ECLI:NL:GHARL:2026:4416

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
200.354.744
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 8 lid 1v algemene bepalingen huurovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding sociale huurovereenkomst wegens langdurig ontbreken hoofdverblijf in gehuurde woning

De appellant was hoofdhuurder van een sociale huurwoning die hij na het overlijden van zijn ouders betrok. Portaal, de verhuurder, stelde dat appellant niet aan de verplichting voldeed om de woning als hoofdverblijf te gebruiken, wat uit bewoningsonderzoek en gegevens over waterverbruik bleek.

De kantonrechter kende Portaal bij verstekvonnis toe de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. Appellant stelde verzet in, maar slaagde er niet in tegenbewijs te leveren dat hij de woning als hoofdverblijf gebruikte. In hoger beroep erkende appellant dat hij gedurende een periode van ruim 15 maanden de woning niet als hoofdverblijf gebruikte.

Appellant voerde aan dat deze tekortkoming niet zwaarwegend was vanwege eerdere en latere periodes waarin hij de woning wel als hoofdverblijf gebruikte. Het hof oordeelde echter dat het langdurig niet gebruiken van de woning als hoofdverblijf een tekortkoming van voldoende gewicht is om ontbinding te rechtvaardigen, mede vanwege de schaarste aan sociale huurwoningen.

De zogenoemde tenzij-bepaling van artikel 6:265 BW Pro, die ontbinding kan voorkomen bij geringe of bijzondere tekortkomingen, werd niet aanvaard. Appellant bracht onvoldoende bijzondere omstandigheden aan. Het hoger beroep werd afgewezen en appellant werd veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de ontbinding van de huurovereenkomst blijft in stand.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.744
zaaknummer rechtbank Gelderland 10747671
arrest van 7 juli 2026
in de zaak van
[appellant]
die woonde in [woonplaats] , thans zonder bekende woon- en verblijfplaats
advocaat (onttrokken): mr. K.T. Ghaffari
en
Stichting Portaal
die is gevestigd in Utrecht
advocaat: mr. J.G. van Heertum

