ECLI:NL:GHARL:2026:4394

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
21-001008-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37a SrArt. 37b SrArt. 57 SrArt. 157 SrArt. 285 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreigingen en brandstichtingen met ongemaximeerde TBS met dwangverpleging

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland waarin verdachte werd veroordeeld voor meerdere bedreigingen en twee brandstichtingen met gevaar voor goederen.

Het hof bevestigde de bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten, maar vernietigde de strafoplegging en deed opnieuw recht. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 400 dagen, met aftrek van het voorarrest, en tot ongemaximeerde TBS met dwangverpleging. De vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de rechtbank werd opgeheven.

De bedreigingen waren ernstig en langdurig, onder meer met een kogelbrief en indringend gedrag op het kantoor van het slachtoffer. Deskundigen stelden vast dat verdachte leed aan schizofrenie met ernstige psychotische episodes en middelengebruik, wat de toerekenbaarheid sterk verminderde. Het hof matigde de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn en achtte TBS met dwangverpleging noodzakelijk vanwege het hoge recidiverisico en de ernst van de stoornis.

De vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf werd afgewezen om snelle start van de behandeling mogelijk te maken. Het in beslag genomen GSM-toestel werd aan verdachte teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 400 dagen gevangenisstraf en ongemaximeerde TBS met dwangverpleging wegens bedreigingen en brandstichtingen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001008-24
Uitspraakdatum: 10 juli 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 21 februari 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 13-327755-22 en 13-130562-21, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 13-326354-21, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] ( [plaats 1] ),
op dit moment verblijvende in [plaats 2]

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank
Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. J.H.S. Reukers, en de advocaat van het slachtoffer, mr. P. Figge, hebben aangevoerd.

Ontvankelijkheid van verdachte in het hoger beroep

Het openbaar ministerie is door de rechtbank Midden-Nederland niet-ontvankelijk verklaard voor feit 1 en 2 onder parketnummer 13-327755-22. Verdachte is door de rechtbank Midden-Nederland vrijgesproken van feit 3 onder parketnummer 13-130562-21. Verdachte kan tegen een beslissing tot niet-ontvankelijkheid en vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven niet-ontvankelijkheid van feit 1 en 2 onder parketnummer 13-327755-22 en de vrijspraak voor feit 3 onder parketnummer
13-130562-21.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, met verkrachting en met gijzeling. Daarnaast heeft de rechtbank verdachte veroordeeld voor het opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Verder heeft de rechtbank verdachte veroordeeld voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt. De rechtbank heeft aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 434 dagen, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd. Verder heeft de rechtbank aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een gebieds- en contactverbod. Ten slotte heeft de rechtbank beslist over de inbeslaggenomen GSM.
Het hof is onder aanvulling van gronden van oordeel dat de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring en de kwalificatie op juiste wijze en op goede gronden heeft beslist. Het hof zal het vonnis ten aanzien van die onderdelen daarom met aanvulling van gronden bevestigen. Het hof zal het vonnis voor wat betreft de strafoplegging vernietigen en opnieuw recht doen.

