ECLI:NL:GHARL:2026:4366

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
W200.369.464-01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 SvArt. 512 SvArt. 515 lid 5 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheer in beklagzaak politieambtenaar

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen raadsheer E. de Witt, die als raadsheer-commissaris betrokken was bij de behandeling van een beklagzaak over het niet vervolgen van een politieambtenaar.

Het verzoek betrof onder meer het weigeren van het tonen van beelden en het horen van getuigen tijdens de raadkamerzitting, en een opmerking van de raadsheer die verzoeker als niet serieus nemend ervoer.

De wrakingskamer oordeelde dat de beslissingen procedureel van aard waren en binnen de bevoegdheid van de raadsheer vielen. Er waren geen objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid, en het wrakingsverzoek werd daarom ongegrond verklaard.

De beslissing werd op 2 juli 2026 door de wrakingskamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in Leeuwarden uitgesproken. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen raadsheer E. de Witt is afgewezen wegens het ontbreken van objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
wrakingskamer
zaaknummer gerechtshof 200.369.464/01
beslissing van 2 juli 2026
op het verzoek van:
[naam 1],
wonende te Emmen,
verzoeker in het wrakingsincident,
hierna: verzoeker,
dat strekt tot wraking ingevolge artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
mr. E. de Witt, raadsheer in dit hof, zittingsplaats Leeuwarden.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij de afdeling strafrecht van het hof is een beklagzaak ex artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering met zaaknummer K25/210615 aanhangig waarin verzoeker optreedt als klager. Hij heeft daarin geklaagd tegen het niet vervolgen van een politieambtenaar die een camerabeeldverslag heeft opgesteld (‘beklaagde’).
1.2
Op 27 mei 2026 heeft in die zaak een behandeling in raadkamer plaatsgevonden voor mr. E. de Witt, die is benoemd als raadsheer-commissaris in het hof, zittingsplaats Leeuwarden. Aanwezig was verder het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door mr. E.C. Hellinga, advocaat-generaal. Een dag na de zitting, op 28 mei 2026 om 14:21 uur, heeft het hof een wrakingsverzoek ontvangen van verzoeker dat is gericht tegen mr. E. de Witt.
1.3
De gewraakte raadsheer heeft niet in de wraking berust en heeft per e-mail een toelichting gegeven die op 3 juni 2026 door het hof is ontvangen.
1.4
Het wrakingsverzoek is ter zitting van 18 juni 2026 behandeld door deze wrakingskamer. Voorafgaand aan de zitting heeft verzoeker nog per e-mail aan het hof een nadere toelichting gestuurd. Verzoeker is bij deze behandeling verschenen. De gewraakte raadsheer is niet verschenen.

2.De beoordeling van het verzoek

De ontvankelijkheid van het verzoek
2.1
Het wrakingsverzoek is gedaan voordat de behandeling van de zaak door het wijzen van een einduitspraak is geëindigd. Van andere omstandigheden die erop zouden kunnen wijzen dat het verzoek niet tijdig is ingediend, is niet gebleken. Het verzoek is dan ook tijdig ingediend.
2.2
In het wrakingsverzoek vermeldt verzoeker dat hij ook de andere leden van de combinatie, te weten mr. Van Schuijlenburg en mr. Rietveld, nog wil spreken, en zo niet hij deze leden ook wil wraken. Nu verzoeker hiermee geen gemotiveerd verzoek tot wraking van genoemde raadsheren heeft gedaan, vat de wrakingskamer dit niet op als een wrakingsverzoek tegen mrs. Van Schuijlenburg en Rietveld. Het wrakingsverzoek wordt daarom alleen beschouwd als zijnde gericht tegen mr. E. de Witt.
De gronden van het wrakingsverzoek
2.3
Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek het volgende ten grondslag gelegd:
de gewraakte raadsheer heeft tijdens de zitting van 27 mei 2026 het verzoek om beelden te tonen geweigerd met de motivering dat de beelden al door het hof en het OM waren bekeken;
tijdens de zitting heeft de raadsheer ook geweigerd om getuigen te horen, omdat dit niet mogelijk zou zijn, terwijl dat op basis van regelgeving onjuist is gebleken;
de gewraakte raadsheer heeft tijdens de zitting opgemerkt dat de beklaagde wellicht foutjes heeft gemaakt en wekte daarmee de indruk dit heel normaal te vinden, waardoor verzoeker zich niet serieus genomen voelt.
Het standpunt van verweerder
2.4
De gewraakte raadsheer heeft laten weten niet te berusten in de wraking. Hij heeft toegelicht dat zijn beslissing een procedurele beslissing is die voortvloeit uit het karakter van de behandeling in raadkamer van een klacht ex artikel 12 Sv Pro, waarin de sepotbeslissing ter beoordeling voorligt en een inhoudelijk onderzoek naar strafbare feiten, zoals het horen van getuigen of het bekijken van beelden, niet aan de orde is. Daarnaast zijn volgens de gewraakte raadsheer geen feiten en omstandigheden gesteld waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Beoordelingskader
2.5
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procesdeelnemer een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang, maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek tegen deze achtergrond beoordelen.
2.6
Verder geldt als algemeen uitgangspunt dat het middel van wraking gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen - de verzoeker onwelgevallige - (processuele) (tussen)beslissingen van de rechter. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
2.7
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er eveneens tegen dat de motivering van de (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. [1]
Oordeel van de wrakingskamer
2.8
De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek ongegrond is. De beslissingen om geen beelden te laten tonen of getuigen te laten horen betreffen processuele beslissingen van de raadsheer die zijn voorbehouden aan de raadsheer die beslist in de beklagzaak. Deze beslissingen kunnen als zodanig niet tot een geslaagd beroep op wraking leiden. De motivering van de raadsheer, die aansluit op de eerder genomen beslissingen, is gelet op de stand van de procedure waarin de beslissing werd genomen en de regels die voor dergelijke beklagprocedures gelden, niet onbegrijpelijk. Dat verzoeker zich niet serieus genomen voelt door de opmerking dat het mogelijk is dat de beklaagde foutjes heeft gemaakt valt te betreuren, maar hieruit blijkt – naar objectieve maatstaven gemeten – geen vooringenomenheid.
2.9
Het voorgaande maakt dat het wrakingsverzoek van verzoeker zal worden afgewezen.

3.3. De beslissing

Het gerechtshof (wrakingskamer):
wijst het verzoek tot wraking van mr. E. de Witt af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J. Hielkema, M.M.A. Wind, en G.B.A. Brummer, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 515 lid 5 van Pro het Wetboek van Strafvordering).
Mr. Hielkema is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Raadsheer Raadsheer
mr. M.M.A. Wind mr. G.B.A. Brummer
Griffier
mr. G.J. Rauw

Voetnoten

1.Zie HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413.