ECLI:NL:GHARL:2026:4254

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
200.367.607
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van vijf minderjarige kinderen

De rechtbank Midden-Nederland heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van vijf minderjarige kinderen verlengd tot 28 januari 2027. De moeder is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan en verzocht het hof om de verlenging af te wijzen of te beperken tot zes maanden.

Het hof heeft de motivering van de rechtbank overgenomen en bekrachtigt de verlenging. Uit het dossier blijkt dat de kinderen ernstige emotionele problemen hebben, meer dan gemiddelde behoefte aan bevestiging en zorgelijk gedrag vertonen dat niet past bij hun leeftijd. De moeder erkent deze zorgen niet en kan de kinderen niet structureel de noodzakelijke verzorging en structuur bieden.

De hulpverlening aan de moeder is deels voortgezet, maar het is onzeker of deze voldoende zal zijn om de situatie te verbeteren. Het hof benadrukt dat een uithuisplaatsing een tijdelijke maatregel is met als doel dat ouders de verzorging en opvoeding weer zelf kunnen dragen. De GI moet een duidelijke koers bepalen en zo spoedig mogelijk stappen zetten richting thuisplaatsing of een onderzoek naar beëindiging van het gezag.

De beslissing van de rechtbank wordt bekrachtigd, waarmee de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen wordt verlengd tot 28 januari 2027.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de vijf minderjarige kinderen tot 28 januari 2027.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.367.607
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 602096
beschikking van 30 juni 2026
over de uithuisplaatsingen van [minderjarige1] , [minderjarige2] , [minderjarige3] , [minderjarige4] en [minderjarige5]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont op een bij het hof bekend adres
advocaat: mr. J.J.C. Engels
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland(de GI)
die is gevestigd in Utrecht
en
de heer en mevrouw [naam1](de pleegouders van [minderjarige2] )
die wonen in [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam]
en
de heer en mevrouw [naam2](de pleegouders van [minderjarige4] en [minderjarige5] )
die wonen in [woonplaats2]
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
als adviseur van het gerechtshof

