ECLI:NL:GHARL:2026:4221

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
200.351.323 en 200.354.635
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:178 lid 3 BWArt. 3:300 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling nalatenschap en woning tussen broer en zussen met legitieme aanspraken

In deze civiele zaak staat de verdeling van de nalatenschap van de vader en de vaststelling van de legitieme aanspraken van de zussen in de nalatenschap van hun moeder centraal. De broer, tevens executeur, woont in de voormalige ouderlijke woning en wil deze behouden, terwijl de zussen verkoop aan een derde wensen. De rechtbank had de verdeling van de nalatenschap van vader tot 1 maart 2025 uitgesloten en de legitieme aanspraken vastgesteld, maar het hof vernietigt dit vonnis.

Het hof stelt vast dat de berekening van de legitieme aanspraken door de notaris correct is en wijst de berekening van de broer af. De broer wordt veroordeeld tot betaling van de legitieme porties aan de zussen, met wettelijke rente vanaf 22 januari 2025. De woning wordt onder ontbindende voorwaarden aan de broer toegewezen, waarbij hij binnen vier maanden de financiering rond moet krijgen en de zussen worden ontslagen uit hun hoofdelijke aansprakelijkheid. Indien dit niet lukt, moet de woning worden verkocht aan een derde volgens een vastgesteld 'spoorboekje'.

De kosten van taxatie en overdracht worden naar rato van de erfdelen verdeeld. De vordering van de zussen tot gebruiksvergoeding wordt afgewezen. In het kort geding vernietigt het hof het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst alle vorderingen af. Elke partij draagt zijn eigen kosten vanwege de familierelaties. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof bepaalt de legitieme aanspraken van de zussen, wijst de woning onder voorwaarden toe aan de broer en regelt verkoop bij niet-nakoming.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.351.323 en 200.354.635
zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 232350 en 242529
arrest van 23 juni 2026
in de zaak met nummer 200.351.323 (bodemzaak) van
[appellant] ( [appellant] )als privé persoon en in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [naam1] (moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. F.P. van Dalen
en

1.[geïntimeerde1] ( [geïntimeerde1] )

die woont in [woonplaats2]
2. Gemeente Groningen, h.o.d.n. Groningse Krediet Bank (GKB)gevestigd in Groningen
in de hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van
[geïntimeerde2] ( [geïntimeerde2] ), wonende te [woonplaats1]
gezamenlijk te noemen:
[geïntimeerden] c.s.
advocaat: mr. D. van de Lockant-Geschiere
en in de zaak met nummer 200.354.623 (kort geding) van
[appellant] ( [appellant] )als privé persoon en in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [naam1] (moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. F.P. van Dalen
en

1.[geïntimeerde1] ( [geïntimeerde1] )

die woont in [woonplaats2]
2. Gemeente Groningen, h.o.d.n. Groningse Krediet Bank (GKB)gevestigd in Groningen
in de hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van
[geïntimeerde2] ( [geïntimeerde2] ), wonende te [woonplaats1]
gezamenlijk te noemen:
[geïntimeerden] c.s.
advocaat: mr. D. van de Lockant-Geschiere
In de zaak met nummer 200.351.323 (bodemzaak)

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, (hierna: de rechtbank) op
8 januari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
  • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
  • een akte van [geïntimeerden] c.s. met producties
  • een akte van [appellant] met producties
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 9 april 2026 is gehouden
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

