ECLI:NL:GHARL:2026:4399

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
200.369.493/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 800 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing minderjarige in netwerkpleeggezin

De moeder oefent het ouderlijk gezag uit over haar minderjarige zoon, die sinds oktober 2025 vrijwel volledig bij zijn vriendin en haar moeder verblijft. De kinderrechter heeft een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 30 juli 2026. De moeder is tegen deze machtiging in hoger beroep gegaan en verzocht om vernietiging of beperking tot twee weken na de beschikking van het hof.

Het hof toetst de rechtmatigheid van de machtiging en sluit zich aan bij de motivering van de kinderrechter. De minderjarige heeft een geschiedenis van onrust, huiselijk geweld en justitiële betrokkenheid, waaronder een veroordeling in november 2025. De moeder maakt zich zorgen over de huidige verblijfplaats, maar alle betrokken instanties erkennen dat de huidige plek geen acute onveiligheid kent, hoewel het geen bestendige oplossing is.

Het hof acht het niet in het belang van de minderjarige om hem nu terug te plaatsen bij de moeder vanwege de beschadigde onderlinge band en het risico op escalatie. Er wordt toegewerkt naar een passende alternatieve plek met intensieve behandeling, waarbij de minderjarige gemotiveerd is mee te werken. Het hof bekrachtigt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing en wijst het beroep van de moeder af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een netwerkpleeggezin en wijst het hoger beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.369.493/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 256101)
beschikking van 7 juli 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden,
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden,
verweerder in hoger beroep.
Als belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Regiecentrum Bescherming en Veiligheid(de GI),
die is gevestigd in Leeuwarden.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft [de minderjarige] uit huis geplaatst in een netwerkpleeggezin, tot 30 juli 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1
De moeder oefent het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige] , geboren [in] 2009. [de minderjarige] is niet erkend. Bij de moeder wonen een jonger halfzusje en twee (meerderjarige) halfbroers.
2.2
[de minderjarige] heeft van 9 april 2020 tot 1 juli 2021 onder toezicht gestaan van de GI.
2.3
[de minderjarige] verblijft sinds oktober 2025 vrijwel volledig bij zijn vriendin en haar moeder in [plaats] .

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1
De raad heeft om een voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verzocht voor de duur van drie maanden.
3.2
Bij de bestreden beschikking van 30 april 2026 heeft de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 30 juli 2026 en een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin verleend, voor de duur van vier weken. Het overige deel van het verzoek is aangehouden en de raad, de GI en de moeder zijn opgeroepen voor de zitting op
8 mei 2026.
3.3
Bij de bestreden beschikking van 8 mei 2026 heeft de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de raad toegewezen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin verleend tot 30 juli 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1
De moeder is het niet eens met de beslissingen van de kinderrechter voor zover die zien op de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissingen van de kinderrechter voor zover die zien op de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin vernietigt, althans beperkt tot een termijn van twee weken na de beschikking van het hof.
4.2
De raad heeft mondeling verweer gevoerd en wil dat de beslissingen in stand blijven.
4.3
De GI wil ook dat de beslissingen in stand blijven.
4.4
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift namens de moeder ontvangen op 25 mei 2026, met bijlage(n);
  • een brief van de raad van 16 juni 2026;
  • een brief van de GI van 19 juni 2026;
  • een brief van de GI van 25 juni 2026 met bijlage(n);
  • een journaalbericht namens de moeder van 29 juni 2026 met bijlage(n).
4.5
[de minderjarige] heeft op 29 juni 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van de uithuisplaatsing. Tijdens de zitting is een samenvatting gegeven van dit gesprek en hebben partijen daarop kunnen reageren.
4.6
De zitting bij het hof was op 30 juni 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder, bijgestaan door mr. J. Robben;
  • een vertegenwoordiger van de raad; en
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

