Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep
- de memorie van grieven
- de memorie van antwoord
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 17 juni 2026 is gehouden.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De appellant was hoofdhuurder van een sociale huurwoning die hij na het overlijden van zijn ouders betrok. Portaal, de verhuurder, stelde dat appellant niet aan de verplichting voldeed om de woning als hoofdverblijf te gebruiken, wat uit bewoningsonderzoek en gegevens over waterverbruik bleek.
De kantonrechter kende Portaal bij verstekvonnis toe de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. Appellant stelde verzet in, maar slaagde er niet in tegenbewijs te leveren dat hij de woning als hoofdverblijf gebruikte. In hoger beroep erkende appellant dat hij gedurende een periode van ruim 15 maanden de woning niet als hoofdverblijf gebruikte.
Appellant voerde aan dat deze tekortkoming niet zwaarwegend was vanwege eerdere en latere periodes waarin hij de woning wel als hoofdverblijf gebruikte. Het hof oordeelde echter dat het langdurig niet gebruiken van de woning als hoofdverblijf een tekortkoming van voldoende gewicht is om ontbinding te rechtvaardigen, mede vanwege de schaarste aan sociale huurwoningen.
De zogenoemde tenzij-bepaling van artikel 6:265 BW Pro, die ontbinding kan voorkomen bij geringe of bijzondere tekortkomingen, werd niet aanvaard. Appellant bracht onvoldoende bijzondere omstandigheden aan. Het hoger beroep werd afgewezen en appellant werd veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de ontbinding van de huurovereenkomst blijft in stand.