2.1
Het gaat in deze procedure om de verdeling van de nalatenschap van de vader van partijen en om het vaststellen van de legitimaire aanspraken van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in de nalatenschap van hun moeder, waarin zij onterfd zijn.
2.2
[geïntimeerden] c.s. hebben, samengevat, bij de rechtbank gevorderd vast te stellen:
a) dat de vordering in de nalatenschap van hun vader voor ieder van hen € 663,88 bedraagt, vermeerderd met 1/8e deel van de waarde van de voormalige ouderlijke woning;
b) dat de legitieme aanspraak in de nalatenschap van hun moeder voor ieder van hen € 29.108,59 bedraagt;
met veroordeling van [appellant] tot betaling van de bedragen van € 663,88 en € 29.108,59, te vermeerderen met wettelijke rente.
Daarnaast hebben zij gevorderd dat de voormalige ouderlijke woning wordt verkocht aan een derde en dat [appellant] uit de netto opbrengst van de woning aan ieder van hen het 1/8e deel zal uitbetalen.
2.3
[appellant] heeft tot afwijzing van die vorderingen geconcludeerd, althans gevorderd te bepalen dat de verdeling op grond van artikel 3:178 lid 3 BW Pro wordt uitgesloten voor een periode van drie jaar. Voor het geval toch verdeeld mocht worden, heeft hij gevorderd dat de voormalige ouderlijke woning aan hem wordt toebedeeld, onder de voorwaarde dat hij aan [geïntimeerden] c.s. hun erfdelen in de nalatenschap van vader zal uitbetalen en hun legitieme porties in de nalatenschap van moeder.
2.4
De rechtbank heeft de vordering tot verdeling van de nalatenschap van vader uitgesloten tot 1 maart 2025. Verder is bepaald dat de vordering van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in de nalatenschap van vader voor ieder van hen € 663,88 bedraagt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2020, en 1/8e onverdeeld aandeel in de voormalige ouderlijke woning. Verder is bepaald dat de legitieme aanspraak van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] voor ieder € 29.108,59 bedraagt. [appellant] is veroordeeld tot betaling van € 29.108,59 aan ieder van de zussen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 663,58 vanaf 6 mei 2020.
2.5
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld. Hij vordert in hoger beroep, samengevat, dat de voormalige ouderlijke woning aan hem wordt toebedeeld en dat de legitieme aanspraken op een bedrag van € 24.215,04 elk worden vastgesteld. En dat wordt bepaald dat geen wettelijke rente verschuldigd is over de bedragen van € 663,88.
[geïntimeerden] c.s. hebben ook (incidenteel) hoger beroep ingesteld. Zij vorderen, samengevat. Dat de woning wordt verkocht aan een derde, met bepaling dat als [appellant] daaraan niet meewerkt het arrest in de plaats zal treden dan wel subsidiair [appellant] een dwangsom verbeurt. Ook maken zij aanspraak op een gebruiksvergoeding.
2.6
Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen en inhoudelijk deels anders beslissen, waarbij een beslissing zal worden genomen over de verdeling van de voormalige ouderlijke woning.

3.De feiten

3.1
[appellant] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn broer en zussen van elkaar.
[geïntimeerde2] heeft een verstandelijke beperking en is woonachtig in een woonlocatie
voor volwassenen in [woonplaats1] .
3.2
Hun ouders waren de heer [naam2] (vader) en [naam1] (moeder). Zij waren in gemeenschap van goederen gehuwd en woonden aan de [adres1] in [woonplaats1] (de voormalige ouderlijke woning, hierna verder te noemen de woning). Die woning is gelegen nabij de locatie waar [geïntimeerde2] woont.
3.3
Op 10 juni 2003 is vader overleden. Hij had in zijn testament van 13 juli 1973 over zijn nalatenschap beschikt. Moeder, [appellant] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn allen erfgenaam in de nalatenschap van vader, ieder voor 1/4e deel. Aan moeder was een keuzelegaat tegen inbreng en vruchtgebruik over de hele nalatenschap toegekend.
3.4
Uit de aangifte erfbelasting in de nalatenschap van vader d.d. 5 maart 2004 blijkt dat het erfdeel van ieder van de kinderen in de nalatenschap van vader € 663,88 bedraagt, zoals tussen partijen ook niet in geschil is.
3.5
[appellant] en zijn vrouw ( [naam3] ) hebben jarenlang in het buitenland gewoond. Zij zijn na hun terugkeer in 2012 bij moeder in de woning gaan wonen. Zij wonen nog steeds in die woning en willen daar ook blijven wonen.
3.6
Op 6 mei 2020 is moeder overleden. Zij heeft bij testament van
24 oktober 2017 over haar nalatenschap beschikt. In haar testament is alleen [appellant] tot haar erfgenaam benoemd. Ook is hij benoemd tot executeur, welke benoeming hij heeft aanvaard.
Als reden voor de benoeming van alleen [appellant] tot erfgenaam is in het testament vermeld dat hij en [naam3] jarenlang mantelzorg aan moeder hebben verleend.
3.7
[geïntimeerde1] heeft bij brief van 4 september 2020 aan de betrokken notaris
haar erfdeel in de nalatenschap van vader opgeëist en een beroep gedaan op haar
legitieme portie in de nalatenschap van moeder. De notaris heeft op 22 september 2022 een voorlopige boedelbeschrijving van de nalatenschap van moeder opgesteld en daarin de legitieme aanspraak berekend op € 29.108,59.
3.8
Bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, d.d. 24 juni 2021 is GKB tot bewindvoerder benoemd over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan [geïntimeerde2] .
Bij beschikking van 23 augustus 2023 heeft de kantonrechter van die rechtbank GKB een machtiging verleend voor het voeren van deze procedure.
3.9
Bij afzonderlijke beschikking van 24 juni 2021 is [naam3] benoemd tot mentor van [geïntimeerde2] .
3.1
De woning is nu voor 6/8e deel eigendom van [appellant] en voor 1/8e deel van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ieder.
3.11
Op de woning rust een (aflossingsvrije) hypothecaire lening, die is afgesloten bij [bank1] . Die hypotheek is na het overlijden van vader verhoogd met € 20.000,00 en bedraagt momenteel € 48.134,37. Een deel van de lening liep op 1 maart 2024 af, maar de bank heeft die termijn eerst verlengd tot 1 maart 2025 en daarna opnieuw tot 1 oktober 2026.
3.12
Op 31 maart 2022 is de woning in opdracht van [appellant] door [naam4]
getaxeerd op een bedrag van € 475.000,00.
3.13
[geïntimeerden] c.s. hebben [appellant] tijd gegeven om de woning over te nemen. [appellant] en [naam3] zijn naar zeggen van [appellant] namelijk al langere tijd in gesprek met het Ministerie van Financiën over een schadevergoeding. Zij verwachten dat die schadevergoeding binnenkort tot uitkering komt en zullen dan in staat zijn om de woning over te nemen.
3.14
In een brief van 7 april 2023, gericht aan de advocaat van [appellant] , hebben [geïntimeerden] c.s. (nogmaals) aanspraak gemaakt op hun legitieme aanspraak in de nalatenschap van
moeder. [appellant] heeft de legitieme aanspraak tot op heden nog niet aan de zussen betaald.
Ook de nalatenschap van vader is nog niet afgewikkeld.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