De wet
5.1
De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind [1] . De kinderrechter kan dat met spoed doen als er onmiddellijk en ernstig gevaar dreigt voor het kind. [2]
De uithuisplaatsing
5.2
De op 30 april 2026 afgegeven machtiging voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] liep tot 28 mei 2026 en is dus al verlopen. Toch moet het hof nog toetsen of de machtiging wel mocht worden gegeven (rechtmatigheidstoets). De op 8 mei 2026 gegeven machtiging voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin loopt nog tot 30 juli 2026.
5.3
Het hof is met de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de gronden voor het verlenen van een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Het hof verwijst naar de beschikkingen van de kinderrechter van 30 april 2026 en 8 mei 2026, sluit zich aan bij de motivering en voegt hieraan het volgende toe.
5.4
Uit het dossier en wat op de zitting is besproken blijkt dat [de minderjarige] veel heeft meegemaakt in zijn leven. Hij is opgegroeid in een situatie waarin sprake was van onrust, instabiliteit en terugkerende incidenten met huiselijk geweld (tussen de moeder en zijn halfbroer en de vader van [de minderjarige] halfzusje). [de minderjarige] is er pas in 2024 achter gekomen dat hij een andere vader heeft dan de vader van zijn halfzusje. Hij heeft negatieve verhalen over zijn vader gehoord, wat hem emotioneert en heeft ontregeld. [de minderjarige] woont al sinds oktober 2025 bij zijn vriendin en haar moeder in [plaats] . Dit verblijf is door de afgegeven (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing geformaliseerd. Hoewel het hof uit de stukken en gesprekken is gebleken dat [de minderjarige] en de moeder om elkaar geven, is hun onderlinge band door alle gebeurtenissen beschadigd. Er wordt over en weer gescholden, er is fysieke agressie en er hebben meerdere escalaties tussen hen plaatsgevonden. Dit heeft er zelfs toe geleid dat [de minderjarige] in maart 2026 een nacht in hechtenis is genomen. [de minderjarige] is al meerdere keren met politie en justitie in aanmerking gekomen. In november 2025 is hij veroordeeld voor bedreiging, mishandeling en diefstal. Als reclasseringsmaatregel is opgelegd dat [de minderjarige] naar school moet gaan, een geldige startkwalificatie dient te krijgen en meewerkt aan diagnostiek en/of behandeling bij [naam] . Het is [de minderjarige] door alle onrust niet gelukt om zijn schoolgang op te pakken, maar afgesproken is dat hij na de zomer weer zal starten. [de minderjarige] stelt zich wel meewerkend op richting de hulpverlening, zoals de GI en het traject bij [naam] . Het advies van [naam] over het door [de minderjarige] te volgen traject wordt op 14 augustus 2026 verwacht.
5.5
De moeder maakt zich grote zorgen over de plek waar [de minderjarige] verblijft. Er is in het gezin van de vriendin volgens haar sprake van onrust en middelengebruik en [de minderjarige] wordt beïnvloedt en ingezet bij criminele activiteiten (drugshandel). De moeder heeft geen grip op hem. Volgens de moeder heeft [de minderjarige] hulp nodig en is de huidige situatie, waarin [de minderjarige] verder afglijdt en zich afkeert van de moeder, ontstaan in het gezin waar hij nu woont. Alle betrokkenen, waaronder de GI en de raad, zijn het er over eens dat de huidige verblijfplaats van [de minderjarige] geen goede en bestendige plek is voor hem, al wordt geen acute onveiligheid gezien waardoor de plaatsing per direct zou moeten worden geëindigd. De GI en de raad hebben echter ook zorgen over de opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de moeder, haar opvoedvaardigheden, handelen/houding en leerbaarheid. Het hof merkt in dit verband op dat [de minderjarige] al eerder onder toezicht heeft gestaan in 2020 en 2021 en de delicten waarvoor [de minderjarige] het afgelopen najaar is veroordeeld, zijn gepleegd toen [de minderjarige] nog bij de moeder woonde. [de minderjarige] heeft bij de betrokken instanties en het hof duidelijk aangegeven dat hij op de plek wil blijven waar hij nu zit totdat er voor hem een passende vervolgplek is gevonden, zoals begeleid wonen. De GI heeft ter zitting aangegeven dat zij bezig is met het zoeken naar een (neutrale) plek voor [de minderjarige] , zoals [naam2] , waar ook intensieve en kortdurende behandeling wordt aangeboden ter verbetering van de onderlinge gezinsrelaties (systemische hulp), waaraan de moeder kan deelnemen. Begin juli 2026 is er een intakegesprek gepland en [de minderjarige] zou op korte termijn terecht kunnen bij [naam2] . De moeder heeft ter zitting gezegd dat zij kan instemmen met deze plek en zij heeft aangegeven bereid te zijn deel te nemen aan systemische hulp. Andere door de GI genoemde opties zijn de [naam3] ( [plaats2] ) en [naam4] ( [plaats3] ) en/of, als [de minderjarige] de leeftijd van 17 jaar heeft bereikt, begeleid wonen bij [naam5] , wat kan worden gecombineerd met een behandeltraject. De GI neemt [de minderjarige] mee in dit proces, omdat zijn inzet belangrijk is om een traject te laten slagen. Hem nu terugplaatsen bij de moeder, wat hij echt niet wil, zal nog meer stress, boosheid en verzet veroorzaken, terwijl verdere escalatie, een gesloten plaatsing en/of detentie moet worden voorkomen.
5.6
Hoewel het hof een voortzetting van zijn huidige verblijf niet als een bestendige oplossing ziet, acht het hof het niet in het belang van [de minderjarige] om hem nu terug te plaatsen bij de moeder. Het is in het belang van [de minderjarige] dat er wordt toegewerkt naar een passende alternatieve plek voor [de minderjarige] . Dit zou binnen de duur van de huidige machtiging tot uithuisplaatsing moeten zijn gerealiseerd. Het hof weegt mee dat [de minderjarige] op dit moment gemotiveerd is om mee te werken aan een plaatsing op een andere (passende) plek. Dit belang weegt op dit moment zwaarder dan het belang om [de minderjarige] terug te plaatsen naar de moeder. Daarbij is van belang dat de GI ter zitting heeft verklaard dat geen sprake is van een acute onveiligheid van [de minderjarige] in het netwerkpleeggezin. Het hof zal de bestreden beschikkingen bekrachtigen en de verzoeken van de moeder afwijzen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 30 april 2026 en 8 mei 2026, over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. K.H.P. Selcraig en mr. M. Kemmers, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 7 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b lid 1 BW
2.Artikel 800 lid 3 Rv Pro