ECLI:NL:GHARL:2026:4249

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
200.368.394/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 810a lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing met verplichting tot gefaseerde thuisplaatsing van minderjarige

De moeder oefent het gezag uit over haar zoon, die sinds januari 2024 met spoed uit huis is geplaatst en sindsdien in een pleeggezin woont. De kinderrechter verlengde de machtiging tot uithuisplaatsing tot 1 augustus 2026. De moeder ging in hoger beroep tegen deze verlenging en verzocht om afwijzing of bekorting van de machtiging met het oog op gefaseerde thuisplaatsing.

Het hof oordeelt dat de machtiging verlengd moet worden, maar op andere gronden dan de rechtbank. Uit het dossier blijkt dat de moeder positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt, waaronder het beëindigen van contact met de vader en het succesvol doorlopen van hulpverleningstrajecten. De GI heeft onvoldoende gewerkt aan uitbreiding van omgang en thuisplaatsing, wat niet strookt met de wettelijke uitgangspunten.

Het hof stelt dat de minderjarige gefaseerd over maximaal acht maanden thuis moet worden geplaatst. De machtiging wordt bekrachtigd om deze periode mogelijk te maken, waarbij de GI wordt verplicht actief mee te werken aan de voorbereidingen en uitbreiding van contactmomenten. Een deskundigenonderzoek wordt afgewezen omdat het niet bijdraagt aan de beslissing. De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd, het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 1 augustus 2026 met de verplichting tot gefaseerde thuisplaatsing binnen acht maanden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.368.394/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 334176
beschikking van 25 juni 2026
over de uithuisplaatsing van
[de minderjarige1]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.L. Witteveen te Rotterdam,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel(de GI),
die is gevestigd in Zwolle .
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbenden1](de pleegouders),
die wonen op een bij het hof bekend adres.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Overijssel, locatie Zwolle .