eisvermeerdering
4.1
[geïntimeerden] c.s. hebben in hun memorie van antwoord tevens incidenteel appel onvoorwaardelijk aanspraak gemaakt op een gebruiksvergoeding. Bij de rechtbank hadden zij daar alleen nog voorwaardelijk aanspraak op gemaakt, in het geval de rechtbank zou beslissen dat de nalatenschap nog drie jaar onverdeeld zou blijven. Tegen die vermeerdering heeft [appellant] op zichzelf geen bezwaar gemaakt. De vermeerdering is tijdig gedaan en ook het hof heeft daartegen geen bezwaar, zodat de vraag of [geïntimeerden] c.s. aanspraak hebben op een gebruiksvergoeding zal worden betrokken in de beoordeling.
algemeen
4.2
[appellant] heeft vier grieven (bezwaren) naar voren gebracht tegen het vonnis en [geïntimeerden] c.s. drie. In die grieven worden de volgende aspecten aan de orde gesteld:
a. a) op welk bedrag de legitieme aanspraken van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] dienen te worden vastgesteld
b) of rente verschuldigd is over de legitieme aanspraken
c) hoe de ouderlijke woning moet worden verdeeld
d) of rente is verschuldigd over de erfdelen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in de nalatenschap van vader (de bedragen van € 663,88).
Hierna zal het hof op die verschillende aspecten ingaan.
de omvang van de legitieme aanspraken en de wettelijke rente daarover
4.3
De rechtbank heeft de legitieme aanspraken van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] vastgesteld op het door de notaris berekende bedrag van € 29.108,59.
[appellant] heeft die berekening betwist en een eigen berekening gemaakt van de legitieme aanspraken, die uitkomt op een bedrag van € 24.515,04 ieder. Volgens [geïntimeerden] c.s. heeft de notaris de legitieme aanspraken echter juist berekend.
4.4
Het hof stelt vast dat de berekening van [appellant] is gebaseerd op dezelfde uitgangspunten als de berekening van de notaris: dezelfde boedelbestanddelen worden in aanmerking genomen tegen dezelfde waarden. Alleen komt bij [appellant] de omvang van de nalatenschap van moeder uit op een ander bedrag, omdat hij aan die nalatenschap andere aandelen toekent in (de waarde van) enkele van die boedelbestanddelen. Bijvoorbeeld kent [appellant] aan de nalatenschap van moeder de helft toe van de waarde van de woning, terwijl de notaris aan die nalatenschap 5/8e deel van de waarde toekent. Daarnaast kent [appellant] aan de nalatenschap van moeder als schuld alleen de helft toe van het volledige hypotheekbedrag dat op de woning rust, terwijl de notaris daaraan het volledige hypotheek bedrag toekent minus het aandeel van de kinderen daarin. De berekening van [appellant] is op deze punten onjuist en de berekening van de notaris is juist. [appellant] houdt er in zijn berekening (kennelijk) geen rekening mee dat tot de nalatenschap van moeder niet alleen haar aandeel in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoort (de helft), maar dat daar ook een vierde aandeel in de nalatenschap van vader toe behoort. Dat betekent dat het hof de berekening door [appellant] van de legitieme porties verwerpt en die van notaris zal overnemen. De legitieme aanspraken van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in de nalatenschap van moeder zullen derhalve worden vastgesteld op € 29.108,59 ieder.
4.5
[appellant] zal als executeur in de nalatenschap van moeder worden veroordeeld tot betaling van die aanspraken aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . [geïntimeerden] c.s. hebben gevorderd dat [appellant] daarover wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf 6 november 2020, dit is zes maanden na het overlijden van moeder en daarmee het tijdstip waarop legitieme aanspraken wettelijk opeisbaar worden. [appellant] heeft de verschuldigdheid van wettelijke rente betwist.
4.6
