ECLI:NL:GHARL:2026:4395

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
200.351.601/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810a RvArt. 31 Verdrag van Istanbul
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontzegging omgangsrecht vader met minderjarige wegens huiselijk geweld en onveiligheid

In hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland bekrachtigd waarin aan de vader het omgangsrecht met zijn minderjarige kind is ontzegd. De vader had verzocht om omgang, begeleide omgang of een deskundigenonderzoek, maar deze verzoeken werden afgewezen omdat hij zonder advocaat geen nieuwe verzoeken mocht indienen.

De Raad voor de Kinderbescherming bracht een rapport uit waarin werd vastgesteld dat het kind opgroeit in een stabiele en veilige omgeving bij de moeder, mede doordat er momenteel geen contact is met de vader. De vader vertoonde in het verleden dwingend, controlerend en grensoverschrijdend gedrag, waaronder huiselijk geweld en stalking, wat een negatieve impact had op de moeder en het kind. Het kind volgt een behandeltraject en heeft een veilige omgeving nodig om zich goed te kunnen ontwikkelen.

Het hof oordeelde dat het contact met de vader op dit moment ernstige nadelige gevolgen zou hebben voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van het kind. Het Verdrag van Istanbul werd hierbij betrokken, dat bescherming biedt tegen geweld in omgangsregelingen. Het hof stelde dat de vader eerst zijn gedrag moet verbeteren en open moet staan voor begeleiding voordat contactherstel kan worden overwogen.

De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd en het verzoek van de vader tot omgang wordt afgewezen, met het oog op het belang en de veiligheid van het kind en de moeder.

Uitkomst: Het gerechtshof ontzegt de vader het omgangsrecht met zijn minderjarige kind vanwege huiselijk geweld en onveiligheid en bekrachtigt daarmee de eerdere beschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.351.601/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 562593)
beschikking van 7 juli 2026
inzake
[verzoeker](de vader),
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
en
[verweerster](de moeder),
wonende op een geheim te houden adres,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. F.D. van Damme te Beverwijk.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Midden Nederland, locatie Lelystad.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 1 juli 2025 verwijst het hof naar zijn beschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- een brief van de raad van 20 mei 2026 met bijlage(n); - een journaalbericht namens de moeder van 5 juni 2026; - een brief van de vader van 11 juni 2026.