1.Samenvatting

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] , [minderjarige2] , [minderjarige3] , [minderjarige4] en [minderjarige5] verlengd tot 28 januari 2027. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder is de ouder van [minderjarige1] , [minderjarige2] , [minderjarige3] , [minderjarige4] en [minderjarige5] (hierna samen: de kinderen). [minderjarige1] is geboren [in] 2014, [minderjarige2] is geboren [in] 2015, [minderjarige3] is geboren [in] 2018, [minderjarige4] is geboren [in] 2019 en [minderjarige5] is geboren [in] 2020. De moeder heeft daarnaast nog twee kinderen die zijn geboren [in] 2025.
2.2.
De moeder heeft het gezag over de kinderen.
2.3.
De kinderen staan onder toezicht van de GI. [minderjarige1] verblijft sinds augustus 2025 in zijn huidige pleeggezin. [minderjarige3] verblijft sinds eind 2025 in zijn huidige pleeggezin. [minderjarige2] woont sinds 4 november 2024 bij haar pleegouders. [minderjarige4] en [minderjarige5] wonen vanaf 4 november 2024 bij hun pleegouders.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De GI heeft de rechtbank verzocht de kinderen voor nog een periode van één jaar uit huis te mogen plaatsen.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de GI toegewezen en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 28 januari 2027.
3.3.
Die beslissing is gegeven op 15 januari 2026 en schriftelijk vastgelegd op 27 januari 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en (
primair)het verzoek van de GI tot verlenging van de uithuisplaatsing met één jaar alsnog afwijst en anders (
subsidiair) de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen voor maximaal zes maanden verlengt.
4.2.
De GI wil dat de beslissing van de rechtbank in stand blijft.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ontvangen op 15 april 2026
  • het verweerschrift van de GI
  • het stuk van de GI, ingediend op 21 mei 2026
4.4.
[minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] hebben een brief geschreven. Zij hebben verteld wat zij van de uithuisplaatsing vinden.
4.5.
De zitting bij het hof was op 2 juni 2026. Aanwezig waren:
  • mr. C. Guzel, als waarnemer van de advocaat van de moeder
  • twee vertegenwoordigers van de GI
  • de pleegouders van [minderjarige2]
  • de pleegouders van [minderjarige4] en [minderjarige5]
Aan de pleegzorgbegeleider van de pleegouders van [minderjarige2] is bijzondere toestemming verleend om de zitting als toehoorder bij te wonen.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] . De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken [2] .
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
De rechtbank heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen met een jaar verlengd. De machtiging aan de GI is naar het oordeel van het hof op goede gronden gegeven, omdat de kinderen nog niet thuis kunnen wonen en het ook niet te verwachten is dat dat binnen een jaar na de beschikking van de rechtbank anders zal zijn. De beslissing van de rechtbank zal dan ook in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof kan zich vinden in de door de rechtbank gegeven motivering. Het hof neemt die motivering na eigen onderzoek over en voegt daar het volgende aan toe.
5.3.
Uit de stukken blijkt dat er grote zorgen zijn over de kinderen. Zo hebben de kinderen problemen in hun emotieregulatie, hebben ze meer dan gemiddeld behoefte aan bevestiging dat zij worden gezien en gehoord en vertonen zij zorgelijk gedrag dat niet altijd past bij hun kalenderleeftijd. De moeder lijkt de zorgen over de kinderen niet in te zien of te (h)erkennen, de bestaande zorgen te bagatelliseren en haar eigen aandeel daarin niet in te zien. Zo is tijdens de mondelinge behandeling namens de moeder verteld dat zij in staat is te voorzien in de basisbehoefte van de kinderen, net zoals de pleegouders dat op dit moment doen. Zoals de rechtbank echter al heeft overwogen, is gebleken dat de moeder de kinderen niet structureel de basale verzorging en structuur kon en kan bieden die de kinderen nodig hebben. Niet is gebleken dat daar sinds de bestreden beschikking verandering in is gekomen. Daar komt bij dat het voor het hof voldoende duidelijk is dat de kinderen, mede gelet op wat zij in het verleden in de thuissituatie bij de moeder hebben meegemaakt, (veel) meer nodig hebben van een opvoeder dan basale verzorging
.De kinderen hebben behoefte aan individuele zorg, structuur, aandacht en begeleiding, wat op dit moment door de verschillende pleeggezinnen wordt geboden.
5.4.
Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, zal de moeder intensief aan de slag moeten met hulpverlening, zal ze moeten laten zien dat zij deze hulpverlening kan voortzetten en moet het komende jaar blijken of deze hulp voldoende is. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat het, gelet op de hoeveelheid aan problematiek, niet te verwachten is dat er binnen afzienbare tijd zodanige verbetering optreedt dat de moeder zelf weer de verzorging en opvoeding van alle kinderen kan dragen. Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden volstaan met een kortere duur van de machtiging tot uithuisplaatsing. Daarbij vindt het hof van belang dat [naam3] ( [naam3] ), die betrokken was bij de twee jongste kinderen van de moeder, sinds de beschikking van de rechtbank is gestopt met de hulpverlening omdat het traject onvoldoende van de grond kwam. De reden daarvoor is dat de moeder niet in gesprek kwam over haar hechtingsmechanismen en over de vraag waar die haar belemmeren in de opvoeding. Ook heeft de GI tijdens de mondelinge behandeling laten weten dat er opnieuw een melding is geweest bij Veilig Thuis over een hoog opgelopen conflict tussen de moeder en een buurvrouw, waar de jongste twee kinderen van de moeder bij aanwezig waren. Gebleken is dat de moeder de hulpverlening van [naam4] na de beslissing van de rechtbank heeft voortgezet. De moeder heeft laten weten dat zij vertrouwen heeft in deze hulpverlening en ook de GI heeft laten weten dat de moeder zich vertrouwd en veilig voelt bij deze therapeute en opener naar de therapeut lijkt te zijn. Dit is positief. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI echter ook benadrukt dat het de vraag is of deze hulpverlening voldoende zal zijn voor de benodigde verbetering, omdat deze therapie zich vooral op de moeder zelf richt. Er lijkt nog altijd niet te worden ingezet op schematherapie, wat inmiddels wel door meerdere instanties is geadviseerd vanaf november 2024 en laatstelijk door [naam3] .
5.5.
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof het volgende op. Tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over het doel van een uithuisplaatsing, het voornemen van de GI om tot een opvoedbesluit te komen en de mogelijkheid van de GI om de raad te vragen om een onderzoek te doen naar een eventuele beëindiging van het gezag. De GI heeft hier, net als bij de rechtbank, geen duidelijkheid over verschaft. Het hof benadrukt in dat kader dat een uithuisplaatsing een maatregel is die naar zijn aard tijdelijk is. [3] Het doel van deze maatregel is om ervoor te zorgen dat de ouders de verzorging en opvoeding voor de kinderen op termijn weer zelf kunnen dragen. Zolang er sprake is van een ondertoezichtstelling met een machtiging tot uithuisplaatsing, is het uitgangspunt dan ook dat er moet worden gewerkt aan thuisplaatsing. Een eventueel door de GI genomen opvoedbesluit, dat ook geen juridische status heeft, brengt daarin geen verandering. De maatregelen van een ondertoezichtstelling met een machtiging tot uithuisplaatsing kunnen wel worden benut om de periode van een onderzoek naar, en een beslissing over, een eventuele beëindiging van het gezag te overbruggen. In dat geval is, mede gelet op de aanvaardbare termijn voor de kinderen en de grote gevolgen die de GI in de praktijk aan een opvoedbesluit verbindt, voortvarendheid geboden. Als de GI van mening is dat een thuisplaatsing niet haalbaar is en het perspectief van de kinderen bij de pleeggezinnen ligt, ligt het op de weg van de GI dit zo spoedig mogelijk aan de raad voor te leggen en de raad te vragen om onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel te doen. Wanneer de GI niet werkt aan thuisplaatsing en tegelijkertijd evenmin stappen zet richting een onderzoek door de raad, leidt dat tot stilstand. Dit raakt ook direct aan de rechtsbescherming van de ouders en hun kinderen, die daardoor in negatieve zin worden benadeeld. Dat is niet wenselijk. Het hof benadrukt daarom dat het van belang is dat de GI een duidelijke koers bepaalt en daarop zo spoedig mogelijk de benodigde acties uitzet.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 15 januari 2026 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] , [minderjarige2] , [minderjarige3] , [minderjarige4] en [minderjarige5] .
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, E. de Boer en L.R. Davila Talavera, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.
2.artikel 1:265c lid 2 BW.
3.zie ECLI:HR:2023:1148 r.o.v. 3.3.4 en Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 8-11, 23.