ECLI:NL:GHARL:2026:4250

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
200.364.759
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:449 lid 2 BWArt. 432 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging afwijzing verzoek tot opheffing bewind wegens onvoldoende onderbouwing noodzaak

De kantonrechter heeft het verzoek van verzoeker tot opheffing van het bewind over zijn vermogen afgewezen. Verzoeker ging hiertegen in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof heeft het verzoek eveneens afgewezen en de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.

Het bewind was ingesteld bij beschikking van 3 februari 2011 vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand van verzoeker, waardoor hij zijn vermogensrechtelijke belangen niet zelf behoorlijk kon behartigen. Verzoeker stelde dat de werkelijke reden voor het bewind financiële problemen waren, maar heeft dit niet onderbouwd met stukken. Ook ontbraken medische stukken die een lichamelijke of geestelijke toestand zouden aantonen.

Het hof oordeelde dat verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat de noodzaak voor het bewind is komen te vervallen of dat voortzetting niet zinvol is. Het feit dat verzoeker momenteel geen schulden heeft, is onvoldoende om het bewind op te heffen. Tijdens de zitting is besproken dat verzoeker een zelfstandigheidstraject wil volgen, waarbij de bewindvoerder bereid is om het leefgeld maandelijks uit te betalen als eerste stap.

Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de kantonrechter en laat het bewind in stand. Partijen zullen het zelfstandigheidstraject in onderling overleg verder vormgeven.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het bewind en laat het bewind in stand.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.364.759
(zaaknummer rechtbank Gelderland 11892659 BM VERZ 25-5589)
beschikking van 30 juni 2026
inzake
[verzoeker]( [verzoeker] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. F.B. Flooren
en
[verweerder] ,handelend onder de naam
[naam] ,
in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [verzoeker] (de bewindvoerder)
die kantoor houdt in [vestigingsplaats] , gemeente [gemeentenaam1]
en
[belanghebbende1](zoon [belanghebbende1] )
die woont in [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam2]
en
[belanghebbende2](zoon [belanghebbende2] )
die woont in [woonplaats3]

1.Samenvatting

De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoeker] tot opheffing van het bewind over de goederen die hem (zullen) toebehoren, afgewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1
[verzoeker] is geboren [in] 1973. Zoon [belanghebbende1] en zoon [belanghebbende2] zijn de kinderen van [verzoeker] .
2.2
Bij beschikking van 3 februari 2011 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan [verzoeker] . Op dit moment is [verweerder] de bewindvoerder.

3.De procedure bij de kantonrechter

3.1
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 24 september 2025, heeft [verzoeker] om opheffing van het bewind verzocht.
3.2
De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoeker] tot opheffing van het bewind afgewezen.
3.3
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 11 november 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1
[verzoeker] is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de kantonrechter ongedaan maakt en zijn verzoek tot opheffing van het bewind alsnog toewijst.
4.2
De bewindvoerder is het wel eens met de beslissing van de kantonrechter en wil dat het hof de beslissing van de kantonrechter in stand laat.
4.3
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift met producties, ontvangen op 5 februari 2026
  • een stuk van [verzoeker] , overhandigd tijdens de zitting
4.4
De zitting bij het hof was op 2 juni 2026. Aanwezig waren:
  • [verzoeker] , bijgestaan door zijn advocaat
  • de bewindvoerder

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1
De kantonrechter kan, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve. [1]
Hoe oordeelt het hof?
5.2
Het hof vindt net als de kantonrechter dat het verzoek van [verzoeker] tot opheffing van het bewind, moet worden afgewezen. Omdat [verzoeker] om opheffing van het bewind verzoekt, ligt het op zijn weg om te onderbouwen dat de noodzaak voor het bewind niet meer bestaat of dat voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken. Hierin is [verzoeker] naar het oordeel van het hof niet geslaagd, zodat het hof geen aanleiding ziet voor opheffing van het bewind. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof licht dat hieronder toe.
5.3
Uit de stukken blijkt dat het bewind is ingesteld, omdat [verzoeker] als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Dat, zoals [verzoeker] stelt, de werkelijke reden voor het bewind gelegen was in financiële problemen als gevolg van een schuld aan de gemeentelijke sociale dienst in 2011, en dat er geen sprake was of is van enige lichamelijke of geestelijke toestand die aanleiding is voor een bewind, heeft [verzoeker] niet onderbouwd. Zo heeft het hof geen stukken ontvangen waaruit de gestelde aanleiding voor het bewind blijkt, ontbreekt de beslissing van 3 februari 2011 en zijn er geen stukken ter onderbouwing van de lichamelijke en geestelijke toestand van [verzoeker] overgelegd ten tijde van de instelling van het bewind en evenmin van nu. Het feit dat [verzoeker] op dit moment geen schulden heeft, betekent gelet op het voorgaande dan ook niet dat de noodzaak voor het bewind niet meer bestaat of dat voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken.
5.4
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof het volgende op. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] benadrukt dat hij van de bewindvoerder de mogelijkheid wil krijgen om een zelfstandigheidstraject te volgen. De bewindvoerder heeft daarop laten weten dat de eerste stap in dat kader is om het leefgeld maandelijks te gaan uitbetalen en te bekijken hoe dat gaat. Hoewel dit in het verleden al is geprobeerd en toen niet goed is gegaan, heeft de bewindvoerder laten weten dat hij bereid is om dit nog een keer te proberen. Het hof gaat ervan uit dat partijen dit traject in onderling overleg verder zullen gaan vormgeven.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 11 november 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, E. de Boer en L.R. Davila Talavera, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:449 lid 2 BW Pro