Uitspraak
de vrouw,
de man,
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.De kern van de zaak
mehir’) geen rechtsgevolg toekomt. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.
3.De feiten
Nikah akti’. De man heeft in de procedure een versie (met vertaling) van de ‘
Nikah akti’ overgelegd, die afwijkt van de versie (met vertaling) die de vrouw heeft overgelegd, in die zin dat daaraan op de regel die over de ‘
mehir’gaat, het woord
‘verilmiştir’is toegevoegd.
4.De vorderingen
‘verilmiştir’ in de door de man overgelegde huwelijksakte en waarbij de partij, die door het hof in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties, inclusief de kosten van het deskundigenbericht, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest en – bij gebreke van tijdige betaling – te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
5.De toelichting op de beslissing van het hof
nikah akti’ overeengekomen ‘
mehir’ als een rechtsverhouding
sui generis. Dit brengt mee dat de door het hof toe te passen regels van internationaal privaatrecht op de vordering tot afgifte van een bruidsgave van 100 gram goud niet voortvloeien uit een verdrag of verordening, maar uit het commune Nederlandse internationaal privaatrecht.
nikah akti’ overeengekomen ‘
mehir’ betreft een zelfstandige dagvaardingsprocedure. Op grond van artikel 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om hierover te oordelen, omdat de man als de gedaagde partij woonplaats heeft in Nederland.
De afspraak over de bruidsgave (de ‘mehir’)
nikah akti’ met elkaar hebben gemaakt – los van de vraag hoe die exact luidt, want dat is tussen partijen in geschil – door partijen werd beschouwd als integraal onderdeel van het religieuze huwelijk dat zij wilden sluiten. Partijen hebben ter zitting verklaard dat zij het religieuze huwelijk hebben gesloten, omdat zij dan mochten samenwonen voor het islamitische geloof. Onderdeel van het religieuze huwelijk vormde het ondertekenen van de ‘
nikah akti’ (in beide vertalingen vertaald als ‘huwelijksakte’) en de daarin opgenomen ‘
mehir’. Partijen verschillen van mening over de wijze van totstandkoming daarvan en de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen. De vrouw stelt kort gezegd dat de afspraak werd gemaakt op verzoek van de vader van de man en dat hij haar had toegezegd het goud later te geven maar dat nooit heeft gedaan. De man stelt, kort gezegd, dat de afspraak werd gemaakt op verzoek van de moeder van de vrouw, omdat dat verplicht was bij een islamitisch huwelijk en dat het goud ook op dat moment aan de vrouw is voldaan. Wat er van de wijze van totstandkoming, de inhoud en de rechtsgevolgen van de ‘
nikah akti’ ook zij, op grond van de beantwoording van de vragen ter zitting door partijen is naar het oordeel van het hof voldoende vast komen te staan dat partijen de overeenkomst hebben gesloten, omdat zij een religieus huwelijk aangingen en dat de overeenkomst daar niet los van kan worden gezien. Het hof acht het niet aannemelijk dat partijen deze afspraak ook zonder religieus huwelijk zouden hebben gemaakt. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat aan de afspraak over de bruidsgave geen rechtsgevolg toekomt. Toewijzing van de vordering van de vrouw tot voldoening van de ‘
mehir’ – als integraal onderdeel van het door partijen beoogde religieuze huwelijk – zou leiden tot het toekennen van een rechtsgevolg aan een in Nederland niet als rechtsgeldig aan te merken huwelijk en daarmee indruisen tegen de bedoeling van de wetgever. De wetgever heeft de praktijk van de sluiting van religieuze huwelijken zonder voorafgaand Nederlands burgerlijk huwelijk willen uitbannen en heeft dat ten aanzien van de bedieners van de eredienst zelfs uitdrukkelijk strafrechtelijk verboden [1] . Dat is in overeenstemming met fundamentele Nederlandse beginselen zoals de scheiding tussen kerk en staat, de betrouwbaarheid van de Nederlandse openbare registers (waaronder die van de burgerlijke stand) en de bescherming van (met name) de gehuwde vrouw tegen een onzekere en ongelijke juridische positie. De vrouw heeft daarom geen recht op afgifte van enige bruidsgave.
mehir’in de huwelijksakte hebben gemaakt, komt het hof gelet op het vorenstaande niet toe. De grieven
I en II van de vrouw blijven daarom onbesproken. Aan het bewijsaanbod om de echtheid van de akte aan te tonen waar grief III op ziet, komt het hof gelet op het voorgaande ook niet toe. Voor zover de vrouw in grief IV klaagt over de processuele gang van zaken in eerste aanleg, is het hof van oordeel dat zij bij zelfstandige behandeling van die klacht geen belang heeft. Het rechtsmiddel van hoger beroep dient er immers mede toe om eventuele omissies of misslagen die zich hebben voorgedaan in eerste aanleg te herstellen en partijen zijn in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om al hun inhoudelijk bezwaren tegen het bestreden vonnis aan het hof kenbaar te maken.
6.De beslissing
30 juni 2026.