ECLI:NL:GHARL:2026:4312

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
24/2086
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2020 met proceskostenvergoeding

Belanghebbenden zijn in hoger beroep gekomen tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland die hun beroep tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2020 ongegrond verklaarde. De navorderingsaanslag was opgelegd aan wijlen erflater en betrof een verhoging van het inkomen uit sparen en beleggen.

De Inspecteur had het bezwaar van belanghebbenden gegrond verklaard en de navorderingsaanslag verminderd, maar de rechtbank had dit niet gevolgd. In hoger beroep heeft het Hof vastgesteld dat het inkomen uit sparen en beleggen nihil is en dat de Inspecteur volledig tegemoet is gekomen aan het hoger beroep. Het Hof vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en vermindert de navorderingsaanslag en de belastingrente tot nihil.

Daarnaast oordeelt het Hof dat de Inspecteur de proceskosten van belanghebbenden moet vergoeden, waarbij rekening is gehouden met samenhang met een andere zaak. De totale proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op €1.401, naast vergoeding van het betaalde griffierecht van €188. De zaak wordt behandeld zonder mondelinge behandeling, omdat partijen hier geen behoefte aan hadden.

Uitkomst: Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank, vermindert de navorderingsaanslag tot nihil en veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/2086
uitspraakdatum: 23 juni 2026
Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]uit
[woonplaats](hierna: belanghebbenden)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 31 oktober 2024, nummer AWB 23/2560, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Belastingdienst PDB Den Haag(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan [erflater] is voor het jaar 2020 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend.
1.2.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard en de navorderingsaanslag verminderd en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd.
1.3.
Belanghebbenden zijn tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het Hof heeft partijen aangegeven geen aanleiding te zien een nadere zitting te houden en partijen gevraagd kenbaar te maken dat zij op een zitting willen worden gehoord. Partijen hebben binnen de gestelde termijn daarop niet gereageerd. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Wijlen [erflater] woonde tot 19 oktober 2022 samen met [naam1] (partner). [erflater] is op 19 oktober 2022 overleden.
2.2.
[erflater] heeft op 2 mei 202 zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 (de aangifte) ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 26.398 en bestaat uitsluitend uit inkomen uit vroegere arbeid. Met dagtekening 18 juni 2021 heeft de inspecteur de aanslag conform de door belanghebbende ingediende aangifte vastgesteld.
2.3.
Op 12 juli 2021 heeft [erflater] de inspecteur verzocht hem een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2020 op te leggen en het verzamelinkomen te verhogen met een inkomen uit sparen en beleggen van € 3.696, tot een bedrag van € 30.094.
2.4.
De inspecteur is afgeweken van het verzoek en heeft de navorderingsaanslag lager vastgesteld dan het verzoek. Het inkomen uit sparen en beleggen wordt door de inspecteur verlaagd naar € 2.036, waardoor het verzamelinkomen in de navorderingsaanslag met dagtekening 21 augustus 2021 is vastgesteld op een bedrag van € 28.434.
2.5.
Namens belanghebbende heeft de gemachtigde op 2 september 2021 een nieuwe aangifte ingediend. Daarin is een voordeel van sparen en beleggen van € 177 opgenomen. Het verzamelinkomen bedraagt € 26.575. De opnieuw ingediende aangifte heeft de inspecteur als een bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag aangemerkt.
2.6.
De Inspecteur heeft het bezwaar gegrond verklaard en met dagtekening 24 november 2022 een verminderingsbeschikking genomen waarin het inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 998.
2.7.
Bij uitspraak van 31 oktober 2024 heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbenden tegen de uitspraak van de Inspecteur ongegrond verklaard.
2.8.
Op 13 december 2024 hebben belanghebbenden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank.
2.9.
Op 31 maart 2025 heeft de Inspecteur aan belanghebbenden en het Hof laten weten volledig aan het hoger beroep van belanghebbenden tegemoet te komen.
2.10.
Op 11 juni 2025 heeft de Inspecteur het Hof laten weten de griffierechten aan belanghebbenden te vergoeden en om belanghebbenden te vergoeding voor proceskosten. Voorts vermeldt de Inspecteur dat de gemachtigde van belanghebbenden afwijzend heeft gereageerd op zijn suggestie het hoger beroep in te trekken.
2.11.
Op 4 juni 2025 heeft de gemachtigde van belanghebbenden de Inspecteur laten weten dat belanghebbenden de zaak door het Hof wensen te laten behandelen en dat hij zich kan vinden in de door de Inspecteur voorgestelde vergoeding van het griffierecht en de proceskosten.
2.12.
Op 4 juli 2025 informeert de Inspecteur het Hof dat de verminderingen van de aanslag IB/PVV 2020 is verwerkt in de systemen van de Belastingdienst.
2.13.
Op 31 juli 2025 laat de gemachtigde van belanghebbenden het Hof weten dat belanghebbenden de procedure wenst voort te zetten.
2.14.
Op 15 september 2025 heeft de gemachtigde van belanghebbenden het Hof nogmaals laten weten de zaak te willen laten behandelen door het Hof en daarbij aangegeven dat de behandeling kan plaatsvinden zonder mondelinge behandeling.

3.Geschil

3.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het inkomen uit sparen en beleggen nihil bedraagt.
3.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Inspecteur belanghebbenden dient te vergoeden voor proceskosten voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Het Hof stelt vast dat de Inspecteur geheel is tegemoetgekomen aan het hoger beroep van belanghebbende en de navorderingsaanslag dienovereenkomstig is verlaagd. Het hoger beroep is dus gegrond.
4.2.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de heffingsrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de navorderingsaanslag betreft.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

De Inspecteur dient aan belanghebbende het voor het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Inspecteur de kosten die belanghebbende heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep en dat daarbij moet worden uitgegaan van een factor 1 wegens samenhang met de zaak met nummer 24/2085.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift, bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 934 x samenhangfactor 1 ) en € 934 voor de kosten in hoger beroep (1 punt (hogerberoepschrift,) x wegingsfactor 1 x € 934 x samenhangfactor 1), ofwel in totaal op € 2.802. Omdat sprake is van samenhang met de zaak met nummer 24/2085 zal de helft van dit bedrag, of te wel € 1.401, worden vergoed aan belanghebbenden.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,
– vermindert de navorderingsaanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 0,
– vermindert het verzamelinkomen dienovereenkomstig,
– vermindert de beschikking belastingrente tot nihil,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.401,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is op 23 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.W.J. de Kort) (R.A.V. Boxem)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.