Aanvulling van gronden

Het hof overweegt naar aanleiding van het verweer van de verdediging ter aanvulling het volgende.
Ten aanzien van de bedreiging van [slachtoffer] en haar collega’s (feit 3 onder parketnummer 13-327755-22) voegt het hof toe dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling is vereist dat de bedreigde niet alleen daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging maar ook dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van verdachte daarop was gericht.
Het hof is van oordeel dat de bedreigingen – opgenomen in de tenlastelegging – dreigend van aard zijn en in de gegeven omstandigheden in het algemeen redelijke vrees kunnen opwekken. Daarbij overweegt het hof dat uit de verklaring van aangeefster volgt dat verdachte gedurende een periode van ruim een jaar op indringende wijze bedreigingen heeft geuit. Daarnaast is verdachte meermalen onaangekondigd het kantoor van aangeefster binnengelopen, heeft zich ook begeven in werkruimtes die niet bestemd zijn voor cliënten, en heeft zich daar dreigend uitgelaten richting medewerkers van het kantoor. Ook is in de nacht naar een collega van aangeefster gebeld en heeft hij zich meerdere malen rondom het kantoor opgehouden. Hiermee is de opzet van verdachte om aangeefster en haar collega’s angst aan te jagen gegeven. Het enkele feit dat de bedreigingen het gevolg zouden zijn van verdachtes emotionele of psychische situatie, maakt dat niet anders. Het doen van dergelijke uitlatingen als gevolg van de psychische problematiek van verdachte brengt niet mee dat deze, gelet op hun aard en intensiteit, niet als bedreigend kunnen worden ervaren door aangeefster. Evenmin doet daaraan af dat aangeefster bekend was met de psychische toestand van verdachte. Het is immers niet ondenkbaar dat juist die wetenschap en de daaruit voortvloeiende onberekenbare gedragingen, de vrees reëler maakten. Dat die vrees ook daadwerkelijk is ontstaan, vindt steun in de omstandigheid dat een medewerker van het kantoor de bedreigingen als zodanig beangstigend heeft ervaren dat hij gedurende enige tijd arbeidsongeschikt is geraakt.
Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder parketnummer
13-327755-22 onder feit 3 ten laste gelegde.
Het hof is van oordeel dat het verweer van de raadsvrouw met betrekking tot feit 1 en 2 onder parketnummer 13-130562-21 wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Oplegging van straf en maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd de feiten in sterk verminderde mate aan verdachte toe te rekenen en verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 434 dagen, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: TBS met dwangverpleging) op te leggen. Hierbij heeft hij primair gevorderd dat de TBS met dwangverpleging ongemaximeerd zal worden opgelegd. Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat wanneer de TBS met dwangverpleging gemaximeerd wordt opgelegd, er tevens een maatregel ter gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (hierna GVM), zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd. De advocaat-generaal heeft verzocht om de vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht niet op te leggen. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om de TBS met dwangverpleging, indien deze wordt opgelegd, niet ongemaximeerd op te leggen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er per afzonderlijke bedreiging moet worden bekeken of deze werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet verbaal agressief handelen ten opzichte van de bedreigde. Nu daarvan in geen van de gevallen sprake is, kan volgens de raadsvrouw niet worden geconcludeerd dat sprake is van een geweldsmisdrijf, omdat niet wordt voldaan aan het vereiste voor het opleggen van een ongemaximeerde TBS met dwangverpleging. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere bedreigingen en twee brandstichtingen met gemeen gevaar voor goederen. Een van de bedreigingen bestond onder andere uit het sturen van een kogelbrief en is gepaard gegaan met het tweemaal stichten van brand bij de woning van het slachtoffer. Ten gevolge van de eerste brandstichting is het slachtoffer met haar gezin uit angst tijdelijk naar een ander verblijfsadres vertrokken, waardoor zij ten tijde van de tweede brandstichting gelukkig niet thuis waren. Verdachte heeft door zijn handelen het slachtoffer en haar gezin angst aangejaagd en een flinke inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar gezin.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de bedreiging van zijn voormalig advocaat en medewerkers van haar kantoor. Verdachte heeft in een periode van ruim een jaar op indringende wijze dreigementen geuit. Deze bedreigingen vonden niet alleen telefonisch en schriftelijk plaats. Verdachte is ook daadwerkelijk naar het kantoor van het slachtoffer gegaan, is daar naar binnen gegaan en heeft zich ook begeven in ruimtes die niet bestemd zijn voor cliënten, heeft daar bedreigingen geuit en is vervolgens rondjes om het kantoor gaan rijden. Een andere keer is verdachte direct nadat hij telefonisch contact met een medewerker van het kantoor heeft gehad, naar het kantoor gekomen. Eén van de medewerkers van het kantoor heeft de feiten als zodanig beangstigend ervaren dat hij enige tijd arbeidsongeschikt is geraakt. Het slachtoffer en de medewerkers van het kantoor hebben net als eenieder het recht gevrijwaard te blijven van bedreigingen. Voor hen kan een dergelijk feit als nog angstiger worden ervaren, nu zij uit hoofde van hun hoedanigheid, het bijstaan van verdachte, op de hoogte zijn van strafbare feiten waarvoor verdachte was veroordeeld en waarvan hij werd verdacht. Ten aanzien van alle feiten is dus sprake van gedrag van de verdachte dat verder gaat dan alleen verbale dreigementen met grote gevolgen voor de slachtoffers.
De persoonlijke omstandigheden van verdachte
Het hof heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van 28 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte op 18 april 2018 door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld voor een bedreiging, meermalen gepleegd.
Adviezen deskundigen
In het dossier bevindt zich een Pro Justitia rapportage van 27 september 2023 opgemaakt door E. Sikking , arts in opleiding tot psychiater, onder supervisie van H.T.J. Boerboom , psychiater en I. van Woudenberg , GZ-psycholoog, allen werkzaam bij het Pieter Baan Centrum (hierna: het PBC-rapport). Het PBC-rapport is opgemaakt ten aanzien van het onder parketnummer 13-327755-22 onder feit 3 ten laste gelegde.
Hoewel verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek, hebben de deskundigen kunnen vaststellen dat bij verdachte sprake is van schizofrenie, zich symptomatisch uitend in wanen, hallucinaties en gedesorganiseerd gedrag. Ook stellen zij dat er sinds 2012 – en mogelijk al sinds 2007 – sprake is van recidiverende psychotische episodes. Daarnaast is verdachte al lange tijd bekend met een ernstige stoornis in gebruik van diverse middelen, zoals cocaïne, heroïne, cannabis, roken en alcohol. De deskundigen stellen dat verdachte geen ziektebesef en ziekte-inzicht heeft. Zij veronderstellen dat de onderliggende psychotische stoornis en het gebruik van middelen, het gedrag van verdachte in zeer grote mate moeten hebben beïnvloed ten tijde van de aan hem ten laste gelegde feiten. Op grond hiervan heeft verdachte zeer beperkt – en mogelijk in het geheel – geen keuzevrijheid gehad in het bewerkstelligen van gezondere, en niet strafbare gedragsalternatieven, aldus de deskundigen. De deskundigen adviseren om verdachte het ten laste gelegde in ten minste sterk verminderde mate toe te rekenen.