2.De motivering van de beslissing

2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de beschikking van 1 juli 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
In die beschikking heeft het hof reeds op de verzoeken van de vader ten aanzien van het gezag en het hoofdverblijf van [de minderjarige] beslist en de beslissing ten aanzien van de omgangsregeling aangehouden.
Het hof heeft de raad verzocht om een nader onderzoek te verrichten, zodat de (on)mogelijkheden van (begeleid) contact tussen de vader en [de minderjarige] in kaart kunnen worden gebracht en bezien kan worden of een omgangsregeling met de vader in het belang van [de minderjarige] is.
2.3
Uit het opgemaakte raadsrapport van 19 mei 2026 komt naar voren dat [de minderjarige] op dit moment opgroeit in een stabiele, liefdevolle en voorspelbare opvoedomgeving bij de moeder en haar gezin. Het is duidelijk geworden dat de rust en stabiliteit die [de minderjarige] nu ervaart sterk samenhangt met het feit dat er op dit moment geen contact is met de vader en dat hij geen toegang heeft tot de directe leefomgeving van de moeder en [de minderjarige] . Sinds het gezin van de moeder op een geheim adres woont en er geen omgang meer plaatsvindt, is er meer rust, veiligheid en voorspelbaarheid ontstaan. Dit heeft een positief effect op [de minderjarige] .
De onveilige gebeurtenissen uit het verleden, huiselijk geweld en stalking gepleegd door de vader, hebben een grote impact gehad op de moeder en daarmee op de opvoedomgeving van [de minderjarige] . [de minderjarige] is hiervoor in behandeling geweest en zij is recent gestart met een nieuw behandeltraject. Ze heeft een rustige, veilige en stabiele omgeving nodig om zich goed te kunnen ontwikkelen en haar behandeling te kunnen volgen. Als [de minderjarige] opnieuw te maken krijgt met stress of spanningen kan dat haar ontwikkeling verstoren.
2.4
Dat [de minderjarige] de vader momenteel niet ziet, is wel een punt van zorg omdat daardoor het risico bestaat dat zij het contact met haar vader blijvend verliest. Dit kan op de langere termijn belastend zijn voor de ontwikkeling van [de minderjarige] , doordat zij gevoelens van gemis, verwarring of loyaliteitsspanning zal kunnen gaan ervaren en zich geen eigen beeld van haar vader kan vormen. Dit risico is aanwezig, mede omdat [de minderjarige] nog jong is en haar beeld van de vader grotendeels wordt beïnvloed door wat zij vanuit haar omgeving meekrijgt en door gebeurtenissen uit het verleden. De raad is zich bewust van deze mogelijke gevolgen, maar acht het forceren van contactherstel in de huidige situatie een groter en directer risico voor [de minderjarige] ’s ontwikkeling. Er bestaat een reële kans dat contactherstel leidt tot hernieuwde onrust, angst en gevoelens van onveiligheid, wat schadelijker kan zijn dan het huidige contactverlies. Dit hangt samen met de ernstige zorgen over het gedrag van de vader. Uit de beschikbare informatie is een patroon naar voren gekomen waarin de vader moeite heeft met het accepteren van grenzen en afspraken. Zo is er dwingend, controlerend, intimiderend en grensoverschrijdend gedrag geweest richting de moeder, hulpverlening en betrokken instanties. Dit uitte zich onder meer in het niet naleven van omgangsafspraken, het herhaaldelijk zoeken van contact ondanks verboden, het onaangekondigd opzoeken van de moeder en betrokkenen en het op eisende wijze willen bepalen hoe het contact met [de minderjarige] vorm moest krijgen. Opgelegde maatregelen en eerdere ondertoezichtstellingen hebben tot op heden niet geleid tot een gedragsverbetering bij de vader. De raad adviseert het hof daarom de bestreden beschikking ten aanzien van de omgang te bekrachtigen en de vader omgang met [de minderjarige] te ontzeggen.
2.5
De moeder heeft bij journaalbericht van 5 juni 2026 gereageerd op het raadsadvies. De moeder kan instemmen met de conclusies en het advies van de raad.
2.6
De vader heeft bij brief van 11 juni 2026 gereageerd op het raadsrapport.
Hij is het niet eens met de conclusies en het advies van de raad. De vader verzoekt het hof primair om het advies van de raad niet te volgen, subsidiair te bepalen dat een traject gericht op contactherstel wordt onderzocht en opgestart, meer subsidiair een regeling van begeleide omgang, therapeutische omgang of gefaseerde omgangsopbouw vast te stellen en nog meer subsidiair een onafhankelijk deskundigenonderzoek of omgangsonderzoek ex artikel 810a Rv te gelasten.
2.7
Het hof stelt voorop dat de vader in de gelegenheid is gesteld om zelf te reageren
op het raadsrapport. Dit heeft hij gedaan bij voornoemde bief van 11 juni 2026. Het is echter niet toegestaan om zonder advocaat nieuwe verzoeken in te dienen. Het hof kan de door de vader gedane verzoeken daarom niet in behandeling nemen. Het hof acht zich overigens op grond van het door de raad verrichte onderzoek voldoende geïnformeerd en ziet in het door de vader aangevoerde geen aanleiding om nader onderzoek te gelasten.
2.8
Gelet op de bevindingen van de raad, is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat aan de vader de omgang met [de minderjarige] moet worden ontzegd. Net als de raad, ziet het hof op dit moment onvoldoende mogelijkheden voor omgang tussen [de minderjarige] en de vader. Bij de moeder is sprake van een aanhoudende angst en wantrouwen richting de vader wat voortkomt uit eerdere negatieve ervaringen. Duidelijk is dat er in de relatie tussen de ouders geweld, controle en agressie door de vader is geweest. Dit heeft geleid tot gedragsaanwijzingen aan de vader in de vorm van contact- en locatieverboden. Omdat de vader zich hier bij herhaling niet aan heeft gehouden, is hij verschillende keren veroordeeld tot een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf. De vader heeft tot op heden niet laten zien dat hij structureel en langdurig in staat is om grenzen, afspraken en kaders van de moeder, hulpverlening en instanties te respecteren. Voor [de minderjarige] is het van essentieel belang dat de moeder beschikbaar blijft als haar hoofdverzorger en die positie is in gevaar zolang er bij de vader geen wezenlijke gedragsverbetering is. Verder dient [de minderjarige] gevrijwaard te blijven van (het zijn van getuige van) geweld, controle en agressie van de zijde van haar vader, al dan niet gericht tegen derden. Dergelijk gedrag van de vader schaadt haar geestelijke en lichamelijke ontwikkeling. Het hof slaat daarbij acht op wat bepaald is in artikel 31 van Pro het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul) waaruit volgt dat verdragspartijen wetgevende of andere maatregelen moeten nemen om ervoor in te staan dat bij de vaststelling een omgangsregeling voor kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van het verdrag. De strekking van deze verdragsbepaling brengt in deze zaak met zich dat de moeder en [de minderjarige] beschermd dienen te worden tegen eerder omschreven gedrag van de vader.
Voordat contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] overwogen kan worden, is het noodzakelijk dat de vader zich coöperatief opstelt richting de betrokken professionals, openstaat voor begeleiding en behandeling en zijn gedrag zodanig aanpast dat er geen sprake meer is dwingend, controlerend of grensoverschrijdend handelen richting de moeder. Het is nu vooral belangrijk dat de moeder en [de minderjarige] de ruimte krijgen om de negatieve gebeurtenissen uit het verleden te verwerken en dat de (daarvoor) ingezette hulpverlening kan worden voortgezet zonder dat zij opnieuw worden geconfronteerd met angst en spanning als gevolg van gedragingen van de vader. Hiervoor is nodig dat er op dit moment geen contact tussen de vader en [de minderjarige] is.
2.9
Het hof is, op grond van het voorgaande, van oordeel dat omgang tussen de vader en [de minderjarige] op dit moment ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] en ook anderszins in strijd is met haar zwaarwegende belangen van [de minderjarige] en dat het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling dient te worden afgewezen.

3.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen en het meer of anders verzochte afwijzen.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van
3 december 2024, voor zover daarbij de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 7 maart 2023 is gewijzigd in die zin dat aan de vader de omgang met [de minderjarige] is ontzegd;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, M.A.F. Veenstra en E. Leentjes, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 7 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.