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen in verzet die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen , (hierna: de kantonrechter) op 15 maart 2024 (het tussenvonnis) en 7 februari 2025 (het eindvonnis) tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 17 juni 2026 is gehouden.
1.2.
Van belang is ook het navolgende. De dagbepaling voor de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 november 2025, waarbij rekening is gehouden met de opgegeven verhinderdata. Daarna, op 26 maart 2026, heeft de advocaat van [appellant] zich met het daartoe bestemde formulier onttrokken. Binnen de daarvoor gegeven termijn (tot 14 april 2026) heeft zich vervolgens geen nieuwe advocaat voor [appellant] gesteld. [appellant] is niet bij de mondelinge behandeling verschenen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellant] is na het overlijden van zijn ouders in 2014 hoofdhuurder geworden van de voormalige ouderlijke woning in [woonplaats] (hierna: de woning), die door Portaal aan hem wordt verhuurd. Op grond van de huurovereenkomst is [appellant] verplicht de woning als zijn hoofdverblijf te gebruiken. Het betreft een sociale huurwoning. [appellant] heeft een ex-partner en drie kinderen die op een ander adres in [woonplaats] wonen. Portaal heeft herhaaldelijk aan [appellant] laten weten dat zij de huurovereenkomst wil beëindigen, omdat volgens Portaal uit door haar verricht bewoningsonderzoek blijkt dat [appellant] niet in de woning, maar waarschijnlijk bij zijn (ex-)partner en kinderen woont. [appellant] heeft daarop niet gereageerd.
2.2.
Portaal heeft bij de kantonrechter gevorderd (kort gezegd) ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning en een gebruiksvergoeding zolang de woning niet ontruimd is, met proceskosten. De kantonrechter heeft deze vorderingen bij verstekvonnis van 18 augustus 2023 toegewezen. [appellant] heeft daartegen verzet ingesteld. De kantonrechter heeft vervolgens in het tussenvonnis geoordeeld dat Portaal voorshands had bewezen dat [appellant] niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft en [appellant] toegelaten om tegenbewijs te leveren. In het eindvonnis is vervolgens geoordeeld dat [appellant] niet in dat tegenbewijs is geslaagd en dat dus vast staat dat [appellant] niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad. Daarom is in verzet het verstekvonnis door de kantonrechter bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.
2.3.
Het hof zal beslissen dat de bestreden vonnissen in stand blijven en licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.
De kantonrechter heeft op een rij gezet wat er tussen partijen is gebeurd (de feiten vastgesteld). In hoger beroep komt [appellant] op tegen een paar onderdelen daarvan (met name het bewoningsonderzoek), maar dat gaat niet om de juistheid van de weergave van de bevindingen en verklaringen, maar om de conclusies die daaraan in het bestreden vonnis zijn verbonden. Dat het onderzoek is verricht, verklaringen zijn afgelegd en dat daarvan verslagen zijn gemaakt zoals weergegeven bij de feiten, staat op zichzelf niet ter discussie. Daarom zal het hof van dezelfde feiten uitgaan als de kantonrechter. In aanvulling daarop stelt het hof als onweersproken vast dat de ontruiming van de woning inmiddels op 19 maart 2025 heeft plaatsgevonden en dat [appellant] sindsdien geen bekende vaste woon- of verblijfplaats meer heeft.
3.2.
Een belangrijk punt in dit geschil is dat [appellant] in de periode van 19 juli 2022 tot 28 oktober 2023 geen actief energiecontract had voor de woning. In hoger beroep erkent [appellant] (anders dan bij de kantonrechter) dat hij in die periode de woning niet als zijn hoofdverblijf heeft gebruikt, omdat zijn leven zich toen in hoofdzaak vanuit de woning van zijn ex-partner en kinderen afspeelde: overdag was hij op zijn werk en in de avonden meestal bij zijn (ex)-partner en kinderen. In zoverre is de verweten tekortkoming niet langer in geschil.
3.3.
Volgens [appellant] is, gelet op alle feiten en omstandigheden en met name de (woon)belangen van [appellant] , deze tekortkoming van onvoldoende gewicht om de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen, omdat deze betrekking heeft op een relatief korte huurperiode en [appellant] veel langer, namelijk vanaf mei 2013 tot juli 2022 en weer vanaf 28 oktober 2023 tot aan de ontruiming van de woning, wél hoofdverblijf in de woning heeft gehad.
3.4.
Volgens Portaal heeft [appellant] gedurende een (veel) langere periode dan hij nu erkent geen hoofdverblijf in de woning gehad en blijkt dit uit met name de gegevens over waterverbruik en de verklaringen van omwonenden. Bovendien levert alleen al het feit dat een huurder meer dan vijftien maanden geen hoofdverblijf in de woning heeft gehad, zoals niet meer in geschil is, een tekortkoming op van voldoende gewicht om de huurovereenkomst te ontbinden. Huurwoningen in de sociale sector zijn schaars zijn en woningzoekenden staan vaak een geruime tijd (in [woonplaats] oplopend tot meer dan vijftien jaar) ingeschreven om voor een huurwoning als deze in aanmerking te komen. Nu [appellant] lange tijd niet zijn hoofdverblijf in de woning had, frustreert hij de eerlijke woonruimteverdeling in de regio. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn volgens Portaal door [appellant] niet gesteld, laat staan onderbouwd.
3.5.
Dit alles roept volgens het hof de vraag op van welke periode in de onderhavige beoordeling dient te worden uitgegaan als het gaat om het niet hebben van hoofdverblijf in de woning. De kantonrechter heeft de bestreden beslissingen gebaseerd op (onder meer) de vaststelling dat [appellant] zijn hoofdverblijf niet in de woning had, waarbij de periode waarvoor dit gold niet in het oordeel is afgebakend. [appellant] richt tegen deze bewezenverklaring geen toegespitste grief, maar uit de bezwaren die hij tegen de beslissing opwerpt, is wel het standpunt af te leiden dat het volgens hem slechts om een beperkte periode gaat waarin hij zijn hoofdverblijf niet in de woning heeft gehad. Aan Portaal kan worden toegegeven dat er door [appellant] – ook in hoger beroep – nog (te) weinig is aangedragen om te ontkrachten wat uit de verklaringen van omwonenden, de bevindingen van de onderzoeker en de nutsgegevens is af te leiden. Dat geldt temeer omdat [appellant] onvoldoende heeft uitgelegd hoe het komt dat de periode waarin volgens hem het hoofdverblijf buiten de woning lag geheel en exact samenvalt met de periode waarin er geen energiecontract voor de woning gold. Anderzijds is over met name de periode tussen 28 oktober 2023 tot de ontruiming niet veel meer bekend dan het door Portaal gestelde opvallend lage verbruik van gas, water en licht, waarbij volgens Portaal vooral het waterverbruik indicatief is voor de vraag of een woning daadwerkelijk wordt bewoond. Aan de beantwoording van de vragen wat dit alles betekent en of er (aanvullend) bewijs moet worden geleverd ten aanzien van een ruimere periode dan door [appellant] erkend, komt het hof echter niet toe op grond van het volgende.
3.6.
In elk geval staat in hoger beroep vast dat [appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van één van de verplichtingen die de huurovereenkomst voor hem meebrengen, te weten om hoofdverblijf te houden in het gehuurde (art. 8 lid Pro 1v van de algemene bepalingen bij de huurovereenkomst). Uit het bepaalde in artikel 6:265 BW Pro volgt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [appellant] doet een beroep op deze zogenoemde tenzij-bepaling, maar het hof volgt hem daarin niet. Het onbewoond laten van een sociale huurwoning gedurende een periode van (tenminste) vijftien maanden is - gelet op de door Portaal aangedragen argumenten - zeker niet van geringe betekenis te noemen. Van feiten en omstandigheden die maken dat aan de tekortkoming in dit geval een bijzondere aard of geringe betekenis als bedoeld in de tenzij-bepaling moet worden toegekend, is onvoldoende gebleken. Dat [appellant] om hem moverende redenen in de familieverhoudingen ervoor kiest om gedurende een of meer langere periode(n) zijn hoofdverblijf te verleggen naar de woning van zijn (ex-)partner en kinderen, zonder zijn eigen woning op te geven, biedt daarvoor in elk geval onvoldoende grond. Van (overige) bijzondere omstandigheden en belangen aan de kant van [appellant] is verder niet gebleken. Het hof komt niet toe aan het bewijsaanbod van [appellant] , omdat hij geen concrete feiten heeft gesteld die, indien bewezen, tot een andere conclusie leiden. Dit alles leidt tot de conclusie dat de ontbinding gerechtvaardigd is en dat betekent dat de daarmee samenhangende beslissingen ook overeind blijven.
De conclusie
3.7.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt de vonnissen in verzet van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen , van 15 maart 2024 en 7 februari 2025;
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Portaal:
€ 827 aan griffierecht en
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van Portaal (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);
4.3.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. K. Mans, A.A. van Rossum en K.J.O. Jansen, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.