Uit het opeisbaar zijn van de legitieme aanspraken vloeit nog niet voort dat daarover ook wettelijke rente is verschuldigd. Dat is pas het geval als de executeur in verzuim is komen te verkeren met de uitbetaling. Dat verzuim is ingetreden heeft [appellant] betwist en is door [geïntimeerden] c.s. niet gemotiveerd gesteld. De wettelijke rente over de legitieme porties is daardoor pas verschuldigd vanaf 22 januari 2025. Dat is de datum waarvoor [appellant] op grond van het vonnis van de rechtbank de legitieme aanspraken had moeten betalen.
de verdeling van de woning
4.7
Uit de stellingen van partijen leidt het hof af dat zij het er inmiddels over eens zijn dat de woning verdeeld dient te worden, maar dat zij van mening verschillen over hoe die verdeling dient plaats te vinden. [appellant] wil dat de woning aan hem wordt toebedeeld en [geïntimeerden] c.s. willen verkoop aan een derde.
4.8
Het hof is van oordeel dat [appellant] nog een kans dient te krijgen om die woning over te nemen, onder een aantal ontbindende voorwaarden zoals hierna in het dictum opgenomen.
Als [appellant] (een van) die voorwaarden niet nakomt, dan komt de toedeling van de woning aan hem te vervallen en dient de woning te worden verkocht aan een derde. Om ervoor te zorgen dat die verkoop dan ook daadwerkelijk zal plaatsvinden, wordt ook daaraan een aantal voorwaarden verbonden, die hierna in het dictum zijn opgenomen. Aan de nakoming van die voorwaarden zal het hof een dwangsom verbinden als in het dictum bepaald.
4.9
Die wijze van verdeling berust op een belangenafweging, waarbij alle feiten en omstandigheden van deze zaak in aanmerking zijn genomen. Daarbij is in het bijzonder gelet op de volgende aspecten:
a) het is voldoende aannemelijk geworden dat [appellant] belang heeft bij toedeling van de woning aan hem. De woning is zijn onderkomen en het zal in de huidige woningmarkt niet eenvoudig zijn om andere woonruimte te vinden. Bovendien bevindt die zich ook in de nabijheid van de locatie waar [geïntimeerde2] verblijft, waardoor het voor [naam3] eenvoudig(er) zal zijn om een goede invulling te geven aan haar rol als mentor;
b) [appellant] is op dit moment financieel niet in staat om de woning over te nemen, maar hij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij nog aanspraak heeft op een (forse) schadevergoeding van de Staat, dat die mogelijk op korte termijn tot uitkering komt en dat hij daarna wel in staat zal zijn de woning over te nemen. Weliswaar schermt [appellant] hier al langer mee en roept dit de vraag op of bij [appellant] geen sprake is van wensdenken, maar die twijfel is (nog) te licht en staat er nu niet aan in de weg om [appellant] nog eenmaal een kans te gunnen om de woning over te nemen. Daarbij zal de termijn die hem daarvoor gegund wordt wel beperkt worden, gelet op de lange periode die hij al gehad heeft en het belang van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] om uit de nalatenschappen te geraken;
c) [geïntimeerden] c.s. hebben er op zichzelf belang bij dat er een einde komt aan de onverdeeldheid van de nalatenschap van hun vader en op uitkering van de legitieme aanspraken aan hen, maar zij hebben niet gemotiveerd aangevoerd dat zij er op dit moment ook belang bij hebben dat dit onverwijld gebeurt. Daarbij hebben zij tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij [appellant] de woning op zichzelf niet misgunnen, maar dat zij vinden dat er nu eindelijk eens een keer duidelijkheid moet komen en een einde aan de afwikkeling van de nalatenschappen. Die duidelijkheid en zicht op afwikkeling denkt het hof aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] te geven met de beslissing hierna.
de hypotheek die op de woning rust
4.1
Bij (voorwaardelijke) toedeling aan [appellant] of bij de verkoop aan een derde geldt in beide gevallen dat de hypotheekverhoging (€ 20.000,00) die heeft plaatsgevonden na het overlijden van vader buiten beschouwing dient te worden gelaten bij de berekening van het bedrag waarop [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] aanspraak hebben bij de toedeling van de woning aan [appellant] of bij verkoop aan een derde. Die hypotheek vormt immers geen (gedeeltelijke) schuld van vader die rust op zijn nalatenschap.
