ECLI:NL:GHARL:2026:437

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
21-000329-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis van de rechtbank Overijssel in hoger beroep tegen winkeldiefstal

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 30 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Overijssel, dat op 17 januari 2023 was gewezen. De verdachte, geboren op 12 juli 1993, was eerder door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden voor vier winkeldiefstallen, gepleegd samen met anderen. De rechtbank had de verdachte vrijgesproken van een vijfde tenlastegelegde feit, maar het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dit gericht was tegen die vrijspraak, op basis van artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof bevestigde grotendeels het vonnis van de rechtbank, met inachtneming van de gronden waarop de rechtbank haar beslissing had gebaseerd. Het hof constateerde echter dat de rechtbank verzuimd had een beslissing te nemen over de proceskosten van de benadeelde partij, en herstelde dit verzuim door de verdachte te veroordelen in de proceskosten. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank voor het overige, met uitzondering van de beslissing over de proceskosten van de benadeelde partij, die opnieuw werd beoordeeld. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer voor strafzaken en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000329-23
Uitspraakdatum: 30 januari 2026
VERSTEK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 17 januari 2023 met parketnummer 08-299256-22 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op 12 juli 1993 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat is besproken op de zitting van het hof van 16 januari 2026 en op de zitting van de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Vonnis rechtbank

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 5 tenlastegelegde.
De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de verdachte het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde heeft begaan en heeft die feiten telkens juridisch gekwalificeerd als diefstal door twee of meer verenigde personen.
De rechtbank heeft de verdachte voor die feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest.
Verder heeft de rechtbank de vordering van benadeelde partij [winkel] Markelo toegewezen en (in het verlengde daarvan) de verdachte een betaalverplichting opgelegd tot het bedrag van € 181,73, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2022. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat de verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor die schade van de benadeelde partij, wat meebrengt dat de verdachte van de betaalverplichting bevrijd is als en voor zover die schade door één of meer mededaders is vergoed.
Ontvankelijkheid verdachte in het hoger beroep wat betreft feit 5
De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 5 tenlastegelegde. Het hoger beroep is onbeperkt ingesteld en is dus ook tegen die vrijspraak gericht. Op grond van artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de verdachte geen hoger beroep instellen tegen die vrijspraak. Daarom verklaart het hof verdachte in zoverre niet-ontvankelijk in het hoger beroep, waardoor die vrijspraak en feit 5 geen deel uitmaken van het hoger beroep.
Bevestiging vonnis
Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de overige feiten op de juiste wijze en op goede gronden heeft beslist. Daarom bevestigt het hof het vonnis, met overneming van de gronden waarop de beslissingen van de rechtbank zijn gebaseerd.
Wel constateert het hof dat de rechtbank ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft verzuimd een beslissing te geven over de verdeling van de proceskosten. Het hof herstelt dit verzuim door de verdachte te veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partij. In zoverre zal het hof het vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 5 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, uitsluitend voor zover daarin is verzuimd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij een beslissing te nemen over de proceskosten van de benadeelde partij, en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij ( [winkel] Markelo) gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Bevestigt het vonnis van de rechtbank voor het overige, voor zover dat aan het oordeel van het hof onderworpen is.
Dit arrest is gewezen door mr. Z.J. Oosting, mr. G. Mintjes en mr. T. Bertens, in aanwezigheid van de griffier mr. D. van der Geld en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 30 januari 2026.