Daarnaast bevindt zich in het dossier een aanvullend ambulant onderzoek van
17 november 2025 opgemaakt door H.T.J. Boerboom , psychiater en I.M. van Woudenberg , GZ-psycholoog, allen werkzaam bij het PBC. Dit rapport is opgemaakt als aanvulling op het PBC-rapport van 27 september 2023. In deze aanvulling zijn ook de bedreiging en de brandstichting ten laste gelegd onder parketnummer 13-130562-21 betrokken. Verdachte heeft aan dit onderzoek wel meegewerkt en de deskundigen komen tot eenzelfde conclusie en adviezen als het PBC-rapport van 27 september 2023.
Adviezen voor het voorkomen van recidive
Ten aanzien van het gevaar op recidive schatten de deskundigen het risico zonder behandeling hoog in. Volgens de deskundigen is het risico op escalatie naar ernstigere feiten niet goed in te schatten. Zij sluiten escalatie echter niet uit en nemen daarbij in aanmerking dat verdachte beïnvloed wordt door zijn psychotische beleving, zijn gebrek aan ziektebesef en -inzicht en dat hij zich niet door zijn omgeving laat sturen. Zijn gedrag is onvoorspelbaar en niet invoelbaar. Uit het rapport volgt dat het de afgelopen jaren, ondanks herhaalde juridische kaders, niet gelukt is om verdachte adequaat te behandelen voor zijn stoornissen. Mede vanwege het ontbreken van ziektebesef, is verdachte regelmatig zonder overleg gestopt met zijn medicatie, hetgeen weer psychotische ontregelingen als gevolg had. Door de deskundigen wordt benoemd dat het gedrag van verdachte, in de periode in de PI waarbij hij geen medicatie innam, als provocerend, eisend en dreigend werd ervaren en dat bij verdachte sprake was van grootheidswanen. Ook in de periodes waarbij verdachte met een adequate dosering antipsychotica werd behandeld, zoals in de PI en op de afdeling in het PBC, werden er nog psychotische symptomen zoals auditieve hallucinaties waargenomen. Voorts volgt uit het rapport dat verdachte vanwege een verstoorde behandelrelatie met zijn behandelaar reeds eerder is verwezen naar forensische zorg.
De deskundigen adviseren om verdachte in strikt gereguleerde klinische setting met voldoende toezicht te behandelen. Daarbij wordt gedacht aan een forensische klinische setting met veiligheidsniveau 3 of 4. Volgens de deskundigen is vanwege het ontbreken van ziekte-inzicht bij verdachte geen ander kader mogelijk voor de behandeling van verdachte dan TBS met dwangverpleging.
De straf
Het hof neemt de conclusie van de PBC-rapporteurs met betrekking tot de toerekenbaarheid van verdachte over, in die zin dat het hof oordeelt dat het hiervoor bewezen verklaarde (sterk) verminderd aan verdachte kan worden toegerekend. Het hof houdt hier in strafverminderende zin rekening mee.
Het hof is van oordeel dat de behandeling in hoger beroep niet binnen de redelijke termijn heeft plaatsgevonden en dat dit matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
Het hof acht, alles afwegende, en rekening houdend met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 434 dagen, zijnde de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten, passend. Het hof zal deze echter, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 400 dagen, met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
De TBS-maatregel
Het hof zal het advies van de deskundigen volgen en aan verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten TBS met dwangverpleging opleggen. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft zich onder meer tweemaal schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is vermeld in artikel 37a, eerste lid en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht, namelijk bedreiging. Verdachte leed tijdens het begaan van deze bedreigingen aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens.
Uit het strafblad van verdachte, zijn behandelgeschiedenis en de bevindingen van de deskundigen, blijkt dat de kans dat verdachte in de toekomst recidiveert zonder verdere behandeling, groot is. De deskundigen schatten de kans op recidive en de kans op letsel hoog in. Door de deskundigen wordt gelet op de persoon van verdachte escalatie naar ernstige feiten ook niet uitgesloten. Het hof ziet dat deze escalatie naar ernstige feiten ook al eerder heeft plaatsgevonden door het onder 13-130562-21 feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde, waarbij de bedreigingen gepaard gingen met tweemaal brandstichting bij de woning van de bedreigde.
Vanwege de langdurige aanwezigheid en de ernst van de stoornissen van verdachte, zijn gebrek aan ziektebesef en -inzicht en het grote risico op recidive is een behandeling van langere duur in een klinische setting noodzakelijk. Eerdere interventies hebben niet het gewenste effect gehad. Uit het PBC-rapport en de behandelgeschiedenis van verdachte blijkt dat er ook in een klinische behandelsetting een aanzienlijke kans is dat verdachte zich onaangepast, ongewenst en dreigend gedraagt ten opzichte van behandelaars. Dit maakt het noodzakelijk dat de behandeling van verdachte zal gaan plaatsvinden in een instelling met een hoog beveiligingsniveau.
Alles overwegende is het hof van oordeel dat een TBS-maatregel met dwangverpleging op dit moment het meest passende kader is waarbinnen de behandeling van verdachte kan plaatsvinden en dat veiligheid van anderen het opleggen van deze maatregel vereist.
Ongemaximeerde TBS
Het hof zal de TBS met dwangverpleging opleggen voor ongemaximeerde duur en overweegt daartoe als volgt. De bewezenverklaarde feiten zijn weliswaar niet zonder meer aan te merken als een geweldsmisdrijf in de zin van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht, waardoor de TBS met dwangverpleging in beginsel de maximale duur van vier jaar niet te boven kan gaan. Onder omstandigheden kan echter ook bij bewezenverklaring van bijvoorbeeld een bedreiging een ongemaximeerde TBS met dwangverpleging worden opgelegd. Naar het oordeel van het hof doet die situatie zich hier voor.
Uit de hierboven beschreven omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde bedreigingen zijn begaan, volgt zoals al overwogen dat de bedreigingen gepaard zijn gegaan met non-verbaal agressief gedrag van verdachte. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte met dit non-verbale agressieve gedrag laten zien dat hij bereid is om de daad bij het woord te voegen. Het hof deelt ook niet het standpunt van de raadsvrouw dat per afzonderlijke bedreiging ten opzichte van de bedreigde bekeken moet worden of deze werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet verbaal agressief handelen alvorens er kan worden geconcludeerd dat het om een geweldsmisdrijf gaat. Dit standpunt vindt geen steun in het recht. Het gaat om het totale beeld dat de verdachte aan gedrag heeft laten zien. Gelet op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en de vaststellingen met betrekking tot het gedrag van verdachte, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, zodat sprake is van geweldsmisdrijven in de zin van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaren te boven gaan.
De vrijheidsbeperkende maatregel 38v
Het hof ziet onvoldoende aanleiding om een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, te weten een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] en medewerkers van haar kantoor en een locatieverbod voor het kantoor. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat niet is gebleken dat verdachte na de bewezenverklaarde feiten nog contact heeft gezocht met het slachtoffer en medewerkers van haar kantoor.