de kosten bij toedeling aan [appellant] of bij verkoop aan een derde
4.11
Bij de (voorwaardelijke) toedeling van de woning aan [appellant] dient nog wel de waarde van de woning te worden getaxeerd, nu de eerdere taxatie te lang geleden is. De woning zal moeten worden getaxeerd naar de vrije verkoopwaarde in het economische verkeer in onbewoonde staat. Partijen dienen de kosten van die taxatie en van de overige kosten die verbonden zullen zijn aan de overdracht van de woning aan [appellant] te dragen in evenredigheid van hun erfdelen, dus voor 6/8e deel door [appellant] en door [geïntimeerde1] en GKB ( [geïntimeerde2] ) ieder voor 1/8e. [geïntimeerde1] en GKB ( [geïntimeerde2] ) hebben recht op uitbetaling aan ieder van hen van 1/8e van de opbrengst van de woning die daarna resteert.
4.12
Bij verkoop van de woning aan een derde geldt dat de kosten van een makelaar, van de notaris en van eventuele andere noodzakelijke uitgaven voor de verkoop en levering aan die derde, in mindering komen op de bruto opbrengst van de woning en dat [geïntimeerde1] en GKB ( [geïntimeerde2] ) aanspraak hebben op uitbetaling aan ieder van hen van 1/8e van de netto verkoopopbrengst van de woning.
de wettelijke rente over het erfdeel in geld van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in het de nalatenschap van hun vader4.13 Partijen zijn het erover eens dat dit erfdeel op € 663,88 kan worden gesteld. Zij zijn het er (stilzwijgend) ook over eens dat dit erfdeel door [appellant] uitbetaald dient te worden aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . De rechtbank heeft geen veroordeling uitgesproken tot betaling van het bedrag, maar heeft wel bepaald dat [appellant] over de erfdelen wettelijke rente is verschuldigd vanaf 6 mei 2020. Daartegen is door [geïntimeerden] c.s. niet (kenbaar) gegriefd. [appellant] heeft betwist dat hij wettelijke rente over het bedrag is verschuldigd omdat hij nimmer in gebreke is gesteld voor die betaling en dus ook niet in verzuim is komen te verkeren. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben niet gemotiveerd gesteld dat [appellant] wel op enig moment in verzuim is komen te verkeren. Het hof zal daarom bepalen dat wettelijke rente over het bedrag verschuldigd is vanaf de vijftiende dag na de dag van het vonnis.
de gebruiksvergoeding
4.14
[geïntimeerden] c.s. hebben een gebruiksvergoeding gevorderd vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg. [appellant] heeft betwist dat hij een gebruiksvergoeding verschuldigd is.
4.15
Die vordering hadden [geïntimeerden] c.s. bij de rechtbank alleen nog voorwaardelijk ingesteld. Hoewel de rechtbank niet met zoveel woorden heeft overwogen dat de voorwaarde waaronder die vordering was ingesteld is ingetreden, heeft de rechtbank die vordering inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat er geen aanleiding is om aan [geïntimeerden] c.s. een gebruiksvergoeding toe te kennen (rov. 4.14 tot en met 4.17). Kort gezegd omdat [appellant] alle kosten van die woning had gedragen, ook kosten die anders gedeeltelijk voor rekening van de deelgenoten gezamenlijk zouden zijn gekomen. In hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden gebleken die het hof aanleiding geven om over een gebruiksvergoeding anders te denken dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof neemt, na een eigen afweging, de redenering van de rechtbank over en wijst dus ook in hoger beroep de aanspraak af.
slotsom
4.16
De grieven van partijen slagen over en weer gedeeltelijk. Om redenen van overzichtelijkheid en proceseconomie zal het hof het vonnis echter geheel vernietigen. Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten), zowel van de procedure bij de rechtbank als van de procedure in hoger beroep, vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen).
4.17
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
In de zaak met nummer 200.354.653 (kort geding)