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle , heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een pleeggezin verlengd tot 1 augustus 2026. Het hof beslist dat dit om andere redenen zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder oefent alleen het gezag uit over haar zoon [de minderjarige1] , geboren [in] 2023.
2.2.
[de minderjarige1] is op 1 augustus 2023 (voor zijn geboorte) onder toezicht gesteld.
Op 25 januari 2024 is [de minderjarige1] met spoed uit huis geplaatst. [de minderjarige1] woont sinds april 2024 in het huidige perspectiefbiedende pleeggezin.
2.3.
De moeder heeft nog een oudere dochter [de minderjarige2] (5 jaar oud). [de minderjarige2] is kort na haar geboorte onder toezicht gesteld en in een pleeggezin geplaatst. Na een korte thuisplaatsing is zij opnieuw uit huis geplaatst. Het gezag van de moeder over [de minderjarige2] is beëindigd.
2.4.
Bij beschikking van 31 juli 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] op verzoek van de GI verlengd tot 1 augustus 2026. Het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] te verlengen voor de duur van een jaar, is bij diezelfde beschikking toegewezen voor de duur van zes maanden, tot 1 februari 2026.
De beslissing is voor het overigens verzochte (de periode van 1 februari tot 1 augustus 2026) aangehouden.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] verlengd tot 1 augustus 2026.
3.2.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 29 januari 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter van 29 januari 2026.
Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter vernietigt. Zij verzoekt het hof primair om het verzoek van de GI met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] af te wijzen en de duur te bekorten met als doel gefaseerd thuisplaatsen en subsidiair om een nader onderzoek te gelasten op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.2.
De GI is het eens met de beslissing van de kinderrechter en wil dat die beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 21 april 2026;
  • de stukken van de moeder ingediend op 12 mei 2026;
  • de brief van de raad van 12 mei 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
  • het verweerschrift van de GI.
4.4.
De zitting bij het hof was op 3 juni 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met mr. F. Pool (waarnemend advocaat);
  • twee vertegenwoordigers van de GI;
  • de pleegouders.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind. [1] De rechter kan die machtiging verlengen als de GI of de raad dat verzoekt.
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] loopt tot 1 augustus 2026.
5.3.
Het hof vindt dat [de minderjarige1] thuis moet worden geplaatst en dat dit gefaseerd, over
een periode van maximaal acht maanden, moet plaatsvinden. Dat lukt echter niet meer binnen de huidige termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing zoals die aan het hof voorligt. Daarom zal het hof de machtiging tot uithuisplaatsing desondanks bekrachtigen. Het hof acht de machtiging tot uithuisplaatsing echter op geheel andere gronden dan de kinderrechter noodzakelijk voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] . Het hof legt in de overwegingen hierna uit hoe het tot deze beslissing is gekomen.
5.4.
Uit de stukken komt naar voren dat [de minderjarige1] na zijn geboorte samen met zijn moeder opgenomen is geweest in een moeder-kindhuis van [naam1] omdat er zorgen waren over de thuissituatie bij de moeder en haar opvoedvaardigheden. De moeder had destijds een turbulente relatie met de vader van [de minderjarige1] , waarbij sprake was van huiselijk geweld en middelengebruik. Uit het eindverslag ouderschapsdiagnostiek van 4 december 2023 van [naam1] volgt dat de moeder binnen de beschermde woonomgeving in staat was tot ‘goed genoeg ouderschap’. [naam1] heeft geadviseerd om hulpverlening in te zetten voor de moeder met betrekking tot haar weerbaarheid richting de vader van [de minderjarige1] . Toen is ook de veiligheidsafspraak gemaakt dat de vader niet in de woning van de moeder mocht verblijven. Omdat de moeder zich hier niet aan heeft gehouden, is [de minderjarige1] in januari 2024 met spoed uit huis geplaatst. De GI heeft hierna [naam2] verzocht om een perspectiefonderzoek te verrichten. Dit onderzoek heeft op 17 juni 2024 plaatsgevonden. Op grond van dat onderzoek heeft de GI bepaald dat het perspectief van [de minderjarige1] niet bij de moeder ligt en dat er niet meer wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing. Bij beschikking van 31 juli 2024 heeft de kinderrechter overwogen dat de moeder een positieve ontwikkeling had doorgemaakt en dat het te vroeg was om het perspectief van [de minderjarige1] te bepalen. De kinderrechter heeft hierbij overwogen ervan uit te gaan dat het voor de moeder duidelijk is dat zij aan zet is om de positieve ontwikkelingen vol te houden en dat opnieuw een terugval in oude patronen bepalend kan zijn voor het opgroeiperspectief. De moeder is er op gewezen dat zij er alles aan zal moeten doen om aan de door de GI gestelde voorwaarden te voldoen. Dit heeft zij gedaan.
De moeder is gestart met groepsbehandeling bij [naam3] en er is VIB-G (Video Interactie Begeleiding - Gehechtheid) en IAP (Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling) ingezet. Voor haar verslavingsproblematiek is de moeder behandeld door [naam4] .
5.5.