Beslag

Teruggave aan verdachte
Het hof zal de teruggave gelasten aan verdachte van het in beslag genomen voorwerp (GSM) dat aan verdachte toebehoort, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

Vordering tenuitvoerlegging 13-326354-21

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd om de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, af te wijzen. Hij acht het wenselijk als de behandeling van verdachte zo snel mogelijk aanvangt en vindt het daarom niet opportuun dat verdachte deze voorwaardelijke straf nog moet uitzitten, alvorens aan zijn TBS-maatregel te kunnen beginnen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf af te wijzen.
Oordeel van het hof
Het hof zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen. De reden daarvoor is dat het hof het van belang acht dat verdachte zo spoedig mogelijk aan zijn behandeling binnen de
TBS-kliniek kan beginnen.

Wetsartikelen

De straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 37a, 37b, 57, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast (zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde).

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-327755-22 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 13-130562-21 onder 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
400 (vierhonderd) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gestelden
beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK GSM (omschrijving: PL1300-2022268181-G6283175, voorwerp 1 op de beslaglijst onder parketnummer 13/327755-22 feit 3).
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket OVJ Midden-Nederland van 9 maart 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Amsterdam van 21 januari 2022, parketnummer 13-326354-21, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht en een proeftijd van 3 jaren.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. N.I.S. Boers, mr. V.M. de Winkel en mr. L.G.J.M. van Ekert, in aanwezigheid van de griffier mr. S. Berendsen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 juli 2026.