5.5. Het verloop van de procedure in hoger beroep

5.1
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het hof
tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, (hierna: de voorzieningenrechter) op 18 april 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep en vermeerdering van eis
  • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
  • een akte rectificatie van [appellant]
  • een akte van [geïntimeerden] c.s. met producties
  • een akte van [appellant] met producties
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 9 april 2026 is gehouden
5.2
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

6.De kern van de zaak

6.1
Voor de achtergrond van het geschil in deze zaak verwijst het hof naar de feiten die hiervoor zijn weergegeven in de bodemzaak.
6.2
Nadat de rechtbank in de bodemzaak zijn vonnis van 8 januari 2025 had gewezen, heeft [appellant] in kort geding een vordering ingesteld. Hoewel hij in de bodemzaak primair nog wilde dat de verdeling zou worden aangehouden en subsidiair vorderde dat de woning aan hem zou worden toebedeeld, vorderde hij in dit geding bij de voorzieningenrechter dat [geïntimeerden] c.s. zouden worden veroordeeld tot het verlenen van hun medewerking aan de verkoop van de woning. Ook vorderde hij dat [geïntimeerde1] de kosten verbonden aan het verkoop klaar maken van de woning zou voorschieten. Daarnaast verlangde hij schorsing van het vonnis van 8 januari 2025.
6.3
[geïntimeerden] c.s. vorderden op hun beurt dat [appellant] , samengevat, zou worden veroordeeld tot het verlenen van zijn medewerking aan de verkoop van de woning, met bepaling dat bij gebreke van die medewerking het vonnis in de plaats zal treden van de handtekening van [appellant] .
6.4
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. De vorderingen van [geïntimeerden] c.s. zijn deels toegewezen. De voorzieningenrechter heeft, kort gezegd, beslist dat [appellant] zijn medewerking moet verlenen aan de verkoop van de woning aan een derde. De voorzieningenrechter heeft daarbij een “spoorboekje” gegeven, waarin is vastgelegd aan welke handelingen [appellant] zijn medewerking dient te verlenen om tot verkoop van de woning te komen. Daarbij is bepaald dat als [appellant] daar niet aan voldoet, het vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke handeling van [appellant] in de zin van artikel 3:300 BW Pro. De proceskosten zijn zowel in conventie als in reconventie gecompenseerd.
6.5
Van dat vonnis is [appellant] in hoger beroep gekomen. In hoger beroep vordert [appellant] vernietiging van het vonnis en, met wijziging van eis, dat hij in de gelegenheid wordt gesteld om de woning over te nemen, waarbij de kosten verbonden aan die overname fifty-fifty verdeeld worden tussen hem en [geïntimeerden] c.s.
In incidenteel hoger beroep vorderen [geïntimeerden] c.s., na vermeerdering van eis, primair de ontruiming door [appellant] van de woning. Subsidiair vorderen zij de veroordeling van [appellant] om, samengevat, de aanwijzingen van de makelaar op te volgen op verbeurte van een dwangsom.

