenoot door hem meerdere keren met een mes te steken.

De verdediging voerde in hoger beroep aan dat er alternatieve scenario’s zijn die onvoldoende onderzocht zijn en dat het DNA-materiaal verklaard kan worden door het samenwonen. Het hof heeft deze scenario’s, waaronder dat het slachtoffer zichzelf zou hebben gestoken of dat de stiefdochter het letsel zou hebben toegebracht, uitvoerig onderzocht en verworpen wegens gebrek aan aannemelijkheid en steun in het dossier.

Het hof onderschrijft de kwalificatie van de rechtbank dat de gedragingen van verdachte gericht waren op de dood van het slachtoffer, waarbij sprake was van meerdere gerichte steekbewegingen met aanzienlijke kracht. Het hof bevestigt het vonnis van 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en aftrek van voorarrest.

De uitspraak werd gedaan op 25 juni 2026 door mr. E.W. van Weringh, mr. R. Godthelp en mr. G. Souer. Het hof voegt aanvullingen toe aan de bewijsoverwegingen, maar wijzigt de straf niet.

Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling van verdachte tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, wegens poging tot doodslag op haar partner.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001141-25
Uitspraakdatum: 25 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 11 maart 2025 met parketnummer 18-283051-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft tegen voornoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsman, mr. W.G. ten Have naar voren hebben gebracht, en hetgeen door het slachtoffer [slachtoffer] naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

In het vonnis is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag door haar echtgenoot meerdere keren met een mes te steken. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van het voorarrest.
Het hof verenigt zich met de gronden en beslissingen in het vonnis, met dien verstande dat het, in verband met de door de verdediging in hoger beroep gevoerde bewijsverweren, daar hierna aanvullingen op aanbrengt. Het vonnis waarvan beroep wordt dan ook bevestigd met aanvulling van gronden.