De kinderrechter heeft de GI in de beschikkingen van 17 december 2024, 15 april 2025, 31 juli 2025 en 7 januari 2026 gewezen op het belang van uitbreiding van de omgang zodat de moeder een reële kans kon krijgen om te laten zien dat zij [de minderjarige1] zelf kan verzorgen en opvoeden. De beweging in het contact tussen de moeder en [de minderjarige1] is desondanks pas in september 2025 op gang gekomen door een wijziging van de locatie. Pas in oktober 2025 is een uitbreiding van de omgang voorgesteld. Op dit moment vindt de omgang tussen de moeder en [de minderjarige1] twee keer per week gedurende twee uur plaats, bij de moeder thuis met omgangsbegeleiding van [naam2] .
5.6.
Het hof stelt vast dat de GI onvoldoende gehoor heeft gegeven aan de herhaaldelijke opdrachten van de kinderrechter om de omgang tussen de moeder en [de minderjarige1] uit te breiden. De GI heeft kort na de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] bepaald dat zijn perspectief niet meer thuis ligt. Er is sindsdien door de GI niet meer aan thuisplaatsing gewerkt.
Dat is niet in overeenstemming met het uitgangspunt van de wetgever dat een kind in beginsel verzorgd moet worden door zijn ouder(s) en ook niet met de positieve verplichting die op de staat rust om maatregelen te treffen om het gezinsleven tussen ouders en hun kinderen te faciliteren en naar thuisplaatsing toe te werken. Naar het oordeel van het hof is door de GI te snel geoordeeld dat de aanvaardbare termijn om [de minderjarige1] bij de moeder te kunnen terugplaatsen is verstreken. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [de minderjarige1] geen signalen laat zien dat hij in onzekerheid verkeert over zijn toekomstperspectief. Daar komt bij dat de moeder in de afgelopen jaren op verschillende gebieden een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Die positieve ontwikkelingen zijn duurzaam gebleken. Het hof kan zich dan ook niet vinden in de stelling van de GI, zoals (voor het eerst) tijdens de zitting van het hof naar voren gebracht, dat er bij de moeder geen duurzaam veranderingsproces tot stand is gekomen. De moeder voldoet al ruim twee jaar aan de voorwaarden voor een thuisplaatsing van [de minderjarige1] , zoals die door de GI bij aanvang van de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] zijn geformuleerd. Deze voorwaarden waren het aangaan van een behandeling bij [naam3] , een veilige thuissituatie creëren door de vader blijvend buiten de deur te houden en zicht geven op haar middelengebruik. Uit de stukken blijkt dat de moeder sinds mei 2024 geen contact meer heeft met de vader, zodat er in de afgelopen jaren geen geweld meer heeft plaatsgevonden in de thuissituatie bij de moeder. Ook is er van middelengebruik door de moeder geen sprake meer. De moeder heeft het hulpverleningstraject bij [naam4] met goed gevolg doorlopen. De moeder zit in de afrondende fase van haar eerste behandeling bij [naam3] , onder meer gericht op emotie-regulatie, en zij zal binnenkort starten met een vervolgtraject (schematherapie). Ook verloopt de omgang tussen [de minderjarige1] en de moeder goed. Dat [de minderjarige1] een heftige reactie laat zien na de omgang, zoals de GI stelt, is niet gebleken.
De pleegouders hebben hierover tijdens de zitting bij het hof verklaard dat [de minderjarige1] na een omgangsbezoek meer slaapt dan op andere dagen. Dat lijkt, gelet op de jonge leeftijd van [de minderjarige1] , een normaal gevolg van de omgang en levert geen zorgen op over de omgang zelf.
5.7.
Op grond van het voorgaande, is het hof van oordeel dat er moet worden toegewerkt naar een thuisplaatsing van [de minderjarige1] . Omdat [de minderjarige1] al geruime tijd bij de pleegouders verblijft en zich aan hen heeft gehecht, zal de thuisplaatsing niet van de ene op de andere dag kunnen plaatsvinden. Dit vindt de moeder zelf ook. Zij heeft een gefaseerde thuisplaatsing over een periode van zes tot acht maanden voorgesteld. Het hof sluit zich hierbij aan en acht het in het belang van [de minderjarige1] dat er in de komende zes tot acht maanden wordt toegewerkt naar zijn thuisplaatsing. Die tijd is nodig om de thuisplaatsing van [de minderjarige1] zorgvuldig voor te bereiden en in kaart te brengen welke hulpverlening thuis nodig is vanaf de terugkeer van [de minderjarige1] , zodat de thuisplaatsing bestendig zal zijn. Om dat doel te bereiken verwacht het hof dat de GI actief zal meewerken aan de voorbereidingen voor de thuisplaatsing van [de minderjarige1] .
In verband daarmee zal de GI zo spoedig mogelijk de contactmomenten tussen de moeder en [de minderjarige1] verder moeten uitbreiden in duur en frequentie. In de tussentijd kunnen de persoonlijke behandeling van de moeder en de ouder-kindbehandeling vanuit de Jeugd-GGZ doorgang vinden. De ouder-kindbehandeling is naar aanleiding van een vraag vanuit de GI gericht op het verkrijgen van zicht op de emotionele beschikbaarheid van de moeder. Het hof merkt hierbij op dat het verloop van deze behandeling er niet toe mag leiden dat er door de GI niet actief wordt gewerkt aan de thuisplaatsing van [de minderjarige1] .
5.8.
Omdat de thuisplaatsing van [de minderjarige1] niet in de komende maand al kan worden gerealiseerd, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. Dit echter op andere gronden en met een ander doel dan de kinderrechter tot uitgangspunt heeft genomen.
5.9.
Het hof is van oordeel dat een deskundigenonderzoek niet kan bijdragen aan de beslissing van deze zaak, gelet op het oordeel van het hof dat er de komende periode gewerkt moet worden aan de gefaseerde thuisplaatsing van [de minderjarige1] . Het subsidiaire verzoek van de moeder om een deskundigenonderzoek te gelasten, zal daarom worden afgewezen.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle , van 29 januari 2026;
6.2.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, J.G. Knot en E. Leentjes, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.