7.De feiten

7.1
Voor de feiten verwijst het hof naar de feiten zoals die hiervoor zijn weergegeven in de bodemprocedure, omdat de feiten dezelfde zijn.
7.2
In aanvulling daarop wordt nog als feit vermeld dat na het vonnis van de rechtbank van 8 januari 2025 [geïntimeerden] c.s. dat vonnis op 11 februari 2025 hebben laten betekenen aan [appellant] met bevel tot betaling binnen twee dagen.

8.De beoordeling

spoedeisend belang
8.1
In een kort geding moet het hof altijd beoordelen of de partij die de voorlopige voorziening vraagt nog een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorlopige voorziening. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van het hof.
8.2
[appellant] en [geïntimeerden] c.s. hebben in deze procedure vorderingen ingesteld waarover ook in de bodemprocedure gelijktijdig wordt beslist. Voor zover die vorderingen in de bodemprocedure worden toegewezen, hebben [appellant] en [geïntimeerden] c.s. daarbij dus geen spoedeisend belang (meer). Voor zover die vorderingen in de bodemprocedure worden afgewezen, geldt dat de rechter in kort geding zijn beslissing dient af te stemmen op de bodemrechter en dat die vorderingen dus ook in kort geding niet toewijsbaar zijn. [appellant] en [geïntimeerden] c.s. hebben dus ook in dat opzicht geen spoedeisend belang meer bij een beslissing op hun vorderingen. Die vorderingen moeten daarom worden afgewezen.
[appellant] heeft ook geen belang bij zijn vordering tot schorsing van het vonnis van 8 januari 2025, omdat gelijktijdig een beslissing zal worden gegeven in de bodemzaak.
inhoudelijke beoordeling
8.3
[geïntimeerden] c.s. hebben nog wel (spoedeisend) belang bij hun vordering tot ontruiming van de woning door [appellant] voor het geval in de bodemzaak mocht worden beslist dat [appellant] dient mee te werken aan verkoop van de woning. In de bodemzaak is een dergelijke vordering namelijk niet ingesteld. In de bodemzaak wordt echter beslist dat de woning voorwaardelijk aan [appellant] wordt toebedeeld en wordt een voorziening gegeven voor het geval de woning toch verkocht en geleverd dient te worden aan een derde. Daarmee is ook deze vordering dus niet toewijsbaar.
slotsom
8.4
De grieven slagen niet, de vorderingen in kort geding zijn geen van alle toewijsbaar en het vonnis van de rechtbank dient daarom te worden vernietigd voor zover in reconventie vorderingen van [geïntimeerden] c.s. zijn toegewezen. Elke partij moet zijn eigen kosten dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen).