Aanvulling van de bewijsoverwegingen

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ook in hoger beroep bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit omdat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er alternatieve scenario’s bestaan die onvoldoende zijn onderzocht maar die wel zeer aannemelijk zijn en maken dat niet vaststaat dat verdachte degene is geweest die aangever heeft gestoken. Daarnaast voert de verdediging aan dat de verklaring voor het aangetroffen DNA-materiaal van verdachte op het mes gelegen is in het feit dat zij in de woning woonde en dat zij geen motief had om haar man die nacht te verwonden.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal vindt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Het vonnis van de rechtbank dient te worden bevestigd.
Oordeel van het hof
De verdachte ontkent ook in hoger beroep dat zij degene is geweest die aangever die nacht in hun woning heeft gestoken met een mes. De verdediging heeft de vier alternatieve scenario’s ten aanzien van het daderschap - zoals ook aangevoerd bij de rechtbank – in hoger beroep herhaald. Het hof sluit zich aan bij de door de rechtbank gegeven motivering voor verwerping van deze scenario’s en voegt daar in verband met de scenario’s dat aangever het letsel zichzelf heeft toegebracht (I) en het scenario dat stiefdochter [naam 1] het letsel heeft toegebracht (II) nog het volgende aan toe.
Daderschap
Scenario I: aangever bracht zelf het letsel toe
Ten aanzien van het eerste scenario geldt dat, als het hof aanneemt dat het anatomisch mogelijk zou zijn geweest voor aangever om zichzelf het letsel op de buik en rug toe te brengen, het hof op basis van de inhoud van het gehele dossier de waarschijnlijkheid van dat scenario moet beoordelen. In dat kader komt het hof tot het oordeel dat het door de verdediging geschetste scenario op geen enkele manier steun vindt in de feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het dossier. Om te beginnen heeft aangever ontkend het letsel zelf toe te hebben gebracht. [1] Verder zou dit scenario inhouden dat, zoals ook door de rechtbank vastgesteld, aangever dan, na zichzelf driemaal op verschillende plekken in zijn bovenlijf te hebben gestoken, het vleesmes in de afwasmachine zou hebben neergelegd om vervolgens naar boven te gaan, zonder op de benedenverdieping, enig bloedspoor te hebben achtergelaten. En als aangever het mes niet zelf in de vaatwasser zou hebben gelegd, zou een onbekende derde dit dan hebben moeten doen. Het geschetste scenario is onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het hof volstrekt onaannemelijk zodat het hof daaraan voorbijgaat.
Scenario II: [naam 1] veroorzaakte het letsel
[naam 1] heeft over de bewuste avond en nacht verklaard dat ze de hele avond wakker was. Zij was in haar kamer – met oordopjes in – muziek aan het luisteren en op haar telefoon bezig. [2] Zij is op enig moment naar beneden gegaan toen haar moeder haar een bericht had gestuurd en heeft vervolgens de deur voor haar geopend. Nadat zij haar moeder had binnengelaten is zij weer naar haar kamer gegaan en heeft zij geprobeerd om in slaap te komen. Zij had toen ook haar oordopjes in met muziek op. [naam 1] heeft verder verklaard dat ze ongeveer een half uur na het binnenlaten van haar moeder naar de WC is gegaan en dat zij toen door haar stiefvader (het hof begrijpt: aangever) werd geroepen. In de slaapkamer van haar stiefvader en moeder zag ze vervolgens dat hij onder het bloed zat. [naam 1] verklaart dat ze daar erg van schrok. Aangever heeft op dat moment niet tegen haar gezegd wat er was gebeurd en [naam 1] herinnert zich dat haar moeder in de war was. Verder herinnert [naam 1] zich niet veel omdat ze naar eigen zeggen
in shockwas. [naam 1] heeft daarna geprobeerd om het noodnummer te bellen, maar toen dat niet lukte heeft zij haar stiefzus [naam 2] gebeld. [naam 2] verklaart dat zij haar stiefzusje in paniek aan de telefoon had en dat zij vertelde dat hun vader helemaal onder het bloed zat. [naam 2] is toen naar de woning van aangever en verdachte gegaan. Bij het huis aangekomen heeft zij eerst [naam 1] getroost omdat zij hevig aan het huilen was. [naam 1] is daarna niet meer naar de slaapkamer van haar ouders geweest omdat zij te bang was en niet meer de slaapkamer in durfde te kijken vanwege het bloed, zo verklaarde ze. [naam 1] heeft uiteindelijk verklaard dat het voor haar niet duidelijk is geworden hoe haar stiefvader aan dat bloed kwam. Het hof constateert dat de verdediging, die bij het verhoor van [naam 1] aanwezig was, het vervolgens kennelijk niet nodig vond om [naam 1] te bevragen op haar eventuele eigen betrokkenheid bij het steken.
Naar het oordeel van het hof is in de hiervoor geschetste gang van zaken en het overige dossier geen begin van aannemelijkheid of enige vorm van steun te vinden voor het scenario dat de 13-jarige stiefdochter van aangever het steekletsels heeft toegebracht. Daarbij is van belang dat [naam 1] hevig aan het huilen was en erg geschrokken was van de situatie. Deze reactie past beter bij een 13-jarige die wordt overvallen door het zien van een hevig bloedende ouder dan bij een dader die het letsel kort daarvoor zelf heeft toegebracht. Daarnaast volgt uit het dossier dat [naam 1] als eerste heeft geprobeerd om het noodnummer te bellen terwijl verdachte zelf heeft nagelaten dat te doen. Verder is de in de zoekgeschiedenis van een Macbook – die gebruikt werd door [naam 1] - aangetroffen vraag “what is first degree murders mean” niet redengevend om aan de onschuld van [naam 1] te twijfelen. Een dergelijke zoekopdracht kan verschillende verklaringen hebben. Aangezien samenhang met overige feiten en omstandigheden ontbreekt, komt de betreffende zoekopdracht geen doorslaggevende betekenis toe. Het hof acht – met overigens de verdachte (haar moeder) zelf - heel wel mogelijk dat, als hier al door [naam 1] op de Macbook naar is gezocht, dit een vraag uit algemene nieuwsgierigheid van een jong pubermeisje is geweest. Tot slot vindt het hof bij het terzijde schuiven van dit scenario van belang dat op het mes waarmee is gestoken wel DNA-sporen zijn aangetroffen van aangever en verdachte, maar niet van [naam 1] .
Voorwaardelijk opzet
Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het bewezenverklaarde voorwaardelijke opzet over en maakt die tot de zijne:
Kwalificatie van de gedragingen
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte, te weten het meermalen insteken met een vleesmes op het slachtoffer waarbij het slachtoffer is geraakt in het bovenlichaam, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam diverse vitale organen bevinden. Door aldus te handelen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer door haar handelen gedood zou worden, bewust aanvaard.’
In aanvulling op het oordeel dat sprake is geweest van gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood overweegt het hof nog het volgende.
Zoals door de rechtbank is vastgesteld blijkt uit het letselrapport dat aangever driemaal is gestoken, een snijverwonding, krasletsels, een ribfractuur en een onderhuidse bloeduitstorting heeft overgehouden aan het steekincident. Daarnaast is er bloed in de borstholte gekomen en een klaplong ontstaan. De drie steekletsels bevinden zich aan de linkerzijde van de borst (ca. 1,5 cm), aan de linkerzijde van de rug op ongeveer de helft van de borstkast (ca. 2,2 cm) en aan de linkerzijde van de buik (ca. 1,5 cm). In de letselrapportage staat beschreven dat de diepte van de letsels van buitenaf niet exact te bepalen zijn, maar dat de diepte van de letsels in ieder geval groter is dan de lengte. Daarnaast blijkt uit het onderzoek naar de beschadigingen in het dekbed dat door beide lagen van het dekbedovertrek is gestoken voordat het mes de huid raakte. Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat sprake is geweest van meerdere gerichte steekbewegingen richting aangever die bovendien met een behoorlijke kracht gepaard zijn gegaan.

BESLISSING

Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
[Dit arrest/Deze beslissing] is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. R. Godthelp en mr. G. Souer, in aanwezigheid van de griffier mr. E.M.M. Hendriks Vettehen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 25 juni 2026.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] d.d. 1 november 2023, opgenomen op pagina 44 e.v.
2.Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] door de rechter-commissaris d.d. 10 april 2024.