9.De beslissing

Het hof:
in de zaak met nummer 200.351.323 (bodemzaak)
rechtdoende in principaal en incidenteel hoger beroep:
9.1
vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 8 januari 2025 en beslist als volgt:
9.2
bepaalt dat de geldelijke vorderingen van [geïntimeerden] c.s. in de nalatenschap van vader ieder € 663,88 bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 januari 2025 tot de dag van algehele betaling;
9.3
bepaalt de volgende wijze van verdeling van de woning die zich nog in de nalatenschap van vader bevindt:
9.3.1
partijen dienen binnen drie weken na de datum van dit arrest een taxateur te benoemen die de waarde van de woning in het economisch verkeer in onbewoonde staat bindend zal vaststellen per datum van dit arrest.
Partijen kunnen daartoe opdracht geven aan makelaar/taxateur [naam5] die verbonden is aan [naam6] makelaars te Groningen.
Deze taxateur heeft zich bereid verklaard een opdracht van partijen te zullen aanvaarden en binnen een termijn van vier weken uit te zullen voeren tegen een marktconforme prijs.
Partijen kunnen echter ook in onderling overleg een andere taxateur opdracht geven of kunnen besluiten in onderling overleg zelf de waarde van de woning vast te stellen. Partijen zullen de kosten van de taxatie voor hun rekening nemen naar rato van hun erfdelen, dus [appellant] voor zes achtste deel en [geïntimeerde1] en GKB ( [geïntimeerde2] ) ieder voor een achtste deel;
9.3.2
de woning wordt toebedeeld aan [appellant] onder de volgende (ontbindende) voorwaarden:
- [appellant] neemt de woning over voor de waarde die is bepaald op de wijze als hiervoor bedoeld onder 9.3.1 en neemt ook de bij de woning behorende hypotheek over;
- [appellant] draagt er zorg voor dat hij binnen vier maanden na heden de financiering van deze overname rond heeft en binnen diezelfde termijn een schriftelijke bevestiging heeft van de hypothecaire geldgever(s) dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] bij de notariële overdracht/levering zullen worden ontslagen uit hun hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de hypothecaire geldgever(s);
- [appellant] zal zes achtste deel van de kosten die verbonden zijn aan de overdracht van de woning aan hem voor zijn rekening nemen en [geïntimeerde1] en GKB ieder een achtste deel van die kosten. Daarnaast zal van de hypotheeklast die op woning rust bij de overname een bedrag van € 20.000,00 geheel voor rekening van [appellant] blijven, in die zin dat dit bedrag niet als schuld in mindering zal worden gebracht op de netto waarde van de woning bij de berekening van de aandelen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in die waarde;
- [appellant] draagt er zorg voor dat aan [geïntimeerde1] en GKB ieder een achtste deel van die netto waarde van de woning zal worden uitbetaald gelijktijdig met de notariële overdracht/levering van de woning aan hem;
- [appellant] draagt er zorg voor dat de notariële overdracht/levering kan plaatsvinden binnen een termijn van zes maanden na heden;
9.3.3
indien [appellant] niet in staat zal blijken om binnen vier maanden na heden de financiering van de overname van de woning rond te hebben en binnen diezelfde termijn bericht ontvangen te hebben van de hypotheekgever(s) dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] (GKB) bij de notariële overdracht/levering uit hun hoofdelijkheid zullen worden ontslagen, of er niet voor heeft zorggedragen dat binnen zes maanden na heden de notariële overdracht/levering van de woning aan hem kan plaatsvinden, zal de woning moeten worden verkocht aan een derde op de volgende wijze:
- partijen dienen binnen vier weken na het verstrijken van de termijn van vier maanden (als [appellant] de financiering en/of het ontslag uit de hoofdelijkheid van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] niet rond krijgt) of zes maanden (als de overdracht/levering niet tijdig kan plaatsvinden), aan de makelaar/taxateur die de woning getaxeerd heeft, de opdracht tot verkoop en bemiddeling bij het tot stand brengen van een koopovereenkomst te geven. In onderlinge overeenstemming kunnen partijen de opdracht tot verkoop ook aan een andere makelaar geven. Partijen dienen zich te houden aan de aanwijzingen van de makelaar;
- partijen zullen in onderling overleg met de deze makelaar de vraagprijs te bepalen. Die prijs dient te zijn gebaseerd op de getaxeerde waarde van de woning en de woningmarkt ter plaatse;
- indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een in diens ogen marktconforme vraagprijs;
- partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoop aangaan met diegene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. Indien partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dat bindend kunnen bepalen;
- als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, zijn partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning;
- na verkoop moet met de verkoopopbrengst de hypothecaire lening worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden voldaan. Tot die kosten behoren niet de taxatiekosten, nu daarvoor al een regeling is getroffen als hiervoor bepaald onder 9.3.1;
- van het bedrag dat dan overblijft (de netto verkoopwinst), vermeerderd met € 20.000,00 dient een achtste te worden uitbetaald aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ieder. Het dan nog resterende bedrag komt aan [appellant] toe;
9.4
indien een partij niet of niet tijdig zijn medewerking verleent aan de hiervoor onder 9.3.3 vermelde verrichtingen om te komen tot verkoop en levering van de woning, verbeurt die partij een dwangsom van € 250,00 per dag dat die partij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van in totaal € 100.000,00;
9.5 bepaalt dat de legitieme aanspraak van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in de nalatenschap van hun moeder ieder € 29.108,59 bedraagt en veroordeelt [appellant] in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van moeder tot betaling van deze bedragen aan [geïntimeerde1] en GKB;
9.6
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
9.7
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de rechtbank en het hof;
9.8
wijst af wat verder is gevorderd;
in de zaak met nummer 200.354.653 (kort geding)
9.9
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 18 april 2025, voor zover daarin vorderingen van [geïntimeerden] c.s. zijn toegewezen, en beslist dat alle vorderingen van [appellant] en van [geïntimeerden] c.s. worden afgewezen;
9.1
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij het hof.
Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, C. Coster en M.J.P. Schipper, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
23 juni 2026.